Vreemdelingenrecht
Bij besluit van 7 augustus 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een…
Raad van State, 29 september 2014
ECLI:NL:RVS:2014:3664 · Raad van State · 29 september 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/voorlopige-voorziening-bodemzaak/ecli-nl-rvs-2014-3664
Zaakgegevens
Op 29 september 2014 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening en de bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 29 september 2014
- Datum publicatie
- 8 oktober 2014
- Zaaknummer
- 201407445/2/V2
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening+bodemzaakVoorlopige voorziening en bodemzaak (kortsluiting)De voorzieningenrechter beslist niet alleen over een tijdelijke maatregel, maar meteen ook definitief over de zaak zelf.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2014:3664
Samenvatting
Bij besluit van 7 augustus 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Procesgang
Raad van State · 29 september 2014deze uitspraak
ECLI:NL:RVS:2014:3664
Uitspraak · 2014
ECLI:NL:RBGEL:2014:5636Overig
Uitspraak
201407445/2/V2.
Datum uitspraak: 29 september 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 29 augustus 2014 in zaken nrs. 14/18452 en 14/18453 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 7 augustus 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 29 augustus 2014 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.
Vervolgens heeft de vreemdeling bezwaar gemaakt tegen zijn feitelijke uitzetting. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is bij brief van 19 september 2014 aan de voorzitter van de Afdeling doorgezonden.
Overwegingen
1. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is bij de voorzieningenrechter ingediend hangende het hoger beroep in de procedure over het besluit van 7 augustus 2014. Onder deze omstandigheden is de voorzitter van de Afdeling, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2013 in zaak nr. 201103977/1/V1, bij uitsluiting bevoegd dit verzoek in behandeling te nemen.
Het door de vreemdeling gemaakte bezwaar tegen de feitelijke uitzetting - waarvan was aangekondigd dat deze op 22 september 2014 zou plaatsvinden - zal worden aangemerkt als aanvulling op het verzoek om voorlopige voorziening. Nadien heeft de staatssecretaris te kennen gegeven dat deze uitzetting geen doorgang zal vinden.
2. Het verzoek is erop gericht te voorkomen dat de vreemdeling wordt uitgezet gedurende de behandeling van het ingestelde hoger beroep.
3. Dat het besluit van 7 augustus 2014 voor uitvoering vatbaar is, levert geen spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb op. Bij dit oordeel is betrokken dat op dit moment niet duidelijk is dat en, zo ja, op welke termijn uitzetting zal plaatsvinden. Indien de uitzetting van de vreemdeling daadwerkelijk wordt geëffectueerd, gaat de voorzitter ervan uit dat - de gemachtigde van - de vreemdeling hierover tijdig zal worden geïnformeerd.
4. Het verzoek dient als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.
w.g. Lubberdink w.g. Yildiz
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2014
594.