Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:22795

Op 14 August 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.44299, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:22795. De plaats van zitting was Roermond.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.44299
Datum uitspraak:
14 August 2026
Datum publicatie:
14 August 2026

Indicatie

Overgangsrecht bij verlenging van maatregel ogv artikel 59, zesde lid: oude artikel 94 van toepassing. Geen verplichting tot onverwijlde kennisgeving van verlengingsbesluit aan de rechtbank.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.44299

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: K. Kanters).

Procesverloop

Procesverloop

1. Op 26 januari 2026 heeft verweerder eiser op grond van artikel 59, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in vreemdelingenbewaring gesteld. Bij besluit van 23 juli 2026 heeft verweerder de maatregel van vreemdelingenbewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd (het bestreden besluit). Hiervan is de rechtbank in kennis gesteld.

1.1.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. (Voetnoot 1)

1.2.

De rechtbank heeft het beroep op 11 augustus 2026 op zitting behandeld. De rechtbank heeft een afstandsverklaring ontvangen, waarin eiser verklaart afstand te doen van zijn recht om aanwezig te zijn bij de zitting. Ook heeft zijn gemachtigde zich afgemeld voor de zitting. Wel zijn schriftelijk beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Artikel 94 van de Vw 2000 en het overgangsrecht

2. Eiser voert allereerst (samengevat) aan dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 door niet onverwijld de rechtbank in kennis te stellen van de bekendmaking van het verlengingsbesluit. Er is nu namelijk een periode van dertien dagen verlopen tussen het verlengingsbesluit (van 23 juli 2026) en de kennisgeving aan de rechtbank (op 4 augustus 2026). Eiser is van mening dat dit zich niet verhoudt tot het begrip “onverwijld” en dat hierdoor de verlenging niet “met spoed” kan worden getoetst. Het is nu bovendien niet meer mogelijk om binnen de vereiste 15 dagen uitspraak te doen. Eiser vindt dat het overgangsrecht niet van toepassing is, omdat het verlengingsbesluit van 23 juli 2026 is (ook al is de maatregel zelf van 26 januari 2026).

3. De rechtbank stelt vast dat de maatregel (die met dit verlengingsbesluit is verlengd) weliswaar dateert van 23 januari 2026, maar dat uit artikel IX (‘overgangsrecht’), derde lid, van de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (het overgangsrecht) volgt dat voor besluiten tot oplegging van (onder meer) de vrijheidsontnemende maatregel van artikel 59 van de Vw 2000 die zijn opgelegd vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet (op 12 juni 2026), evenals voor de verlenging van deze besluiten, artikel 94 van de Vw 2000 blijft gelden zoals die daarvóór luidde. Dat betekent dat op dit verlengingsbesluit het overgangsrecht van toepassing is en dat artikel 94 van de Vw, zoals dat voorheen gold, nog geldt. Alhoewel het voor de rechtbank niet duidelijk is geworden – en ook de minister niet duidelijk heeft kunnen maken – wat de meerwaarde dan wel betekenis is van het vierde lid ten opzichte van het derde lid, doet de tekst van het vierde lid van dit overgangsrecht niet af aan die conclusie voor het verlengingsbesluit dat hier aan de orde is. De rechtbank heeft in de toelichting bij dit overgangsrecht namelijk geen aanknopingspunten gevonden waaruit moet worden afgeleid dat een beroep tegen ‘oude’ maatregelen en een verlenging daarvan – anders dan uitdrukkelijk in het derde lid staat en wat aansluit bij de toelichting op de wijzing van artikel 94 en het overgangsrecht – ook op de ‘nieuwe’ manier (dus met een onverwijlde kennisgeving door de minister) tot stand moeten komen. (Voetnoot 2) Uit de toelichting volgt – zoals de minister ook toelichtte op de zitting – dat het de bedoeling is dat op alle ‘oude’ maatregelen inclusief verlenging daarvan het ‘oude’ recht van toepassing blijft en er – in de woorden van de minister – een eerbiedigende werking uitgaat van de ‘oude’ maatregelen en het recht dat toen nog gold. Dat leidt de rechtbank tot het oordeel dat het overgangsrecht over artikel 94 – ondanks het vierde lid – niet zo moet worden begrepen dat voor het verlengingsbesluit toch het ‘nieuwe’ artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van toepassing is. Dit betekent dat op dit verlengingsbesluit het ‘oude’ artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 (en dan overigens ook het ‘oude’ vijfde lid) van toepassing is, zoals uit het derde lid volgt.

4. Gelet daarop was de minister dus niet verplicht de rechtbank onverwijld in kennis te stellen van het verlengingsbesluit. Dit hoefde namelijk pas uiterlijk op de 28ste dag, zo volgt uit het oude artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000. De rechtbank is vervolgens van oordeel dat de minister niet onzorgvuldig heeft gehandeld door dat al eerder te doen dan op de 28ste dag. Dat maakt in ieder geval niet dat het verlengingsbesluit onrechtmatig is of de maatregel daarom moet worden opgeheven. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.

Is het verlengingsbesluit op tijd genomen?

5. Daarnaast voert eiser aan (kort samengevat) dat onvoldoende inzichtelijk is of het verlengingsbesluit – gelet op de maximale totale bewaringstermijn en het arrest Aroja – tijdig is genomen, omdat eiser eerder in 2025 in bewaring heeft verbleven en hem een terugkeerbesluit is opgelegd.

6. De rechtbank stelt vast dat de totale (Aroja-)periode van zes maanden van de bewaring nog niet was verstreken vóór het verlengingsbesluit is genomen. Verweerder heeft in het verweerschrift toegelicht dat eiser niet eerder in bewaring heeft gezeten op grond van artikel 59 (in verband met het terugkeerbesluit van 15 juli 2025). Wel heeft eiser een periode (van 23 juni 2025 tot en met 2 september 2025) in bewaring gezeten op grond van artikel 59b, maar die periode telt niet mee voor de Aroja-termijn van zes maanden. (Voetnoot 3) Daarnaast wijst de rechtbank nog op rechtsoverweging 6 in de uitspraak van 10 juni 2026 in het eerdere vervolgberoep, waarin ook is geoordeeld hierover. (Voetnoot 4) De rechtbank ziet geen aanleiding om daar in de onderhavige procedure anders over te oordelen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Is het verlengingsbesluit rechtmatig?

7. Voor de verlenging van de maatregel van vreemdelingenbewaring geldt op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000 dat deze maatregel na afloop van zes maanden met maximaal nog eens twaalf maanden kan worden verlengd indien de verwijdering, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn verwijdering of de daarvoor benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.

8. Verweerder moet in het verlengingsbesluit beoordelen of is voldaan aan de voorwaarden voor verlenging, of er nog voldoende gronden voor de bewaring zijn, of de bewaring voor de vreemdeling onevenredig bezwarend is en of er zicht op uitzetting bestaat. Als dit voldoende gemotiveerd is, wordt hiermee voldaan aan alle vereisten voor het nemen van een verlengingsbesluit. (Voetnoot 5)

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom in het geval van eiser wordt voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de maatregel van bewaring. Daar heeft eiser zelf in beroep ook geen gronden tegen aangevoerd.

10. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding. Voor de afgifte van de laissez-passer om eiser te kunnen uitzetten is verweerder afhankelijk van de medewerking van de Algerijnse autoriteiten. Verweerder heeft met regelmaat gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten en vertrek gesprekken met eiser gevoerd. Hiermee zijn voldoende inspanningen verricht om de uitzetting van eiser te realiseren. Daarnaast is voldoende toegelicht dat eiser onvoldoende meewerkt aan uitzetting naar Algerije. Eiser dient Nederland te verlaten terwijl hij geen (geldige) documenten heeft, en dit brengt met zich mee dat hij volledige medewerking moet verlenen aan het vaststellen van zijn identiteit voor de afgifte van een lp. Gebleken is juist dat eiser niet wil meewerken, terwijl hij mogelijk zijn uitzetting kan bespoediging (en daarmee de periode in bewaring kan bekorten) door mee te werken (aan een vrijwillig vertrek met IOM). De rechtbank heeft de voortduring van de bewaring bovendien meerdere malen beoordeeld, waarbij de rechtbank telkens heeft geoordeeld dat verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt en dat eiser zelf niet meewerkt. (Voetnoot 6) Daarnaast bestaat ten aanzien van Algerije in het algemeen zicht op uitzetting. (Voetnoot 7) Dat ontbreekt ook in het geval van eiser niet, nu daarvoor nog geen aanknopingspunten aanwezig zijn. Het traject loopt (sinds juli 2025) en alleen de duur daarvan tot nu toe is nog niet voldoende voor die conclusie. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder mocht concluderen dat aan de voorwaarden voor verlenging van de maatregel van bewaring is voldaan in eisers geval.

11. In het verlengingsbesluit staat dat eiser op 26 januari 2026 in bewaring is gesteld, omdat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en/of omdat hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Aan het verlengingsbesluit zijn de gronden a, b, c, d, h, p, r en s ten grondslag gelegd. De rechtbank stelt vast dat eiser die gronden niet heeft bestreden. Ook de rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden samen het verlengingsbesluit niet kunnen dragen.

12. De rechtbank is van oordeel dat ook voldoende is toegelicht dat een lichter middel (ook nu) niet aan de orde is. Daarbij is voldoende rekening gehouden met eisers (medische) situatie. Eiser heeft zelf ook geen (andere) feiten of omstandigheden aangevoerd die maken dat de bewaring (bijvoorbeeld wegens de duur daarvan) voor hem onredelijk bezwarend is (geworden) en die zijn de rechtbank ook niet gebleken.

Ambtshalve toets

13. De rechtbank overweegt tot slot dat zij ook ambtshalve geen aanleiding ziet voor de conclusie dat het voortduren van de bewaring vanaf de sluiting van het onderzoek in het laatste vervolgberoep dan wel het verlengingsbesluit onrechtmatig is.

Conclusie

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de maatregel van bewaring niet wordt opgeheven. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, rechter, in aanwezigheid van M.M.P. van Diepen, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 14 augustus 2026.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoot

Voetnoot 1

Dit volgt uit artikel 94, eerste en zevende lid, van de Vw 2000.

Voetnoot 2

Pagina’s 121 en 124 van de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 871, nr. 3). Zie ook pagina’s 247, 248 en 249 over de toelichting bij de wijziging van artikel 94.

Voetnoot 3

Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4092).

Voetnoot 4

Zaaknummer NL26.31091.

Voetnoot 5

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 december 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:4460).

Voetnoot 6

NL26.4619 (eerste beroep) en daarna de vervolgberoepen NL26.14218, NL26.21877, NL26.31091 en NL26.36378.

Voetnoot 7

Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1892) en 27 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:722).