Bestuursprocesrecht
Urgentieverklaring. Beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank laat de rechtsgevolgen…
Rechtbank Amsterdam, 6 juli 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:6807 · Rechtbank Amsterdam · 6 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbams-2026-6807
Zaakgegevens
Op 6 juli 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 6 juli 2026
- Datum publicatie
- 3 juli 2026
- Zaaknummer
- AMS 26/391
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:6807
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Urgentieverklaring. Beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Alegemene weigeringsgrond onvoldoende gemotiveerd en mocht daarom niet worden tegengeworpen aan eiser. Eiser voldoet echter niet aan de voorwaarden voor de sociale urgentiecategorie ernstige bedreiging of geweld. Ook hoefde verweerder de hardheidsclausule niet toe te passen.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 26/391
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigden: mr. M.M. Janssens en mr. F. Schilders),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigden: [gemachtigde] en mr. J.H.G. van den Boorn).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een urgentieverklaring. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit echter wel in stand. Dit betekent dat eiser geen urgentieverklaring krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 20 maart 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van
9 januari 2026 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigden van eiser en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Probleem kan onvoldoende worden opgelost met verhuizing
Op grond van artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder f, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (Hvv) wordt een urgentieverklaring geweigerd indien het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem niet of onvoldoende kan worden opgelost met verhuizing naar een zelfstandige woonruimte. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze algemene weigeringsgrond van toepassing is. Volgens verweerder blijkt dat eiser zich onveilig voelt vanwege (gestelde) bedreigingen en geweld, en dat deze gevoelens samenhangen met zijn woonadres. Het waarborgen van de veiligheid van eiser betreft echter in de eerste plaats een aangelegenheid van politie en justitie. Uit de overgelegde processen-verbaal en overige stukken blijkt volgens verweerder niet dat door of namens de politie is vastgesteld dat eiser zijn woning acuut moet
verlaten wegens een objectief vastgestelde levensbedreigende situatie. De aangiften zijn nog in onderzoek en hebben tot op heden niet geleid tot concrete veiligheidsmaatregelen waaruit volgt dat een verhuizing de aangewezen of noodzakelijke oplossing is.
Eiser voert aan dat voor zover verweerder heeft bedoeld dat er sprake is van een voorliggende voorziening nu het gaat om een aangelegenheid van de politie, er allereerst sprake is van een motiveringsgebrek. Verweerder heeft dit namelijk niet als zodanig toegelicht. Daarbij komt dat als de hulp van de politie in dit geval als voorliggende voorziening zou kunnen worden aangemerkt, deze voorliggende voorziening niet toereikend is. Verder voert eiser aan dat hij bewijsstukken heeft overgelegd waaruit zijn levensbedreigende situatie blijkt, waaronder een (politie)rapport, e-mails met dreigementen en verklaringen. Het is duidelijk dat het woonprobleem is gekoppeld aan zijn huidige adres en de bekendheid daarvan. Een verhuizing zou dus wel degelijk een oplossing zijn voor het probleem. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom dit niet zo zou zijn. Dat er nog een onderzoek loopt bij de politie betekent namelijk niet dat verhuizing niet zou bijdragen aan het oplossen van het woonprobleem. Ook zijn er wel degelijk veiligheidsmaatregelen genomen door de politie. Zo wordt eiser als hij de politie belt direct
doorverbonden en wordt hij dus herkend als een prioriteitsmelding. Ook zal hij een geheim adres krijgen als hij verhuist, zo heeft de politie toegezegd. De veiligheidsmaatregelen die tot nu toe wel door de politie zijn genomen hebben de dreiging nog niet (voldoende) weggenomen. Het feit dat eiser na verhuizing een geheim adres krijgt, duidt er bovendien juist op dat een verhuizing een oplossing kan bieden.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het huisvestingsprobleem niet of onvoldoende kan worden opgelost met verhuizing naar een andere woning. Verweerder heeft aan dit standpunt ten grondslag gelegd dat niet uit stukken van de politie blijkt dat eiser zijn woning acuut heeft moeten verlaten en dat een verhuizing de aangewezen oplossing is. Dit zijn echter de voorwaarden waaraan wordt getoetst in het kader van de sociale urgentiecategorie en geen argumenten voor het tegenwerpen van de algemene weigeringsgrond. De beroepsgrond slaagt.
Aanvullende voorwaarden sociale urgentiecategorie: ernstige bedreiging of geweld
Nu verweerder naar het oordeel van de rechtbank de algemene weigeringsgrond niet voldoende heeft gemotiveerd en deze daarom niet kon worden tegengeworpen aan eiser, had verweerder moeten beoordelen of een urgentieverklaring om sociale redenen kon worden verleend. Dit heeft verweerder voor de volledigheid ook gedaan. Verweerder heeft in het bestreden besluit namelijk overwogen dat eiser niet behoort tot een urgentiecategorie van artikel 2.10.8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hvv. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat zelfs als de algemene weigeringsgrond van artikel 2.10.5 eerste lid, onder f, van de Hvv niet van toepassing is, eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 13 van de Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (de Nadere regels). Deze voorwaarden zijn onder andere dat de aanvrager zijn of haar woning acuut heeft moeten verlaten als gevolg van een levensbedreigende situatie door stelselmatig geweld of bedreiging. Deze situatie moet blijken uit een proces-verbaal van de politie.
De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat eiser niet voldoet aan deze voorwaarden. In samenhang gelezen, houden de voorwaarden in dat eiser niet meer terug kan naar zijn woning als gevolg van een levensbedreigende situatie door stelselmatig geweld of bedreiging en dat eiser dit kan onderbouwen met een verklaring van de politie met daarin een beoordeling of inschatting over zijn situatie. Dit is allebei niet het geval. Eiser verblijft namelijk nog gedeeltelijk in zijn woning en een verklaring van de politie waaruit volgt dat eiser zijn woning om veiligheidsredenen heeft moeten verlaten ontbreekt. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet valt onder de sociale urgentiecategorie ‘geweld of ernstige bedreiging’
Hardheidsclausule
Eiser beroept zich op de hardheidsclausule. De schrijnende situatie bestaat uit het feit dat eiser in en rond zijn woning dagelijks geconfronteerd wordt met homofobe intimidatie. Hij ontvangt doodsbedreigingen, zowel per e-mail als rond zijn woning en heeft meermaals te maken gekregen met (zware) mishandelingen. Hij is onder andere een keer met glas aangevallen, waar hij blijvende littekens van heeft overgehouden. Door dit alles durft hij nauwelijks meer in de woning te komen en vreest hij voor zijn leven. De behandelend arts en psycholoog verklaren dat eiser naar aanleiding van deze gebeurtenissen kampt met een gevoel van onveiligheid, angstklachten, problemen met slapen en concentreren en depressieve klachten die voortkomen uit PTSS. Deze angst is volgens eiser bovendien reëel gelet op de concrete bedreigingen waaraan hij is blootgesteld. Dit maakt dat er niet slechts sprake is van een onveilige en schrijnende woonsituatie, maar ook van een acuut levensbedreigend probleem dat uitsluitend door middel van een urgentieverklaring kan worden doorbroken. De woning en omgeving blijven eiser namelijk confronteren met de bedreigingen en staan in de weg aan herstel. De medische bevindingen zouden dan ook in ieder geval in het kader van de hardheidsclausule moeten worden meegewogen. Dit heeft verweerder volgens eiser ten onrechte niet gedaan.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 2.10.11 van de Hvv kan een woningzoekende, indien toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, alsnog in aanmerking komen voor een urgentieverklaring wanneer de weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie en er sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn. Op grond van artikel 25 van de Nadere regels dient de aanvrager die een beroep doet op de hardheidsclausule vanwege ernstige medische problematiek met bewijsstukken aan te tonen dat er sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. Hiervoor is een verklaring van een medisch specialist noodzakelijk, een verklaring van de huisarts is niet voldoende.
De rechtbank overweegt verder dat de Hvv een specifiek beoordelingskader bevat waarin duidelijke voorwaarden zijn gesteld voor situaties zoals die van eiser, waarin sprake is van (gestelde) bedreiging of geweld met daaruit voortvloeiende gevolgen. De rechtbank begrijpt dat deze omstandigheden voor eiser zeer ingrijpend en belastend zijn maar dit neemt niet weg dat er geen sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene omstandigheden. De omstandigheden van eiser zijn namelijk al beoordeeld in het kader van de sociale urgentiecategorie. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een acuut levensbedreigende situatie. De medische stukken die hij heeft overgelegd, geven geen aanleiding voor dit oordeel. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen sprake is van een zodanig schrijnende situatie dat dit de toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat de rechtbank met verweerder van oordeel is dat eiser niet onder de sociale urgentiecategorie ‘geweld of ernstige bedreiging’ valt en verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan de hardheidsclausule, laat de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat eiser geen urgentieverklaring krijgt.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 200,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.