Socialezekerheidsrecht
Intrekking beroep niet-tijdig na sluiten vaststellingsovereenkomst. Verweerder heeft geschreven dat de…
Rechtbank Amsterdam, 12 maart 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:2426 · Rechtbank Amsterdam · 12 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbams-2026-2426
Zaakgegevens
Op 12 maart 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 12 maart 2026
- Datum publicatie
- 10 maart 2026
- Zaaknummer
- AMS 24/6327
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:2426
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Intrekking beroep niet-tijdig na sluiten vaststellingsovereenkomst. Verweerder heeft geschreven dat de rechtbank een proceskostenveroordeling kan uitspreken.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/6327
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. F. Boukich),
en
de Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verzoekster had bezwaar gemaakt tegen de beschikking van 21 juli 2022, waarin het definitieve compensatiebedrag van de kinderopvangtoeslag over 2008 en 2009 was vastgesteld naar aanleiding van het verzoek van verzoekster om een herbeoordeling. Toen niet tijdig op haar bezwaar werd beslist, heeft verzoekster een beroep niet tijdig beslissen ingediend. Verzoekster heeft het beroep uiteindelijk ingetrokken, omdat zij een vaststellingsovereenkomst met verweerder heeft gesloten.
2. De rechtbank heeft partijen gevraagd om een standpunt ten aanzien van de vraag of met de vaststellingsovereenkomst sprake is van tegemoetkomen en of er al iets is afgesproken over de proceskosten. Verzoekster heeft toegelicht dat in de vaststellingsovereenkomst niets is opgenomen over de kosten van onderhavige procedure. Verweerder heeft geschreven dat de rechtbank een proceskostenveroordeling kan uitspreken.
3. De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
5. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Is verweerder aan verzoekster tegemoetgekomen?
6. Gelet op de reactie van verweerder dat verweerder bereid is de proceskosten te vergoeden, is niet in geschil dat verweerder is tegemoetgekomen.
Welk bedrag aan proceskosten moet verweerder aan verzoekster vergoeden?
7. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Omdat de zaak een licht gewicht heeft, is op de waarde een factor van 0,5 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 467,-.
Krijgt verzoekster een vergoeding van het griffierecht?
8. De rechtbank wijst erop dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden.Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot verweerder wenden.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.S. van Limburg Stirum, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Pijpers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.