Vreemdelingenrecht
Bij besluit van 16 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een…
Raad van State, 19 oktober 2026
ECLI:NL:RVS:2026:6141 · Raad van State · 19 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rvs-2026-6141
Zaakgegevens
Op 19 oktober 2026 heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 19 oktober 2026
- Datum publicatie
- 16 oktober 2026
- Zaaknummer
- BRS.26.004993
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6141
Samenvatting
Bij besluit van 16 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Uitspraak
BRS.26.004993 en BRS.26.004994
ECLI:NL:RVS:2026:6141
Datum uitspraak: 19 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 7 september 2026 in zaak nr. NL26.41635 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 16 juli 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 7 september 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. B.A. Palm, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De minister heeft nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Het betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister in een terugnameprocedure als deze mag afzien van een persoonlijk onderhoud op grond van artikel 22, tweede lid, onder c, van de Asiel- en Migratiebeheerverordening, faalt. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat appellant niet concreet gemaakt heeft welke informatie hij in relatie tot zijn gestelde vrees voor een situatie als bedoeld in artikel 4 van het EU Handvest naar voren had willen brengen. Appellant heeft ook in hoger beroep niet concreet betoogd om welke redenen de minister voor Kroatië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mag gaan. Appellant is bovendien in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op de mogelijke verantwoordelijkheid van Kroatië voor de behandeling van zijn asielverzoek, maar heeft daar geen gebruik van gemaakt.
1.1. Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant opgeworpen vraag over een persoonlijk onderhoud in een terugnameprocedure, niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J. Luijendijk, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Luijendijk
voorzieningenrechter
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2026
347-1111