Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 3 juni 2022, aangevuld bij besluit van 16 januari 2024, heeft de staatssecretaris van…

Raad van State, 16 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 16 oktober 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16 oktober 2026
Datum publicatie
15 oktober 2026
Zaaknummer
202402661/1/V2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:6118
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 3 juni 2022, aangevuld bij besluit van 16 januari 2024, heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Uitspraak

202402661/1/V2.

Datum uitspraak: 16 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

1. de minister van Asiel en Migratie,

2. [betrokkene],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 22 april 2024 in zaken nrs. NL22.6476 en NL24.2356 in het geding tussen:

[betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2022, aangevuld bij besluit van 16 januari 2024, heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 22 april 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. E. Derksen, advocaat in Velp, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

Het hoger beroep van de minister

1. Het hoger beroep van de minister leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

1.1. De rechtbank heeft namelijk een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek geconstateerd. De minister komt daartegen in hoger beroep op terwijl dat gebrek zich (los van de vraag wat de uitkomst van de nieuwe besluitvorming moet zijn) eenvoudig laat herstellen.

Het incidenteel hoger beroep van betrokkene

2. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene is ongegrond. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

Conclusie hoger beroepen

3. Het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep zijn ongegrond. Het hogerberoepschrift en het incidenteel hogerberoepschrift roepen verder geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de door betrokkene gemaakte proceskosten in het door de minister ingestelde hoger beroep vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep ongegrond;

II. verklaart het incidenteel hoger beroep ongegrond;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak;

IV. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van der Meer-Maarsen, griffier.

w.g. Ristra-Peeterslid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van der Meer-Maarsen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2026

897-1088