Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 30 mei 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om haar een…

Raad van State, 17 november 2025

Zaakgegevens

Op 17 november 2025 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17 november 2025
Datum publicatie
17 november 2025
Zaaknummer
202504977/3/V3.
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:5541
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 30 mei 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard, haar opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen haar uitgevaardigd.

Uitspraak

202504977/3/V3.

Datum uitspraak: 17 november 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:

[verzoeker],

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 1 september 2025 in zaak nr. NL25.24809 in het geding tussen:

verzoeker

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard, haar opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen haar uitgevaardigd.

Bij uitspraak van 1 september 2025 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De minister heeft een nader stuk ingediend.

Overwegingen

1.       Verzoeker is bij maatregel van 15 oktober 2025 op grond van artikel 56 van de Vw 2000 in een vrijheidsbeperkende locatie (hierna: VBL) geplaatst. Zij heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling verzocht om bij wijziging van de getroffen voorlopige voorziening van 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5008, te bepalen dat zij in de reguliere opvang moet verblijven.

1.1.    Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet dit verzoek worden opgevat als een verzoek tot opheffing van de VBL-maatregel. Daarmee wordt de voorzieningenrechter verzocht buiten de grenzen van deze procedure te treden. In deze procedure staat immers niet de rechtmatigheid van de VBL-maatregel centraal. Bovendien staat tegen een met een besluit gelijk te stellen maatregel op grond van artikel 56 van de Vw 2000 alleen beroep bij de rechtbank open. De voorzieningenrechter is daarom onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen.

2.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart zich onbevoegd.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van S. van Dijk LLM, griffier.

w.g. Sevenster

voorzieningenrechter

w.g. Van Dijkgriffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2025

967