Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 13 mei 2026 heeft de minister van Asiel en migratie appellant in bewaring gesteld.

Zaakgegevens

Op 16 juli 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16 juli 2026
Datum publicatie
14 juli 2026
Zaaknummer
BRS.26.002939
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4092
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 13 mei 2026 heeft de minister van Asiel en migratie appellant in bewaring gesteld.

Uitspraak

BRS.26.002939

ECLI:NL:RVS:2026:4092

Datum uitspraak: 16 juli 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[betrokkene],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 9 juni 2026 in zaak nr. NL26.29317 in het geding tussen:

[betrokkene]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 9 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.D. Kupelian, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Appellant betoogt tevergeefs dat de periode waarin hij op grond van artikel 59b van de Vw 2000 in bewaring heeft verbleven, zou moeten meetellen bij het berekenen van de maximale bewaringsduur, bedoeld in artikel 59, vijfde en zesde lid, van de Vw 2000. Het arrest van het Hof van Justitie van 5 maart 2026, Aroja, ECLI:EU:C:2026:148, punt 73, gaat immers alleen over perioden van bewaring op grond van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn ter uitvoering van een terugkeerbesluit. Daarvan is bij bewaring op grond van artikel 59b van de Vw 2000 geen sprake. De Afdeling ziet bevestiging voor dit oordeel in het arrest van het Hof van 30 november 2009, Kadzoev, ECLI:EU:C:2009:741, punten 40 tot en met 48.

1.1.        Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

1.2.        Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.        De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.

w.g. Den Heyer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Weber

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026

846