Civiel recht overig
eindbeschikking: verdeling gemeenschap van goederen, kosten huishouding en vergoedingsrechten.
Rechtbank Amsterdam, 7 november 2018
ECLI:NL:RBAMS:2018:10077 · Rechtbank Amsterdam · 7 november 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbams-2018-10077
Zaakgegevens
Op 7 november 2018 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 7 november 2018
- Datum publicatie
- 8 augustus 2019
- Zaaknummer
- C/13/630484 / FA RK 17-3862
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2018:10077
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
eindbeschikking: verdeling gemeenschap van goederen, kosten huishouding en vergoedingsrechten.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken
locatie Amsterdam
zaaknummer / rekestnummer: C/13/630484 / FA RK 17-3862 (JK/AK)
Beschikking d.d. 7 november 2018
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. D. Vrolijks, gevestigd te Amersfoort,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat voorheen mr. G.H.G. Reitsma-van Riel thans mr. D. Sjouke gevestigd te Amsterdam.
1 De procedure
Bij beschikking van 17 januari 2018 is:
-
de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
-
bepaald dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
-
een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald;
-
bepaald dat de man € 173,- per maand per kind dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen;
-
bepaald dat de vrouw, indien zij ten tijde van de inschrijving van de uitspraak der echtscheiding nog de echtelijke woning bewoont, jegens de man bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking;
-
bepaald dat de behandeling omtrent de afwikkeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap pro forma wordt voortgezet.
Bij beschikking van 28 maart 2018 van deze rechtbank is de heer [deskundige] van [bedrijf] Woning- en Bedrijfsmakelaars als deskundige benoemd. Aan de deskundige is de vraag voorgelegd: wat is op de datum van de taxatie de vrije verkoopwaarde c.q. de marktwaarde van de onroerende zaak, staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , vrij van huur?
Van de behadeling ter terechtzitting van 3 november 2017 is een proces-verbaal opgemaakt. Voor de procedure tot en met 28 maart 2018 wordt verwezen naar voornoemde beschikkingen.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
-
het taxatierapport betreffende de voormalig echtelijke woning van [bedrijf] ;
-
de brief d.d. 13 juni 2018 van de zijde van de vrouw;
-
het F9-formulier d.d. 15 juni 2018 van de zijde van de man;
-
het F4-formulier d.d. 27 juni 2018 van de zijde van de vrouw;
-
het F9-formulier d.d. 28 juni 2018 van de zijde van de man;
-
het F9-formulier d.d. 6 juli 2018 van de zijde van de man;
-
het F4-formulier d.d. 9 juli 2018 van de zijde van de vrouw;
-
het F4-formulier d.d. 10 juli 2018 van de zijde van de vrouw;
-
de antwoordakte na deskundigenbericht d.d. 31 augustus 2018, op die datum per fax ter griffie ontvangen, van de zijde van de man met bijlagen
-
het faxbericht d.d. 7 september 2018 van de zijde van de man;
-
akte uitlating deskundigenbericht d.d. 17 september 2018 van de zijde van de vrouw met bijlagen, per fax ter griffie ingekomen op 14 september 2018;
-
de akte overlegging producties d.d. 23 oktober 2018 van de zijde van de vrouw;
-
Het F9-formulier d.d. 24 oktober 2018 van de zijde van de man.
2 De beoordeling
Verdeling
Peildatum
Zoals reeds in voorgaande beschikking is overwogen geldt als peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap 3 oktober 2016, het tijdstip waarop het verzoekschrift is ingediend.
Ook is overwogen dat bij het vaststellen van de peildatum voor de waarde van de tot de huwelijksgemeenschap behorende goederen als hoofdregel geldt de waarde ten tijde van de (feitelijke) verdeling. Dit is slechts anders als partijen een andere datum zijn overeengekomen of als op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet gelden. Indien niet is gesteld of gebleken dat partijen een andere datum zijn overeengekomen, dan wel dat op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet gelden, zal de rechtbank derhalve de waarde op het tijdstip van de (feitelijke) verdeling hanteren.
De peildatum voor de waardering van schulden en vorderingen (waaronder saldi op bankrekeningen) is echter de datum van ontbinding van de gemeenschap, zijnde 3 oktober 2016. Dit uitgangspunt betekent dat inkomsten, aflossingen en stortingen gedaan vóór deze datum worden geacht te zijn ontvangen ten bate van de gemeenschap of te zijn gedaan ten laste van de gemeenschap. Deze lossen dus op in de te verdelen gemeenschap van goederen per peildatum. Ook betekent dit uitgangspunt dat inkomsten, aflossingen en betalingen gedaan ná 3 oktober 2016, voor zover deze geen verband houden met goederen welke na de peildatum nog altijd gezamenlijk eigendom zijn van partijen, buiten het bestek van deze procedure vallen.
De omvang van de gemeenschap
Door partijen zijn de volgende te verdelen vermogensbestanddelen genoemd:
-
de echtelijke woning staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , evenals de op deze woning rustende hypothecaire geldleningen, afgesloten bij Petofrima B.V.;
-
een personenauto van het merk [merk en type] , met kenteken [kenteken]
-
de inboedelgoederen, rekening houdende kosten van onderhoud van deze auto;
-
diverse bankrekeningen;
-
vorderingen van de Nuon en Vitens;
-
de aandelen Hapimag AG.
Verder hebben partijen nog discussie over een vermeende schuld aan de ouders van de vrouw, schenkingen gedaan door de ouders van de vrouw aan partijen en verrekening van de kosten van de huishouding.
De rechtbank zal in het hiernavolgende de diverse posten langs gaan.
Ad a) De echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats]
De rechtbank stelt voorop dat bij vorige beschikkingen is bepaald dat de woning getaxeerd moet worden en een deskundige is benoemd om de woning te taxeren waarbij de vraag is gesteld:
Wat is op de datum van de taxatie de vrije verkoopwaarde c.q. de marktwaarde van de onroerende zaak, staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , vrij van huur?
Op 5 juni 2018 heeft de rechtbank per mail het taxatierapport van de deskundige [deskundige] ontvangen. De deskundige heeft de woning tegen een waarde van € 975.000,- getaxeerd, met als waarde-peildatum 4 mei 2018.
Op 13 juni 2018 heeft de vrouw zich op het standpunt gesteld en de rechtbank schriftelijk bericht dat het taxatierapport nog niet naar de rechtbank gestuurd had mogen worden omdat partijen eerst de mogelijkheid hadden moeten krijgen om erop te reageren. De vrouw heeft benadrukt dat zij in ieder geval onvoldoende gelegenheid heeft gehad om op het rapport te reageren. De vrouw heeft toen verzocht de thans door de deskundige aan de rechtbank toegezonden rapportage buiten beschouwing te laten. Voorts heeft de vrouw aangegeven dat zij van mening is dat er in de aanloop naar het onderzoek door de deskundige, maar ook bij de bevindingen van de deskundige, de nodige kanttekeningen zijn te plaatsen. Zij heeft te kennen gegeven dit gemotiveerd te willen uiteenzetten en heeft derhalve verzocht om een verlening van de reactietermijn die was gegeven in de beschikking van 28 maart 2018.
Bij F9-formulier van 15 juni 2018 heeft de man de rechtbank verzocht de behandeling van de procedure over de verdeling van de woning voort te zetten en voorbij te gaan aan het uitstelverzoek van de vrouw. Een discussie over de inhoud van het rapport is wat betreft de man niet aan de orde (de vraag met betrekking tot de marktwaarde is volgens hem uitsluitend aan [naam] te beantwoorden) en deze mogelijkheid is partijen door de rechtbank ook niet geboden, aldus de man.
Bij F4-formulier van 27 juni 2018 verzoekt de vrouw wederom om een nieuwe termijn voor uitlating deskundigenbericht. De man heeft hierop gereageerd bij F9-formulier van 28 juni 2018 en verzocht het verzoek van de vrouw af te wijzen en een eindbeschikking te nemen.
De rechtbank heeft op 2 juli 2018 bepaald dat partijen binnen twee weken, uiterlijk 18 juli 2018, schriftelijk dienen te reageren op het taxatierapport en partijen in de gelegenheid gesteld daarna binnen twee weken, uiterlijk 1 augustus 2018, op elkaars uitlatingen te reageren.
Bij F9-formulier van 6 juli 2018 heeft de man de rechtbank verzocht om uitstel te verlenen tot 1 september 2018 voor het indienen van een schriftelijke reactie op het taxatierapport alsook een uitstel voor de daarna over en weer te geven reacties. In eerste instantie heeft de vrouw bij F4-formulier van 9 juli 2018 bezwaar gemaakt tegen het door de man verzochte uitstel. Bij F4-formulier van 10 juli 2018 heeft de vrouw echter haar bezwaar ingetrokken en ingestemd met de door de man verzochte aanhouding.
De rechtbank heeft op 6 augustus 2018 partijen bericht dat zij aanleiding ziet om akkoord te gaan met het verzoek van de man om uitstel. De rechtbank heeft vervolgens de zaak pro forma aangehouden tot 17 september 2018 en partijen de mogelijkheid gegeven tot 1 september 2018 schriftelijk te reageren op het taxatierapport en vervolgens tot 17 september 2018 nog te reageren op elkaars uitlatingen. Daarbij is bepaald dat indien de rechtbank niet tijdig is geïnformeerd, de rechtbank de beslissing zal nemen die haar geraden voorkomt.
De rechtbank stelt thans vast dat partijen diverse malen in de gelegenheid zijn gesteld om te reageren op het taxatierapport met als uiterlijke datum 1 september 2018. De man heeft met zijn antwoord akte na deskundigenbericht op 31 augustus 2018 hierop binnen de termijn gereageerd en door de vrouw is niet binnen de termijn gereageerd en ook niet verzocht om nader uitstel.
De man heeft op tijd gereageerd op het deskundigenbericht. De vrouw daarentegen heeft pas op 14 september 2018 en dus bijna 2 weken te laat gereageerd. Hoewel de datum 14 september 2018 binnen het verstrijken van de proformadatum was, was dit niet binnen de termijn waarop de vrouw mocht reageren. Immers, zij had tot 1 september 2018 hiervoor de tijd gekregen. Ook heeft de vrouw in haar akte na deskundigenbericht niet gereageerd op de in het faxbericht van 7 september 2018 ingenomen stelling van de man dat zij niet meer mag reageren gelet op het verstrijken van de termijn en heeft ze niet aan de rechtbank nader uitgelegd waarom ze niet binnen de termijn heeft gereageerd. Dit handelen en nalaten van de vrouw is in strijd met de goede procesorde. Een goede procesorde kan alleen worden gehandhaafd als aan het handelen in strijd daarmee consequenties worden verbonden in het nadeel van degene zo heeft gehandeld. De rechtbank is van oordeel dat aan handelen en nalaten van de vrouw in strijd met de goede procesorde, zoals hierboven uiteen is gezet, de consequentie moet worden verbonden dat de akte uitlating deskundigenbericht d.d. 17 september 2017 verder buiten beschouwing wordt gelaten. Hetzelfde geldt voor de door de vrouw overgelegde akte overlegging producties welke zij op 23 oktober 2018 heeft ingediend, omdat voor het nemen van die akte zij niet in de gelegenheid is gesteld.
Waarde woning
De rechtbank heeft van [bedrijf] een taxatierapport ontvangen waarin de waarde van de voormalig echtelijke woning per 4 mei 2018 op € 975.000,- is getaxeerd. De man heeft geen verweer gevoerd tegen deze waarde en de vrouw heeft niet binnen de gestelde termijn verweer gevoerd tegen deze waarde. Gelet hierop gaat de rechtbank uit van een waarde per 4 mei 2018 van € 975.000,-.
Waarde per peildatum
De man heeft gesteld dat bij de vaststelling van de waarde van de echtelijke woning per de peildatum rekening moet worden gehouden met de stijgende huizenprijzen sinds 4 mei 2018. De man heeft verzocht in geval van verkoop en levering aan de vrouw te bepalen dat de verkoopprijs door de notaris wordt vastgesteld op de dag van overdracht, waarbij de verkoopprijs wordt vastgesteld op de getaxeerde waarde vermeerderd met (het bepaalde percentage dan wel de bepaalde index) x (het aantal dagen van 4 mei 2018 tot overdracht / 365).
De rechtbank overweegt als volgt. Bij beschikking van 17 januari 2018 is als volgt overwogen:
“De op dit moment meest redelijke verdeling van de echtelijke woning acht de rechtbank toedeling aan de vrouw tegen de nog vast te stellen waarde. Dit bespaart haar – en met name de kinderen – een verhuizing. Nu niet is gesteld, noch is gebleken, dat partijen een peildatum zijn overeengekomen voor het vaststellen van de waarde van de woning, moet de waarde van de woning vastgesteld worden op de datum van daadwerkelijke verdeling.”
Bij toedeling van de woning aan een van partijen dient voor de waarde eerst een taxatie te worden verricht alvorens overgegaan kan worden tot “uitkopen” van de andere partij en het verdelen van de eventuele overwaarde. Er zit altijd enige tijd tussen de taxatie en het uitkopen en verdelen. In dit geval zit daar niet onnodig veel tijd tussen. De rechtbank onderschrijft het standpunt van de man dat we thans te maken hebben met soms snel stijgende huizenprijzen, maar niet staat vast dat dit ook geldt voor de echtelijke woning sinds 4 mei 2018. Wat wel vaststaat is de taxatiewaarde. De rechtbank zal dan ook van deze waarde uitgaan bij haar beslissing.
Bij vorige beschikking is reeds geoordeeld dat de rechtbank het redelijk acht dat de voormalig echtelijke woning aan de vrouw wordt toegedeeld. Op dat moment was de waarde van de woning nog niet bekend. Thans is de waarde bekend maar is onduidelijk of de vrouw financieel in staat is de woning over te nemen. Gelet hierop zal de rechtbank de wijze van verdeling als volgt vaststellen.
De vrouw wordt in de gelegenheid gesteld om te kijken of ze de overname van de voormalige echtelijke woning kan financieren, waarbij de man de helft van een eventuele overwaarde krijgt. Voor het bepalen van de overwaarde dient zoals reeds hiervoor overwogen te worden aangesloten bij het taxatierapport van 5 juni 2018. De vrouw krijgt hiertoe drie maanden de tijd, te weten tot 7 februari 2019
Indien de vrouw de woning niet kan financieren, of niet voor 7 februari 2019 de financiering rond krijgt, dient de woning uiterlijk 1 maart 2019 in de verkoop te worden gezet. Indien partijen het niet eens kunnen worden over een verkoopmakelaar dan moet de man drie makelaars kiezen waaruit de vrouw dan de makelaar kiest die de woning te koop zal zetten.
Partijen zullen in overleg met de makelaar de vraagprijs, die dient te zijn gebaseerd op de onroerend goed markt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, bepalen. Indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening er in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen dan zal de makelaar de woning te koop aanbieden tegen een door hem bindend te bepalen een marktconforme vraagprijs.
Partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerend goed markt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de makelaar dit naar beste weten bindend kunnen bepalen.
Beide partijen zijn gehouden aan deze verkoop en de daaropvolgende overdracht mee te werken.
Iedere partij is gehouden de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake de verdeling, dan wel de verkoop en levering te dragen.
In beide gevallen dienen de thans aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen – hetzij door verkoop hetzij door toedeling – te worden ingelost (bij verkoop of nieuwe hypotheek bij andere financier) c.q. de andere partij uit de hoofdelijkheid te worden ontslagen (bij voortzetten hypotheek bij huidige financier) en eventuele aan de woning gekoppelde polissen met waarde tussen partijen bij helfte te worden gedeeld.
Gelet op voorgaande beslissing ziet de rechtbank geen aanleiding meer om, zoals door beide partijen verzocht, nog een dwangsom te bepalen, zodat deze verzoeken zullen worden afgewezen.
Ad b) een personenauto van het merk [merk en type] , met kenteken [kenteken]
Partijen hebben de [merk en type] reeds in onderling overleg verdeeld aldus, dat deze is toebedeeld aan de vrouw tegen een waarde van € 9.000,-. De vrouw heeft de helft van de waarde, zijnde een bedrag van € 4.500,- aan de man voldaan. Nu de auto reeds is verdeeld en de onderhoudskosten blijkens het verhandelde ter zitting partijen niet langer verdeeld houden, behoeft de rechtbank op dit punt geen beslissing meer te nemen.
Ad c) de inboedelgoederen
Ter terechtzitting heeft de vrouw gesteld dat zij het door de door de man overlegde voorstel met betrekking tot de verdeling van de inboedel wel wil volgen, echter met uitzondering van drie goederen en met gesloten beurzen. Zij heeft hiertoe gesteld dat zij de wasmachine, de droger en het tuinsetje van de tante wil hebben. De man heeft hier verweer tegen gevoerd en verklaard dat de vrouw dan in dat kader € 1.150,- aan de man moet voldoen omdat ze anders overbedeeld is.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank zal de inboedel verdelen, zonder nadere verrekening, conform het voorstel van de man, productie 33, met uitzondering van de door de vrouw genoemde drie items. Daarvan zal de rechtbank bepalen dat die naar de vrouw gaan. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat er met deze verdeling nog door een van partijen een bedrag aan de ander betaald moet worden om tot een gelijke verdeling te komen.
Ad d) de bankrekeningen
Door partijen zijn de volgende bankrekeningen naar voren gebracht:
-
[bankrekeningnummer 1] ten name van de man en/of de vrouw;
-
[bankrekeningnummer 2] ten name van de man en/of de vrouw;
-
[bankrekeningnummer 3] ten name van de man;
-
[bankrekeningnummer 4] ten name van de man en/of de vrouw;
-
[bankrekeningnummer 5] ten name van de man en/of de vrouw;
-
[bankrekeningnummer 6] ten name van de man en/of de vrouw;
-
[bankrekeningnummer 7] ten name van de man en/of de vrouw;
-
[bankrekeningnummer 8] ten name van de man en/of de vrouw;
-
[bankrekeningnummer 9] ten name van de man en/of de vrouw;
-
[bankrekeningnummer 10] ten name van de man en/of de vrouw;
-
[bankrekeningnummer 11] ten name van de man en/of de vrouw;
-
[bankrekeningnummer 12] ten name van de man en/of de vrouw;
-
[bankrekeningnummer 13] ten name van de man;
-
[bankrekeningnummer 14] ten name van de vrouw.
Tussen partijen is niet in geschil dat de bankrekeningen ten name van de kinderen en het saldo op die rekeningen buiten de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap dienen te blijven.
Tussen partijen is voorts niet in geschil dat op de overige bankrekeningen geen noemenswaardig saldo staat. Tot slot heeft de man aangegeven graag de gezamenlijke rekening eindigend op [bankrekeningnummer 1] op zijn naam voort te willen zetten.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat ieder van partijen de op zijn of haar naam staande rekening(en) toebedeeld krijgt, dat partijen de saldi op de en/of rekeningen in onderling overleg bij helfte moeten verdelen, dan wel dat beide partijen voor een eventuele roodstand op de en/of rekeningen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn en dat de man de en/of rekening eindigend op 646 op zijn naam zal mogen voortzetten.
ad e) vorderingen van de Nuon en Vitens
Ter terechtzitting heeft de man verklaard dat partijen deze kwestie in onderling overleg opgelost hebben, en zijn verzoeken met betrekking tot deze punten ingetrokken. Gelet hierop behoeft te dien aanzien niet meer te worden beslist.
Ad f) de aandelen Hapimag AG
De man stelt dat de ouders van de vrouw twee aandelen Hapimag aan partijen hebben geschonken, welke daardoor onderdeel uitmaken van de gemeenschap. De man verzoekt de rechtbank om de aandelen Hapimag bij helfte te verdelen, in die zin dat ieder van partijen één aandeel toegedeeld krijgt, alsmede de helft van de vakantiepunten die de aandelen op 3 oktober 2016 behelzen (voor zover de vakantiepunten sinds 3 oktober 2016 zijn verminderd, verzoekt de man de rechtbank te bepalen dat deze vakantiepunten voorafgaand aan de levering door de vrouw dienen te worden aangevuld), waarbij wordt bepaalt dat het aan de man toe te delen aandeel binnen vier weken na de door de rechtbank te wijzen beschikking door de vrouw aan de man dient te worden overgedragen, onder vaststelling van een dwangsom van € 100,-- voor iedere dag dat de vrouw hiermee in gebreke blijft. Subsidiair verzoekt de man de rechtbank in verband met dit vermogensbestanddeel te bepalen dat de vrouw wegens overbedeling een vergoeding aan de man dient te voldoen ter hoogte van de aanschafwaarde van een aandeel Hapimag AG ten bedrage van CHF 3750,-, oftewel een bedrag van € 3.509,--.
De vrouw voert verweer tegen voornoemd verzoek van de man en voert aan dat deze aandelen geen onderdeel uitmaken van de te ontbinden gemeenschap van goederen, nu de aandelen gekocht en in bezit zijn van haar ouders. De ouders zijn bezitter en eigenaar. Zij betalen ook de jaarlijkse kosten van deze aandelen en ontvangen de vakantiepunten. Subsidiair stelt de vrouw dat de aandelen geen waarde hebben. Ten eerste omdat de aandelen slechts juridisch op haar naam staan en zij geen kosten draagt noch punten ontvangt. Ten tweede omdat de aandelen thans vrijwel onverkoopbaar zijn. Terug verkoop is volgens de vrouw ook geen optie.
De rechtbank overweegt als volgt. Ter terechtzitting heeft de vrouw verklaard dat de twee aandelen op haar naam staan. De vrouw is daarmee eigenaar en nu partijen in gemeenschap van goederen zijn gehuwd vallen daarmee de aandelen en de vakantiepunten in de gemeenschap. Dat de aandelen gefinancierd zijn door haar ouders en bij hen in bezit zijn maakt dat, vanwege de tenaamstelling, niet anders. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de aandelen en de vakantiepunten bij helfte worden gedeeld.
De rechtbank ziet geen aanleiding een dwangsom op te leggen zodat de rechtbank het verzoek van de man hiertoe zal afwijzen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding te bepalen dat een eventuele vermindering van vakantiepunten sinds de peildatum moet worden aangevuld, omdat niet gebleken is dat van een dergelijke vermindering sprake is en als dat wel het geval is, waardoor dat komt.
Schulden aan de ouders van de vrouw, schenkingen gedaan door de ouders van de vrouw en vordering in het kader van de kosten van de huishouding
De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat de man zijn halve aandeel van
€ 6.682,87 in de schuld, die partijen hebben aan de ouders aan de vrouw, aan de vrouw dient te voldoen.
Voorts heeft de vrouw zich op het standpunt gesteld dat haar ouders diverse bedragen aan haar heeft geschonken in verband met kosten van de gemeenschappelijke woning. Deze bedragen zijn volgens de vrouw onder uitsluitingsclausule aan de vrouw geschonken en behoorden daarmee tot haar privé vermogen, aldus de vrouw. In totaal betreft het een bedrag van € 17.052,- dat de vrouw vanuit haar privé vermogen heeft aangewend ter bestrijding van enerzijds de kosten van de huishouding (rente), anderzijds de opbouw van vermogen (aflossing). De vrouw stelt zich op het standpunt dat waar de aanwending van haar privé vermogen ziet op een bijdrage in de kosten van de huishouding, de man naar evenredigheid hierin had dienen bij te dragen. Voor zover haar privé vermogen is aangewend ter aflossing van de hypotheek, stelt zij zich op het standpunt dat zij recht heeft op vergoeding van deze privé investeringen.
De man stelt dat de door de vrouw opgevoerde kosten zijn voldaan door middel van schenkingen van de ouders van de vrouw welke in de gemeenschap vallen. De man betwist dat er sprake was van een uitsluitingsclausule.
Schuld
De rechtbank stelt voorop dat van een schuld aan de ouders van de vrouw onvoldoende is gebleken. De schuld wordt door de man betwist en door de vrouw niet nader onderbouwd. De vrouw heeft wel diverse facturen overgelegd en een aantal rekeningafschriften waaruit blijkt dat bij sommige overboekingen staat geschreven dat het een lening betreft. Daaruit volgt echter nog niet dat er sprake is van een overeenkomst van geldlening, te meer omdat tussen partijen niet in geschil is dat de ouders van de vrouw over de jaren juist diverse bedragen hebben geschonken. De rechtbank zal derhalve het verzoek van de vrouw ten aanzien van deze lening afwijzen.
Kosten huishouding
De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 1:84 lid 1 BW luidt:
De kosten der huishouding, daaronder begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, komen ten laste van het gemene inkomen van de echtgenoten en, voor zover dit ontoereikend is, ten laste van hun eigen inkomens in evenredigheid daarvan; voor zover de inkomens ontoereikend zijn, komen deze kosten ten laste van het gemene vermogen en, voor zover ook dit ontoereikend is, ten laste van de eigen vermogens naar evenredigheid daarvan. Een en ander geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich er tegen verzetten.
De rechtbank begrijpt het standpunt van de vrouw aldus dat zij naar verhouding te veel aan de kosten van de huishouding zou hebben bijgedragen en dit niet naar evenredigheid van ieders inkomen en vermogen is geweest. Los van de vraag of het vermogen wat de vrouw heeft gekregen van haar ouders onder uitsluitingsclausule is verkregen of niet, had naar het oordeel van de rechtbank het op de weg van de vrouw gelegen te stellen wat de hoogte van de totale kosten van de huishouding waren, wat ieders inkomen .c.q. vermogen was en wat ieders aandeel in de kosten is geweest en wat ieders aandeel in de kosten had moeten zijn. Hoewel de vrouw in haar pleitnota een berekening heeft gemaakt van wat de man had moeten voldoen heeft de vrouw daarmee nog niet voldaan aan de op haar rustende stelplicht voldaan. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de vrouw af.
Vergoedingsrecht
De rechtbank stelt voorop dat de man als productie 35 een mailwisseling van 21 januari 2016 tussen de man en de vader van de vrouw heeft overgelegd waaruit blijkt dat de vader van de vrouw van plan was om maandelijks € 1.422,- te schenken aan partijen ter financiering van de rente en aflossing van de woning en ter financiering van de hulp in huis. De vrouw heeft daartegenover gesteld dat met ingang van het jaar 2016 (het jaar, waarin partijen uit elkaar zijn gegaan) de schenkingen van de ouders onder uitsluitingsclausule aan de vrouw zijn gedaan en als zodanig door haar zijn aanvaard. Ter onderbouwing van dit argument heeft zij productie 17A overgelegd wat uit diverse overeenkomsten bestaat tussen de vrouw en haar ouders waaruit blijkt dat de ouders van de vrouw diverse bedragen onder uitsluitingsclausule aan de vrouw zouden hebben geschonken. De eerste overeenkomst dateert eveneens van 21 januari 2016. Uit de overeenkomsten blijkt van een totaal geschonken bedrag van € 17.052,-.
Uit beide stukken blijkt dat er geschonken bedragen van de ouders van de vrouw zijn aangewend om onder andere de rente en aflossingen te voldoen van de voormalig echtelijke woning en zijn aangewend voor de kosten van de huishouding. De vraag die beantwoord moet worden is of aan de vrouw een recht van terugneming (recht van reprise) toekomt op grond van het bepaalde in artikel 1:95 lid 2 BW ten laste van de gemeenschap en zo ja ter grootte van welk bedrag. Bepalend voor het antwoord is het antwoord op de vraag of de schenkingen onder uitsluitingsclausule aan de vrouw zijn gedaan.
De rechtbank is er niet van overtuigd dat dat het geval is. Immers, tegenover de door de vrouw overgelegde overeenkomsten, waarvan de eerste dateert van 21 januari 2016, ligt de door de man overgelegde mail – eveneens van 21 januari 2016 – waar uitdrukkelijk in staat dat de vader van de vrouw het heeft over schenken aan “jullie”. Zowel de overeenkomsten als de mail gaan over de kosten van hulp en in huis en over rente en aflossing van de hypotheek. De rechtbank zal derhalve het verzoek van de vrouw afwijzen.
Fiscale aanslag of teruggave belasting
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat partijen in hun onderlinge verhouding eventuele fiscale aanslagen of teruggaven over het jaar 2016 dienen te verdelen. De rechtbank overweegt hiertoe dat partijen in gemeenschap van goederen zijn gehuwd en dat zij derhalve eventuele aanslagen en teruggave tot aan de peildatum met elkaar dienen te delen dan wel beide daarvoor draagplichtig zijn. De rechtbank zal aldus bepalen.
3 De beslissing
De rechtbank:
stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande ontbonden huwelijksgoederengemeenschap als volgt vast:
- aan de man wordt toebedeeld de op zijn naam staande bankrekeningen en de helft van de saldi van de op naam van beide partijen staande bankrekeningen, waarbij wordt bepaald dat partijen voor een eventuele roodstand op de en/of rekeningen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplicht zijn en dat de man de en/of bankrekening [bankrekeningnummer 1] op eigen naam zal mogen voortzetten;
- aan de vrouw wordt toebedeeld de op haar naam staande bankrekeningen en saldi en de helft van de saldi van de op naam van beide partijen staande bankrekeningen waarbij wordt bepaald dat partijen voor een eventuele roodstand op de en/of rekeningen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplicht zijn;
- bepaalt dat de inboedel zonder nadere verrekening wordt verdeeld conform productie 33 van de zijde van de man, met uitzondering van de wasmachine, de droger en het tuinsetje van tante, deze items worden aan de vrouw toebedeeld;
- bepaalt dat elke partij een aandeel bij Hapimag AG toegedeeld krijgt, alsmede de helft van de vakantiepunten aanwezig op de peildatum 3 oktober 2016;
- bepaalt dat partijen eventuele fiscale aanslagen en/of teruggaven van de belastingdienst tot aan de peildatum met elkaar dienen te delen dan wel dat beide daarvoor draagplichtig zijn;
stelt voorts de wijze van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap als volgt vast:
- bepaalt dat de vrouw de echtelijke woning aan de [adres] ( [postcode] ) te [woonplaats] zal mogen overnemen tegen een waarde van € 975.000,- en daarbij tot 7 februari 2019 de tijd krijgt om de financiering te regelen, waarbij eventuele aan de hypotheek verbonden polissen moeten worden afgekocht en de overwaarde met inachtneming van voornoemde waarde, de hypotheekleningen en die afkoop, tussen partijen bij helfte moet worden verdeeld, waarbij ieder van partijen gehouden is de helft van de kosten van notaris en de overige kosten bij helfte te dragen;
- bepaalt dat indien de vrouw de woning niet kan financieren, of niet voor 7 februari 2019 de financiering rond kan krijgen, de woning uiterlijk 1 maart 2019 in de verkoop moet worden gezet;
- bepaalt dat indien partijen het niet eens kunnen worden over een verkoopmakelaar dat de man drie makelaars kiest waaruit de vrouw dan de makelaar kiest die de woning te koop zal zetten;
- bepaalt dat, indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening er in slagen om gezamenlijk de vraagprijs van de woning te bepalen, de makelaar de vraagprijs bindend voor partijen vaststelt;
- bepaalt dat als partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de verkoopprijs, de makelaar de verkoopprijs bindend zal kunnen vaststellen;
- bepaalt dat als de verkoopprijs bindend is vastgesteld beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan het notariële transport van de woning aan de koper(s);
- bepaalt dat iedere partijen gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen;
- bepaalt dat eventueel aan de hypothecaire geldleningen verbonden polis(sen) worden afgekocht;
- bepaalt dat de netto (verkoop)opbrengst van de verkoop en de afkoop gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld, dan wel dat ieder van partijen de helft van de restschuld zal dragen en betalen;
veroordeelt de man en de vrouw elk bij helfte in de kosten verbonden aan het deskundigenonderzoek van in totaal € 495,-, welk bedrag reeds door partijen is voldaan;
verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat elk der partijen de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Kloosterhuis, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.A. Kuijper op 7 november 2018. |
||
|
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden. |
||