Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 21 augustus 2024, aangevuld bij besluit van 28 augustus 2024, heeft de staatssecretaris van…

Raad van State, 14 november 2024

Zaakgegevens

Op 14 november 2024 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening en de bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14 november 2024
Datum publicatie
15 november 2024
Zaaknummer
202406182/1/V2 en 202406182/2/V2
Procedure
Voorlopige voorziening+bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RVS:2024:4662
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 21 augustus 2024, aangevuld bij besluit van 28 augustus 2024, heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Uitspraak

202406182/1/V2 en 202406182/2/V2.

Datum uitspraak: 14 november 2024

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's­Hertogenbosch, van 2 oktober 2024 in zaak nr. NL24.32937 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2024, aangevuld bij besluit van 28 augustus 2024, heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 2 oktober 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. P.M. Langereis, advocaat in Zoetermeer, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De minister heeft een nader stuk ingediend, waarop de gemachtigde van de vreemdeling heeft gereageerd.

Overwegingen

1.       De minister heeft de Afdeling bij brief van 29 oktober 2024 laten weten dat de vreemdeling zelfstandig uit Nederland is vertrokken. De gemachtigde van de vreemdeling heeft desgevraagd op 6 november 2024 laten weten dat zij ook heeft vernomen dat de vreemdeling is vertrokken. Zij heeft daarbij niet laten weten dat zij nog contact heeft met de vreemdeling en dat hij nog prijs stelt op bescherming in Nederland. Daaruit leidt de Afdeling af dat de vreemdeling niet langer daadwerkelijk bescherming in Nederland zoekt. Daarom heeft de vreemdeling geen belang bij een beoordeling van het hoger beroep.

2.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

II.       wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Huizer, griffier.

w.g. Sevenster

voorzieningenrechter

w.g. Huizer

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 november 2024

987