Vreemdelingenrecht
Bij besluit van 26 april 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkene…
Raad van State, 6 oktober 2026
ECLI:NL:RVS:2026:5854 · Raad van State · 6 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2026-5854
Zaakgegevens
Op 6 oktober 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Datum publicatie
- 2 oktober 2026
- Zaaknummer
- BRS.26.003204
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5854
Samenvatting
Bij besluit van 26 april 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkene een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Uitspraak
BRS.26.003204
ECLI:NL:RVS:2026:5854
Datum uitspraak: 6 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1. de minister van Asiel en Migratie,
2. [appellant],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 1 juni 2026 in zaak nr. NL24.48264 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 26 april 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkene een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 6 november 2024 heeft de minister het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 1 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. I.M. Hagg, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 30 juli 2026 heeft de minister het tegen het besluit van 26 april 2022 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Betrokkene heeft daartegen beroepsgronden ingediend.
Overwegingen
Inleiding
1. Gelet op de toetsing die de rechtbank en de Afdeling verrichten naar het recht dat gold ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar, betrekt de Afdeling bij deze zaak niet de met ingang van 12 juni 2026 gewijzigde regelgeving op het gebied van nareis.
2. Betrokkene is geboren op 4 september 1997 en heeft de Iraanse nationaliteit. Ze is in 2017 met haar moeder van Iran naar Turkije gereisd en is daar alleen achtergebleven. Betrokkene heeft in Turkije de Verenigde Naties om bescherming gevraagd en heeft in dat land een tijdelijke verblijfsvergunning gehad. In 2025 is betrokkene door de Turkse autoriteiten uitgezet naar Iran.
2.1. Betrokkene beoogt gezinshereniging met haar vader (referent). Referent heeft Iran in 2018 verlaten. De minister heeft referent op 7 juni 2021 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Referent heeft vervolgens op 2 september 2021 mvv-aanvragen in het kader van nareis ingediend voor zijn echtgenote en betrokkene. De minister heeft de aanvraag voor de echtgenote van referent, die niet de moeder van betrokkene is, ingewilligd en zij verblijft bij referent in Nederland. De minister heeft de aanvraag voor betrokkene afgewezen, omdat er geen feitelijke gezinsband is tussen haar en referent. Daarbij heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat betrokkene niet voldoet aan het jongvolwassenenbeleid uit paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000, zoals dat ten tijde van de mvv-aanvraag gold. De minister heeft ook ambtshalve een beoordeling op grond van artikel 8 van het EVRM verricht en zich op het standpunt gesteld dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn tussen referent en betrokkene.
2.2. De rechtbank heeft overwogen dat de minister het standpunt dat betrokkene niet aan het jongvolwassenenbeleid voldoet, onzorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Ook heeft de minister volgens de rechtbank een te strikt beoordelingskader gehanteerd. De rechtbank heeft onder meer gewezen op het arrest van het Hof van Justitie van 1 augustus 2022, XC, ECLI:EU:C:2022:618, en de uitspraken van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2146, onder 6.1, en 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4631.
Het hoger beroep van de minister
3. De enige grief van de minister is gericht tegen het hiervoor genoemde oordeel van de rechtbank. De minister betoogt dat de rechtbank het arrest XC onjuist heeft uitgelegd. Vervolgens betoogt de minister dat hij in het besluit van 6 november 2024 alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken en dat hij deugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene niet aan het jongvolwassenenbeleid voldoet. Volgens de minister heeft de rechtbank niet onderkend dat betrokkene op het peilmoment van de inreis van referent niet aan het jongvolwassenenbeleid voldeed en dat de minister daarom de omstandigheden van na de inreis van referent niet in zijn beoordeling hoefde te betrekken.
3.1. De minister betoogt tevergeefs dat het arrest XC ging over een achterblijvend minderjarig kind en dat het arrest niet zo ver strekt dat de minister bij een nareisprocedure voor een meerderjarig kind moet beoordelen of de betrokken vreemdeling en de betrokken referent de wens hebben om de feitelijke gezinsband te herstellen. De Afdeling heeft in de eerdergenoemde uitspraak van 20 november 2024, onder 5.4, immers overwogen dat het Hof in het arrest XC in algemene zin ingaat op de beoordeling van werkelijk gezinsleven tussen ouders en hun kind. De toepassing van het arrest XC is dus niet beperkt tot gezinshereniging met minderjarige kinderen. De Afdeling heeft vervolgens in de uitspraak van 3 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3831, onder 6.1, overwogen dat uit punt 66 van het arrest XC volgt dat de minister voor het bestaan van een feitelijke gezinsband moet vaststellen of er daadwerkelijk een gezinsband bestaat of de wil om een dergelijke band te creëren of te behouden. De rechtbank heeft het arrest XC dus niet onjuist uitgelegd.
3.2. Het voorgaande neemt echter niet weg dat de minister terecht betoogt dat hij in het besluit deugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat er op het moment van de inreis van referent in Nederland een feitelijke gezinsband was tussen haar en referent. De minister heeft zich in het besluit terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij direct voor de inreis van referent met hem in gezinsverband samenleefde. Betrokkene heeft immers in het gehoor van 24 juni 2024 verklaard dat zij referent op dat moment al twaalf jaar niet had gezien. Dat komt erop neer dat betrokkene vanaf 2012 niet meer met referent heeft samengeleefd. De minister heeft er terecht op gewezen dat het niet langer samenleven van betrokkene en referent niet door een vluchtsituatie is ingegeven. Verder heeft de minister erop gewezen dat de verklaringen van referent over zijn woonsituatie en het onderlinge contact niet overeenkomen met de verklaringen van betrokkene daarover.
Over het vertrek van betrokkene naar Turkije heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat zij met dat vertrek stappen naar zelfstandigheid heeft gezet. Zij is immers vrijwillig naar Turkije vertrokken en heeft daar zelfstandig verbleven. Nadat de ondersteuning door de Verenigde Naties ophield, heeft betrokkene samen met anderen een woning gehuurd.
De minister heeft gelet op het voorgaande deugdelijk gemotiveerd dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op het moment van de inreis van referent aan het jongvolwassenenbeleid voldeed, in het bijzonder het vereiste ‘in gezinsverband samenleven’, en er dus een feitelijke gezinsband was.
3.3. Aangezien de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat de feitelijke gezinsband tussen referent en betrokkene was verbroken op het moment van de inreis van referent, hoefde de minister niet te beoordelen of de feitelijke gezinsband na de inreis is hersteld. Zie de eerdergenoemde uitspraak van 20 november 2024, onder 5.1. De door de rechtbank genoemde feiten en omstandigheden die zich na de inreis van referent hebben voorgedaan, zijn in zoverre dus niet relevant. De grief slaagt.
4. Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vraag over de beoordeling van een werkelijk gezinsleven kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
Het incidenteel hoger beroep van betrokkene
5. Het incidenteel hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).
Conclusie hoger beroepen
6. Het hoger beroep van de minister is gegrond. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene is ongegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Het beroep
7. Betrokkene heeft tevergeefs betoogd dat het vereiste van samenleving in strijd is met de rechtspraak van het EHRM. Eén van de vier vereisten van het jongvolwassenenbeleid uit paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000 is dat de jongvolwassene met de ouder(s) in gezinsverband samenleeft. De Afdeling heeft in de eerdergenoemde uitspraak van 29 mei 2024, onder 8.1, geoordeeld dat het jongvolwassenenbeleid, met inachtneming van het beoordelingskader onder 8 tot en met 8.6 van die uitspraak, niet in strijd is met enige rechtsregel en niet onredelijk is. Aangezien de minister in dit geval deugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene niet aan het jongvolwassenenbeleid voldoet, is de motivering van de minister in lijn met het beoordelingskader uit de uitspraak van 29 mei 2024. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
8. Verder heeft betrokkene betoogd dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn tussen betrokkene en referent. Betrokkene heeft gewezen op de problemen die zij en referent hebben gehad met de moeder van betrokkene, op de financiële afhankelijkheid van referent en de hartklachten van referent. Volgens betrokkene heeft de minister alle feiten en omstandigheden niet in onderlinge samenhang bezien.
8.1. De beroepsgrond slaagt niet. De door betrokkene genoemde omstandigheden heeft de minister betrokken in zijn beoordeling in het besluit. De minister heeft deugdelijk gemotiveerd dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid in de zin van artikel 8 van het EVRM zijn met referent. Daarbij heeft de minister er onder meer op gewezen dat betrokkene niet met stukken heeft onderbouwd dat zij financieel ondersteund wordt door referent of dat referent, wegens zijn medische klachten, afhankelijk is van betrokkene. De minister heeft niet ontkend dat betrokkene en referent een sterke emotionele band hebben, maar hij heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het contact en de emotionele ondersteuning op afstand kan blijven plaatsvinden. Ook heeft de minister in dit kader gewezen op de lange periode dat referent en betrokkene niet meer samenleven en de stappen naar zelfstandigheid die betrokkene heeft gezet.
8.2. Betrokkene heeft erop gewezen dat zij hangende het beroep door de Turkse autoriteiten is uitgezet naar Iran. Betrokkene gaat er echter aan voorbij dat de minister deze omstandigheid niet heeft kunnen betrekken in zijn beoordeling in het besluit. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 27 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3046, onder 3.14, waaruit volgt dat voor zaken over artikel 8 van het EVRM het uitgangspunt is dat de bestuursrechter toetst of het bestuursorgaan het besluit op bezwaar heeft kunnen nemen naar de feiten zoals die zich op dat moment voordeden. Dit betekent dat nieuwe feiten en omstandigheden die een vreemdeling voor het eerst bij de bestuursrechter naar voren brengt, buiten de omvang van het geding vallen en in een eventuele nieuwe aanvraag naar voren gebracht zullen moeten worden.
9. Voor zover betrokkene heeft betoogd dat de minister een evenredigheidsbeoordeling had moeten maken, slaagt dit betoog niet, alleen al omdat betrokkene niet heeft toegelicht waarom afwijzing van de aanvraag in haar geval onevenredig is.
10. Het beroep roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).
Conclusie beroep en het besluit van 30 juli 2026
11. Het beroep is ongegrond. De minister heeft het besluit van 30 juli 2026 genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank. Omdat de Afdeling die uitspraak vernietigt, vernietigt zij ook het besluit van 30 juli 2026. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van de minister gegrond;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep van betrokkene ongegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 1 juni 2026 in zaak nr. NL24.48264;
IV. verklaart het beroep tegen het besluit van 6 november 2024, V-290.681.2673, ongegrond;
V. vernietigt het besluit van 30 juli 2026, V-290.681.2673.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2026
1028