Bestuursprocesrecht

Rechtbank Amsterdam · Eerste aanleg - enkelvoudig · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Amsterdam, 20 juli 2022

Zaakgegevens

Op 20 juli 2022 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
20 juli 2022
Datum publicatie
19 juli 2022
Zaaknummer
22/1303
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2022:4134
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

BNT Wob/woo

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 22/1303

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

en

het ministerie van Algemene Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. J.R. Groen),

Procesverloop

Eiser heeft met de brief van 4 maart 2022, door de rechtbank ontvangen op 7 maart 2022, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere standpunten ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.

3. Artikel 10.1 van de Wet open overheid (hierna: Woo) bepaalt dat de Wob wordt ingetrokken. Er is niet voorzien in overgangsrecht. Dat betekent dat de Woo onmiddellijke werking heeft en dat met ingang van 1 mei 2022 besluiten op vóór de inwerkingtreding van de Woo ingediende Wob-verzoeken met inachtneming van de bepalingen van de Woo moeten worden genomen.

4. Eiser heeft met een brief van 6 december 2021 een Wob-verzoek ingediend. Hierin verzoekt hij om openbaarmaking van informatie met betrekking tot het World Economic Forum. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn is overschreden. Tussen partijen is evenmin in geschil dat eiser verweerder in gebreke heeft gesteld en meer dan twee weken daarna beroep heeft ingediend.

5. Het beroep is dus gegrond.

6. Als het beroep gegrond is en er nog geen besluit is bekendgemaakt, draagt de rechtbank het bestuursorgaan op om binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen. Verweerder heeft de rechtbank op 13 mei 2022 bericht over de stand van zaken. Daarin heeft verweerder toegelicht dat na een zoekslag is gebleken dat het verzoek op een veelheid aan documenten ziet. Verweerder zal daarom met eiser in gesprek gaan over de omvang van het verzoek. Verweerder heeft de verwachting uitgesproken dat het besluit uiterlijk vier tot zes weken na het gesprek kan worden genomen. In reactie hierop heeft eiser toegelicht dat het gesprek op 16 juni 2022 zou plaatsvinden, dat hij hiervoor naar Den Haag is afgereisd en dat het gesprek 50 minuten voor aanvang telefonisch is geannuleerd. De rechtbank betrekt deze omstandigheden bij het oordeel dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank betrekt daarbij verder de omstandigheid dat de beslistermijn ruim zeven maanden is overschreden en dat verweerder toezeggingen om binnen een bepaalde termijn te zullen beslissen niet heeft nageleefd. Dat betekent dat de rechtbank nu geen bijzondere omstandigheden aanneemt en zal beslissen dat verweerder uiterlijk 14 dagen na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend moet maken.

7. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat verweerder een dwangsom van € 100,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.

8. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • draagt verweerder op binnen 14 dagen na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;

  • bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;

  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Greebe, rechter, in aanwezigheid van

mr. N. van der Kroft, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.