Vreemdelingenrecht
Bij besluit van 13 december 2025, aangevuld op 17 december 2025, heeft de minister van Asiel en Migratie een…
Raad van State, 14 oktober 2026
ECLI:NL:RVS:2026:6004 · Raad van State · 14 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2026-6004
Zaakgegevens
Op 14 oktober 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Datum publicatie
- 12 oktober 2026
- Zaaknummer
- BRS.26.001050
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6004
Samenvatting
Bij besluit van 13 december 2025, aangevuld op 17 december 2025, heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en hem opgedragen om de Europese Unie onmiddellijk te verlaten.
Uitspraak
BRS.26.001050
ECLI:NL:RVS:2026:6004
Datum uitspraak: 14 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 februari 2026 in zaak nr. NL25.61283 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 13 december 2025, aangevuld op 17 december 2025, heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en hem opgedragen om de Europese Unie onmiddellijk te verlaten.
Bij uitspraak van 25 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.L. Hoogendoorn, advocaat in Leiden, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De eerste grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept de grief geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2. De tweede grief leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht geoordeeld dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat het ongeloofwaardig is dat appellant problemen heeft met de Sri Lankaanse autoriteiten. In tegenstelling tot wat appellant betoogt, heeft de rechtbank de in beroep overgelegde originele politieoproepen wel bij haar oordeel betrokken en daar waarde aan toegekend.
2.1. Uit het voorgaande volgt dat de beantwoording van de door appellant opgeworpen vraag of de rechter bij de rechtmatigheidstoets van een asielbesluit, zo nodig ambtshalve de eerbiediging van het refoulementverbod moet onderzoeken, niet nodig is voor de oplossing van het geschil. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en Remling, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. De Afdeling ziet daarom ook geen reden om te wachten op het antwoord op de prejudiciële vraag die de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, daar al over heeft gesteld in de uitspraak van 7 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:136.
2.2. Wat appellant verder in zijn tweede grief aanvoert, roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).
2.3. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. De derde grief leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3.1. De grief gaat namelijk over een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord (uitspraak van 10 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4028, onder 8 tot en met 11.2, over de vraag of de minister een land op basis van een ‘removal order’ mag aanmerken als een land van doorreis in de zin van artikel 3, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn). De grief biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen.
3.2. Uit de hiervoor genoemde uitspraak volgt dat er redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de in de derde grief opgeworpen vraag. Gelet op de arresten Cilfit, punt 16, Consorzio Italian Management, punten 39 en 40, en Remling, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Mercelina
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026
938-1034