Omgevingsrecht
Beroep over de aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor het gebruik van de buitenruimte van de…
Rechtbank Amsterdam, 14 juli 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:7081 · Rechtbank Amsterdam · 14 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/bestuursrecht/omgevingsrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbams-2026-7081
Zaakgegevens
Op 14 juli 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 14 juli 2026
- Datum publicatie
- 13 juli 2026
- Zaaknummer
- AMS 25/4424
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Omgevingsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:7081
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroep over de aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor het gebruik van de buitenruimte van de voormalige kerk aan de [adres] als terras. Het beroep van eiseres is niet-ontvankelijk omdat zij niet eerst bezwaar heeft gemaakt. Dat zij een handtekeningenlijst heeft ondertekend bij het bezwaarschrift van een andere bezwaarmaker wordt niet aangemerkt als eigen bezwaar van eiseres.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/4424
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. M.B. de Jong),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, het college
(gemachtigde: mr. A. Duisterwinkel).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Room 10 B.V. uit [vestigingsplaats] (vergunninghouder).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor het gebruik van de buitenruimte van de [gebouw] aan de [adres] als terras. Eiseres is het niet eens met de verlening van de vergunning en heeft daarom beroep ingesteld.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk is, omdat eiseres niet zelf eerst bezwaar gemaakt heeft. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres dus niet inhoudelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Vergunninghouder heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 3 mei 2024 toegewezen. Met het bestreden besluit van 16 juni 2025 is het college bij de toewijzing van de vergunning gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde, de gemachtigde van verweerder, [de persoon 1] en [de persoon 2] namens de vergunninghouder.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Vergunninghouder is eigenaar van het [gebouw] aan de [adres]. Zij heeft sinds 2020 een omgevingsvergunning voor gebruik van [gebouw] voor horeca, die op dit moment niet gebruikt wordt. Vergunninghouder heeft op 7 juli 2023 een aanvraag gedaan voor het gebruik van een deel van de buitenruimte van het [gebouw] als terras.
4. Met een besluit van 3 mei 2024 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend en daaraan voorschriften verbonden. Met een besluit van 16 juni 2025 heeft het college de (separate) bezwaren van vergunninghouder en van twee omwonenden, [de persoon 3] en [de persoon 4], ongegrond verklaard. [de persoon 3] heeft net als eiseres beroep ingesteld, maar dit vervolgens ingetrokken.
Beoordeling door de rechtbank
5. Artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt, voor zover relevant, dat een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt, geen beroep bij de bestuursrechter kan instellen.
6. Eiseres stelt dat zij ontvankelijk is in haar beroep. [de persoon 3] heeft op 13 juni 2024 bezwaar gemaakt. Bij het bezwaarschrift is een handtekeningenlijst gevoegd van buurtbewoners, die door eiseres ook is ondertekend. In reactie op de uitnodiging voor de hoorzitting heeft [de persoon 3] op 6 oktober 2024 een e-mail gestuurd, waarin volgens eiseres wordt bevestigd dat de medeondertekenaars medebezwaarmakers zijn en niet slechts sympathisanten. Eiseres stelt dat gelet hierop ook door haar bezwaar is gemaakt. Als het college een machtiging aan [de persoon 3] nodig had gevonden, had het college daar in een herstelverzuim brief om moeten vragen.
7. Het college stelt dat het beroep van eiseres niet ontvankelijk moet worden verklaard, omdat zij geen bezwaar heeft ingediend. Het college heeft de handtekeningenlijst niet opgevat als bezwaar, maar als steunbetuiging aan het bezwaar van [de persoon 3]. Daarom was het opvragen van een machtiging met een herstelverzuim brief volgens het college niet nodig.
8. De rechtbank volgt het standpunt van het college dat het bezwaar van [de persoon 3] uitsluitend namens hemzelf is ingediend. Het is geschreven in de eerste persoon. Het feit dat eiseres de handtekeningenlijst heeft getekend niet maakt dat eiseres ook bezwaar heeft gemaakt. Onderaan het bezwaarschrift staat weliswaar ‘namens de bewoners van de buurt [buurt]’, maar dat is onvoldoende om de andere bewoners als mede bezwaarmakers aan te merken. Bovenaan de handtekeningenlijst staat immers dat de bewoners door het ondertekenen ‘verklaren het eens te zijn met het ingediende bezwaar’. Dat impliceert dat alleen sprake is van een steunbetuiging. Het college heeft daarom terecht geen aanleiding gezien om een machtiging op te vragen. Het college heeft op de zitting aangegeven dat een en ander zo nodig tijdens de hoorzitting verduidelijkt had kunnen worden, maar daar is door niemand gebruik van gemaakt. Ook uit de e-mail van [de persoon 3] van 6 oktober 2024 volgt niet dat bezwaar is ingesteld namens de omwonenden. Integendeel, in de mail is vermeld dat de mail betrekking heeft op ‘het bezwaar dat is ingediend door mij en door bewoners mede is ondertekend’. Daarnaast is het feit dat [de persoon 3] en eiseres afzonderlijk beroep hebben ingesteld en dat [de persoon 3] dit beroep vervolgens heeft ingetrokken ook een aanwijzing dat eiseres een eigen procedure heeft gevolgd en niet heeft bedoeld zich te voegen in de procedure van [de persoon 3]. Aan eiseres kan dan ook redelijkerwijs verweten worden dat zij geen bezwaar heeft gemaakt voordat zij beroep instelde. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
9. De gemachtigde van eiseres heeft op de zitting verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 april 2019. Dit kan eiseres niet baten, omdat deze uitspraak betrekking heeft op een andere situatie, namelijk de vraag of een e-mail als bezwaar kan worden opgevat en niet op de vraag of een handtekeningenlijst voldoende is om als mede bezwaarmaker te worden aangemerkt.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. de Vos, rechter, in aanwezigheid van
mr.E.H. Kalse-Spoon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.