Bestuursprocesrecht

Aanvraag maatschappelijke opvang. Artikel 4.5., vierde lid, onder a, onder III van de Verordening…

Rechtbank Amsterdam, 10 juli 2026

Zaakgegevens

Op 10 juli 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
10 juli 2026
Datum publicatie
9 juli 2026
Zaaknummer
AMS 25/7401
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:6997
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Aanvraag maatschappelijke opvang. Artikel 4.5., vierde lid, onder a, onder III van de Verordening Maatschappelijke Opvang. Het college kan eiseres niet tegenwerpen dat zij zelfredzaam is omdat zij wekelijks contact onderhoudt met het passantenpension. Beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 25/7401

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J. El Haddouchi),

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college

(gemachtigde: mr. J.C. Smit).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag om maatschappelijke opvang. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang, omdat zij in scheiding ligt en geestelijk wordt mishandeld door haar man. Op 20 mei 2025 vond een screening plaats bij de GGD, uit deze screening volgt dat eiseres voldoende zelfredzaam is.

2.1.

Het college heeft de aanvraag met het besluit van 20 mei 2025 afgewezen. Eiseres voldoet niet aan de voorwaarde voor toegang tot de maatschappelijke opvang dat zij beperkt zelfredzaam moet zijn op meerdere door het college aan te wijzen leefgebieden. Met het bestreden besluit van 11 november 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

2.2.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

De rechtbank heeft per e-mail van 18 juni 2026 aan de gemachtigde van eiseres verzocht om voor aanvang van de zitting (uiterlijk 19 juni 2026 om 10.30 uur) de huidige woonsituatie van eiseres kenbaar te maken.

2.4.

De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van het college zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

2.5.

Na het sluiten van het onderzoek heeft de gemachtigde van eiseres op 29 juni 2026 nog een e-mail gestuurd. Stukken die na sluiting van het onderzoek ongevraagd zijn ingediend, blijven buiten beschouwing. De rechtbank ziet in de na de zitting ontvangen reactie ook geen aanleiding om het onderzoek te heropenen en zal dit daarom buiten beschouwing laten.

Beoordeling door de rechtbank

Bestreden besluit

3. Het college heeft de aanvraag met zijn heroverweging in bezwaar afgewezen, omdat eiseres niet voldoet aan alle voorwaarden zoals genoemd in artikel 4.5, vierde lid, aanhef en onder a, van de Verordening. Meer specifiek de voorwaarde dat iemand geen mogelijkheden heeft om een veilige woonsituatie te creëren. Tijdens de hoorzitting is gebleken dat eiseres het advies van de GGD heeft opgevolgd en dat zij wekelijks contact onderhoudt met het passantenpension. Uit de omstandigheid dat eiseres erin geslaagd is zelfstandig op wekelijkse basis in contact te blijven met het passantenpension blijkt dat eiseres in staat is zelf te zorgen voor een stabiele woonplek, ondanks de lastige situatie waarin eiseres beland is.

Standpunt eiseres

4. Eiseres vindt dat het college niet duidelijk maakt aan welk (sub)criterium van artikel 4.5, vierde lid, van de Verordening eiseres niet zou voldoen. Eiseres is slachtoffer van huiselijk geweld, heeft dit met medische stukken onderbouwd en dat was de reden de woning te verlaten. Daarnaast rechtvaardigt alleen het bellen met het passantenpension niet de conclusie dat eiseres de mogelijkheden heeft om zelf, al dan niet met het eigen sociaal netwerk of interventie van derden, een veilige woonsituatie te creëren. Eiseres heeft een half jaar na de aanvraag nog altijd geen opvang. Dit klemt temeer nu zij een stabiele woonsituatie nodig heeft om de behandelsessies bij de psychiater op te pakken.

Beoordeling door de rechtbank

5. Niet in geschil is dat eiseres vanwege huiselijk geweld haar woning heeft verlaten en gelet daarop een aanvraag heeft gedaan voor maatschappelijke opvang.

6. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 4.5, vierde lid, aanhef en onder a, van de Verordening iemand in aanmerking kan komen voor opvang inclusief bescherming en bijbehorende ondersteuning als deze

i. slachtoffer is van geweld in huiselijke kring, en vanwege aspecten van veiligheid de woonsituatie moet verlaten;

ii. 18 jaar of ouder is, al dan niet met kinderen; en

iii. geen mogelijkheden heeft om zelf, al dan niet met gebruikmaking van het eigen sociale netwerk of door interventie van derden een veilige woonsituatie te creëren.

6.1.

Uit de motivering van het bestreden besluit volgt duidelijk dat de aanvraag is afgewezen op grond van artikel 4.5, vierde lid, onder a, onder iii van de Verordening. De vraag is dan ook of eiseres mogelijkheden heeft om zelf, al dan niet met gebruikmaking van het eigen sociale netwerk of door interventie van derden een veilige woonsituatie te creëren.

6.2.

De rechtbank is, met eiseres, van oordeel dat het enkele feit dat zij wekelijks belt met het passantenpension – dat aan haar als tip was gegeven - niet maakt dat zij gelet daarop in staat is zelf te zorgen voor een stabiele woonplek. Bovendien is een plek op de wachtlijst van het passantenpension niet het enige relevante feit of omstandigheid waarmee het college rekening dient te houden. In bezwaar is door eiseres ook aangevoerd dat zij zelf niet bij machte is een woonplek te regelen, omdat zij psychische klachten heeft, de taal niet machtig is en geen netwerk heeft. Het college heeft deze omstandigheden niet kenbaar meegewogen in haar beoordeling. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel is genomen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien omdat de rechtbank daarvoor niet over alle benodigde informatie beschikt. Ook draagt de rechtbank niet aan het college op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.

7.1.

Het college zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

7.2.

Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. De rechtbank veroordeelt het college daarnaast in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op

€ 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van

€ 934,-, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het bestreden besluit;

  • draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;

  • veroordeelt het college tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E. van Bruggen, rechter, in aanwezigheid van

mr. W.L. van der Pijl, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Op grond van artikel 2.16, derde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken. Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015 (Verordening).