Bestuursprocesrecht
Verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk. Geen besluit toegestuurd, geen gronden…
Rechtbank Amsterdam, 17 juli 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:7254 · Rechtbank Amsterdam · 17 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbams-2026-7254
Zaakgegevens
Op 17 juli 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 17 juli 2026
- Datum publicatie
- 16 juli 2026
- Zaaknummer
- AMS 26/3510
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:7254
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk. Geen besluit toegestuurd, geen gronden, onderbouwing spoedeisend belang, voorziening, kopie bezwaar- of beroepschrift. Verzuim niet hersteld.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/3510
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
en
VERWEERDER ONBEKEND.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft overleggen. Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
3. Verzoeker heeft bij het verzoekschrift niet het besluit waarop het verzoek betrekking heeft meegestuurd. De rechtbank heeft verzoeker bij brief van 17 juni 2026 verzocht om binnen een week dit verzuim te herstellen. Verzoeker heeft niet (tijdig) gereageerd op de brief van 17 juni 2026. Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim. Het verzoek is reeds daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
4. De rechtbank heeft verzoeker in de brief van 17 juni 2026 bovendien ook verzocht de gronden van het verzoek mee te delen, het spoedeisende belang te onderbouwen, te vermelden welke voorziening hij wil dat getroffen wordt, een kopie van het bezwaar- of beroepschrift toe te sturen en een machtiging toe te sturen. Ook daaraan heeft verzoeker niet voldaan.
Conclusie en gevolgen
5. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Adriaanse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: