Vreemdelingenrecht
Bij besluit van 5 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende…
Raad van State, 6 oktober 2026
ECLI:NL:RVS:2026:5855 · Raad van State · 6 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2026-5855
Zaakgegevens
Op 6 oktober 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Datum publicatie
- 2 oktober 2026
- Zaaknummer
- BRS.25.002625
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5855
Samenvatting
Bij besluit van 5 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken en een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Uitspraak
BRS.25.002625
ECLI:NL:RVS:2026:5855
Datum uitspraak: 6 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 27 november 2025 in zaak nr. NL24.43694 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 5 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken en een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij brief van 7 oktober 2024 heeft appellant het door hem gemaakte bezwaar tegen de intrekking van de aan hem verleende verblijfsvergunning, ingetrokken.
Bij besluit van 28 oktober 2024 heeft de minister het door appellant gemaakte bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijde te verlenen, ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. I. Özkara, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De tweede en derde grief, waarin appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft getoetst of hij frauduleus heeft gehandeld en de minister daarom de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij partner terecht met terugwerkende kracht heeft ingetrokken, omdat er sprake was van een schijnrelatie, leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026,Remling,ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2. Appellant betoogt in de eerste grief tevergeefs dat bij de vraag of hij legale arbeid heeft verricht in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Besluit nr. 1/80 beslissend is of hij feitelijk en reëel in Nederland aan de legale arbeidsmarkt heeft deelgenomen en niet uitsluitend of, achteraf bezien, het nationale verblijfsrecht onverkort in stand is gebleven. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 9 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3293, onder 6.7, uit de rechtspraak van het Hof afgeleid dat een intrekking met terugwerkende kracht van een verblijfsvergunning van een Turkse vreemdeling, bij wie achteraf wordt vastgesteld dat hij geen rechtmatig verblijf heeft gehad, omdat hij onjuiste gegevens heeft verstrekt of gegevens heeft achtergehouden, niet in strijd is met artikel 13 van het Besluit nr. 1/80. Omdat de intrekking met terugwerkende kracht van de verblijfsvergunning in rechte vaststaat, heeft de rechtbank dus terecht overwogen dat appellant achteraf bezien nooit tot de legale arbeidsmarkt in Nederland heeft behoord, daardoor geen rechten heeft opgebouwd op grond van artikel 6, eerste lid, van het Besluit nr. 1/80 en de minister daarom de aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid in loondienst op grond van dit artikellid te verlenen, terecht heeft afgewezen.
2.1. Uit de hiervoor genoemde uitspraak volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en Remling, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
2.2. De grief slaagt niet.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2026
363-1183