Bestuursprocesrecht

Vovo hangende bezwaar buiten zitting. Woningsluiting voor vier weken. Eigenaar tevens verhuurder wil toegang…

Rechtbank Amsterdam, 18 juni 2026

Zaakgegevens

Op 18 juni 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
18 juni 2026
Datum publicatie
18 juni 2026
Zaaknummer
AMS 26/3432
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:6157
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vovo hangende bezwaar buiten zitting. Woningsluiting voor vier weken. Eigenaar tevens verhuurder wil toegang tot de woning vanwege herstelwerkzaamheden. Geen spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 26/3432


uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 juni 2026 in de zaak tussen


[verzoekers], uit [woonplaats], verzoekers


en

de burgemeester van Amstelveen, verweerder (hierna: de burgemeester).

Inleiding

1.1.

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening. Het oordeel van de voorzieningenrechter bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.2.

Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Naar aanleiding van geweldsincidenten op [datum 1] en [datum 2] 2026 heeft de burgemeester op 10 juni 2026 met toepassing van spoedeisende bestuursdwang de woning aan de [adres] gesloten op grond van artikel 174a, eerste lid onder b van de Gemeentewet tot 8 juli 2026.

3. Verzoekers hebben hiertegen op 14 juni 2026 bezwaar gemaakt en op diezelfde dag de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

4. Verzoekers zijn eigenaars en verhuurders van de woning. Zij hebben voorafgaand aan de sluiting de huur met de huurder tegen wie het geweld zich richtte beëindigd. Volgens verzoekers is daarmee de situatie die aanleiding gaf voor de sluiting niet meer aan de orde. Verzoekers willen zo spoedig mogelijk de woning ontruimen en kunnen laten renoveren. Daarvoor is ook al een aannemer ingeschakeld. Ondertussen lopen alle financiële lasten door en kunnen verzoekers geen gebruik maken van hun eigendom.

5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.

6. Verzoekers hebben desgevraagd hun spoedeisend belang op 15 juni 2026 nader toegelicht. Zolang de woning gesloten blijft kunnen er geen herstelwerkzaamheden plaatsvinden en kan de woning niet worden gerenoveerd en kan deze niet gereed worden gemaakt voor bewoning door een nieuwe huurder. Vanwege de aanstaande bouwvak zal mogelijk nog meer vertraging hierin ontstaan. Er is sprake van verloren tijd die niet later kan worden ingehaald. Daarnaast staat uitstel van het herstel van de woning de normalisering van het woon- en leefklimaat in de weg.

7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat wat verzoekers – ook met hun nadere toelichting – naar voren hebben gebracht geen blijk geeft van een voldoende spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Hetgeen verzoekers hebben aangevoerd ziet (met name) op een financieel belang. Verzoekers hebben niet onderbouwd dat sprake is van een onomkeerbare situatie en acute financiële nood omdat zij de woning vermoedelijk pas later weer kunnen gaan verhuren. Bovendien is de woning – vooralsnog – gesloten tot 8 juli 2026. Ook vanwege deze betrekkelijk korte periode ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een spoedeisend belang aan te nemen.

Conclusie en gevolgen

8. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026.

De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.