Socialezekerheidsrecht
Beroep ongegrond. Verwijtbaar werkloos WW. Eiser heeft niet betwist dat hij gedurende zijn werkzaamheden als…
Rechtbank Amsterdam, 28 juli 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:7849 · Rechtbank Amsterdam · 28 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbams-2026-7849
Zaakgegevens
Op 28 juli 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 28 juli 2026
- Datum publicatie
- 4 augustus 2026
- Zaaknummer
- 25/6265
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:7849
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroep ongegrond. Verwijtbaar werkloos WW. Eiser heeft niet betwist dat hij gedurende zijn werkzaamheden als metrobestuurder meermaals te laat is verschenen en dat hij hiervoor na de eerste te laat-melding is gewaarschuwd. Hij heeft gesteld dat het te laat komen verband hield met persoonlijke omstandigheden. Deze stelling heeft hij echter niet nader geconcretiseerd of onderbouwd. Niet is gebleken dat deze omstandigheden zodanig waren dat eiser geen of slechts een verminderd verwijt van het te laat verschijnen kan worden gemaakt. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn betoog dat verweerder nader onderzoek had moeten doen naar deze omstandigheden, nu eiser deze omstandigheden onvoldoende concreet heeft gemaakt en verweerder daarom geen aanknopingspunten had om daarnaar nader onderzoek te verrichten.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/6265
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. Y. Bekema).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beslissing van verweerder om aan eiser geen uitkering uit te betalen op grond van de Werkloosheidswet (WW).
Verweerder heeft op de aanvraag van eiser met het primaire besluit van 21 mei 2025 beslist dat eiser recht heeft op een WW-uitkering maar dat deze niet wordt uitbetaald. Met het bestreden besluit van 29 september 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij deze beslissing gebleven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2026. Eiser en zijn gemachtigde waren, zonder voorafgaand bericht, niet aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Totstandkoming van de besluiten
1. Eiser is van 3 juni 2024 tot en met 27 maart 2025 op basis van een uitzendovereenkomst werkzaam geweest als [functie] bij [bedrijf] . De werkgever heeft de arbeidsrelatie met eiser beëindigd vanwege het aantal keren dat eiser gedurende deze periode te laat op het werk is verschenen. Eiser heeft zich in deze periode driemaal te laat gemeld. Naar aanleiding van de eerste te laat-melding heeft eiser een schriftelijke waarschuwing ontvangen. Na de derde te laat-melding heeft de werkgever besloten de samenwerking met eiser te beëindigen.
2. Met de in de inleiding genoemde besluiten heeft verweerder vastgesteld dat eiser recht heeft op een WW-uitkering, maar dat deze niet tot uitbetaling komt omdat eiser verwijtbaar werkloos is geworden. Volgens verweerder is eiser door zijn eigen toedoen werkloos geworden, doordat hij meerdere malen te laat op het werk is verschenen. Eiser had zich ervan bewust moeten zijn dat het herhaaldelijk te laat verschijnen in de functie van [functie] gevolgen kon hebben voor de voortzetting van zijn werkzaamheden en uiteindelijk tot beëindiging daarvan kon leiden.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden heeft bepaald dat eiser vanaf 28 maart 2025 geen WW-uitkering krijgt uitbetaald. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. In artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW is bepaald dat de werknemer verplicht is te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Op grond van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos indien aan de werkloosheid een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek ten grondslag ligt en de werknemer daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Indien de werknemer verwijtbaar werkloos is geworden, wordt de uitkering op grond van artikel 27 van de WW blijvend geheel geweigerd.
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden. Eiser heeft niet betwist dat hij gedurende zijn werkzaamheden als [functie] meermaals te laat is verschenen en dat hij hiervoor na de eerste te laat-melding is gewaarschuwd. Met deze waarschuwing is eiser de gelegenheid geboden zijn gedrag aan te passen en herhaling te voorkomen. Eiser heeft evenmin betwist dat hij na deze waarschuwing opnieuw te laat is verschenen. Verweerder heeft hieraan terecht zwaar gewicht mogen toekennen. Het tijdig aanwezig zijn voor de uitvoering van de dienst vormt bij een functie als [functie] een wezenlijk onderdeel van de werkzaamheden. Van een [functie] mag worden verwacht dat hij zich aan de afgesproken werktijden houdt en tijdig aanwezig is voor de uitvoering van de aan hem opgedragen diensten. Door herhaaldelijk te laat te verschijnen kunnen niet alleen reizigers worden benadeeld, maar kunnen ook organisatorische problemen ontstaan doordat collega’s moeten invallen.
6. Eiser heeft gesteld dat het te laat komen verband hield met persoonlijke omstandigheden. Deze stelling heeft hij echter niet nader geconcretiseerd of onderbouwd. Niet is gebleken dat deze omstandigheden zodanig waren dat eiser geen of slechts een verminderd verwijt van het te laat verschijnen kan worden gemaakt. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn betoog dat verweerder nader onderzoek had moeten doen naar deze omstandigheden, nu eiser deze omstandigheden onvoldoende concreet heeft gemaakt en verweerder daarom geen aanknopingspunten had om daarnaar nader onderzoek te verrichten.
Gelet op de aard van de functie, het herhaaldelijk te laat verschijnen en het feit dat eiser hiervoor al was gewaarschuwd, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht aangenomen dat aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt en dat eiser daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Voor zover eiser heeft betoogd dat voor de werkgever geen sprake was van een dringende reden om de werkzaamheden te beëindigen, leidt dit niet tot een ander oordeel. De beoordeling of sprake is van verwijtbare werkloosheid in de zin van de WW betreft immers een zelfstandige beoordeling door verweerder.
7. Eiser heeft tot slot een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel. Dit beroep slaagt niet. De rechtbank overweegt dat de blijvende gehele weigering van de WW-uitkering rechtstreeks voortvloeit uit artikel 27 van de WW, zijnde een wet in formele zin. Naar de huidige stand van de rechtsontwikkeling staat dit in beginsel in de weg aan toetsing van deze wettelijke bepaling aan algemene rechtsbeginselen, zoals het evenredigheidsbeginsel. Dit kan slechts anders zijn indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging die de wetgever heeft gemaakt. De rechtbank is niet gebleken van dergelijke bijzondere omstandigheden. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om in het geval van eiser van de wettelijke regeling af te wijken. De omstandigheden die eiser heeft aangevoerd geven geen aanleiding voor het oordeel dat toepassing van de wettelijke regeling in zijn geval zo onevenredig uitpakt dat van de wettelijk regeling moet worden afgeweken.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Verweerder heeft gelet op het voorgaande terecht geweigerd de WW-uitkering aan eiser uit te betalen.
9. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser het griffierecht niet terug. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Hansen-Löve, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening te treffen.
Het indienen van een hogerberoepschrift kan digitaal via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl of door verzending per post aan de Centrale Raad van Beroep.