Civiel recht overig

De rechtbank Amsterdam oordeelt dat de voormalige manager en advocaat van een rapper hun zorgplicht niet…

Rechtbank Amsterdam, 28 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
C/13/777363 / HA ZA 25-1609
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Advocaat
mr. D.H.S. Donk, mr. A. Das Gupta, mr. A. Das Gupta, mr. M.R. Lauxtermann, mr. M.R. Lauxtermann, mr. M.R. Lauxtermann, mr. A. Das Gupta
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:10613
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De rechtbank Amsterdam oordeelt dat de voormalige manager en advocaat van een rapper hun zorgplicht niet hebben geschonden. De rapper kan niet aantonen dat zij onrechtmatig hebben gehandeld en hij heeft daarom ook geen recht op de geclaimde schadevergoeding. Omdat hij in het ongelijk is gesteld, moet hij de proceskosten betalen.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/777363 / HA ZA 25-1609

Vonnis van 28 oktober 2026

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende in [plaats] ,

hierna te noemen: [eiser 1] ,
2. [eiser 2],

gevestigd in [plaats] ,

hierna te noemen: [eiser 2] ,

eisende partijen,

hierna samen (in enkelvoud) te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. D.H.S. Donk,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende in [plaats] ,

hierna te noemen: [gedaagde 1] ,

advocaat: mr. A. Das Gupta,
2. PERFORMER MATTERS B.V.,

gevestigd in Amsterdam,

hierna te noemen: PM,

advocaat: mr. A. Das Gupta,
3. [gedaagde 3],

wonende in [plaats] ,

hierna te noemen: [gedaagde 3] ,

advocaat: mr. M.R. Lauxtermann,
4. [gedaagde 4],

wonende in [plaats] ,

hierna te noemen: [gedaagde 4] ,

advocaat: mr. M.R. Lauxtermann,
5. PK HOLDING B.V.,

gevestigd in Amsterdam,

hierna te noemen: PK,

advocaat: mr. M.R. Lauxtermann,
6. STICHTING PERFORMER MATTERS,

gevestigd in Amsterdam,

hierna te noemen: Stichting PM,

advocaat: mr. A. Das Gupta,

gedaagde partijen, hierna samen te noemen: gedaagden,

gedaagden 1 en 2 hierna samen (in enkelvoud) te noemen: [gedaagde 1 en 2] ,

gedaagden 3, 4 en 5 hierna samen (in enkelvoud) te noemen: [gedaagde 3, 4 en 5]

Waar gaat de zaak over?

[gedaagde 1] was de manager van [eiser 1] , bekend onder de artiestennaam [artiestennaam] . [eiser 1] vordert € 3,5 ton aan schadevergoeding van onder andere [gedaagde 1] en zijn voormalig advocaat. [eiser 1] vindt dat zij onrechtmatig hebben gehandeld door 15% van de bruto-contractwaarde van een deal met Sony als managementvergoeding te laten uitbetalen aan het bedrijf van [gedaagde 1] . De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser 1] af.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 8 oktober 2025,

- de akte overlegging producties van [eiser 1] ,

- de conclusie van antwoord van [gedaagde 1 en 2] , met producties,

- de conclusie van antwoord van [gedaagde 3, 4 en 5] , met producties,

- het tussenvonnis van 31 december 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,

- de akte houdende wijziging c.q. vermeerdering van eis,

- de akte overlegging aanvullende producties van [eiser 1] ,

- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 28 augustus 2026. De zittingsaantekeningen van de griffier zijn aan het dossier zijn toegevoegd.

1.2.

Daarna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser 2] is een vennootschap van [eiser 1] die zich onder meer bezighoudt met de exploitatie van alle activiteiten van [eiser 1] . [gedaagde 1] (en later zijn vennootschap PM) is in de periode vanaf 2013 tot februari 2023 manager geweest van [eiser 1] (en later van [eiser 2] ). Stichting PM is opgericht voor het ontvangen en verdelen van opbrengsten uit door PM gesloten deals. [gedaagde 3] is advocaat en heeft [eiser] bijstand verleend vanuit een advocatenmaatschap waar ook [gedaagde 4] maat was. PK is een vennootschap van [gedaagde 3] en sinds 1 januari 2025 maat in die advocatenmaatschap.

2.2.

Op 1 oktober 2021 heeft [eiser 1] een exclusieve distributieovereenkomst (hierna: distributieovereenkomst) met Sony Music Entertainment Netherlands B.V. (hierna: Sony) gesloten. Daarin is bepaald dat Sony aan [eiser 1] zal betalen (alle bedragen exclusief BTW):

- binnen 10 dagen € 1.000.000,00,

- bij aanlevering van de 15e (goedgekeurde) minimum leveringsverplichting van de muziekopname € 1.000.000,00, en

- bij aanlevering van de 30e € 500.000,00,

- bij aanlevering van de 45e € 250.000,00 en

- bij aanlevering van de 60e € 250.000,00.

2.3.

Sony heeft daarna € 1.000.000,00 aan Stichting PM overgemaakt. Op 8 oktober 2021 heeft Stichting PM van dit bedrag € 450.000,00 (15% van € 3.000.000,00) aan PM betaald. Het restant van de eerste betaling van Sony (€ 550.000,00) is daarna aan [eiser 2] overgemaakt, nadat [eiser 2] hiervoor op 21 oktober 2021 een factuur had gemaakt.

2.4.

[eiser] heeft in februari 2023 de relatie met [gedaagde 1 en 2] beëindigd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, na eisvermeerdering, dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad,

Primair:

I. gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling van schadevergoeding van € 340.500,00 of een door de rechtbank te bepalen bedrag, met wettelijke handelsrente,

Subsidiair:

II. bepaalt dat de rechtsgevolgen van de managementovereenkomst (zoals bij de eiswijziging gedefinieerd) op basis van artikel 6:230 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) zo wijzigen dat ieder nadeel daarvan voor [eiser] wordt opgeheven en wel zo dat de grondslag voor de door [eiser] verschuldigde managementvergoeding over de distributieovereenkomst gelijk is aan 15% van de door [eiser] ontvangen netto-opbrengsten daaruit,

Meer subsidiair:

III. bepaalt dat de gevolgen van de managementovereenkomst op basis van artikel 6:258 BW met terugwerkende kracht wijzigen, en wel zodanig dat de grondslag voor de door [eiser] verschuldigde managementvergoeding over de distributieovereenkomst gelijk is aan 15% van de door [eiser] ontvangen netto-opbrengsten daaruit,

Nog meer subsidiair:

IV. de inhoud van de managementovereenkomst, voor zover op grond daarvan aanspraak zou kunnen worden gemaakt op een managementvergoeding die gebaseerd is op een percentage van de bruto-contractwaarde van de distributieovereenkomst, op basis van artikel 6:248 BW buiten toepassing verklaart en/of de inhoud van managementovereenkomst zodanig aanpast dat de grondslag voor de door [eiser] verschuldigde managementvergoeding gelijk is aan 15% van de door [eiser] ontvangen netto-opbrengsten uit de distributieovereenkomst,

Subsidiair. meer subsidiair en nog meer subsidiair:

V. gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot een door de rechtbank te betalen bedrag, met wettelijke handelsrente vanaf 12 oktober 2021,

Primair, subsidiair, meer subsidiair en nog meer subsidiair:

VI. gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, met rente.

3.2.

Gedaagden betwisten de vorderingen van [eiser] en willen dat die worden afgewezen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, met rente.

3.3.

Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, verder ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank moet eerst (ambtshalve) beoordelen of zij internationaal, relatief en absoluut bevoegd is om van de vorderingen van [eiser] kennis te nemen.

De rechtbank is internationaal en relatief bevoegd

4.2.

[gedaagde 3] woont in Frankrijk. Dit betekent dat de vraag of de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is wordt beantwoord aan de hand van de verordening Brussel I-bis.De rechtbank is bevoegd op grond van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis. Van de zes gedaagden hebben er vijf woonplaats in Nederland. Daarmee is aan het vereiste van een ankergedaagde voldaan. De vorderingen van [eiser] tegen de verschillende gedaagden hangen bovendien nauw samen. Zij zien op hetzelfde feitencomplex voor het door [eiser] gestelde onrechtmatig handelen. Daarom is gezamenlijke behandeling uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling aangewezen en worden tegenstrijdige beslissingen over de aansprakelijkheid van de gedaagden voorkomen. Door de samenhang tussen de vorderingen is de rechtbank Amsterdam op grond van artikel 107 Rv ook (relatief) bevoegd van de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde 1] , die in [plaats] woont, kennis te nemen.

Rechtbank is ook absoluut bevoegd

4.3.

Volgens gedaagden is sprake van een agentuurovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde 1 en 2] Als dat zo is, is de kantonrechter en niet de handelsrechter bevoegd om van de vorderingen van [eiser] kennis te nemen. De agentuurovereenkomst is een overeenkomst waarbij de handelsagent zich verbindt om, tegen beloning en voor bepaalde of onbepaalde tijd, bemiddeling te verlenen bij het tot stand komen van overeenkomsten en deze eventueel op naam en voor rekening van de principaal te sluiten, zonder aan die principaal ondergeschikt te zijn (artikel 7:428 BW).

4.4.

De rechtbank komt, gelet op de door [eiser] naar voren gebrachte omstandigheden, tot het oordeel dat geen sprake is van een agentuurovereenkomst. Partijen hebben ter zitting bevestigd dat tussen [eiser 2] en PM een overeenkomst bestond op grond waarvan PM tegen betaling managementdiensten voor [eiser 2] verrichtte. Ook zijn partijen het erover eens dat de werkzaamheden van PM meer omvatten dan alleen het sluiten van deals. Volgens [gedaagde 1 en 2] bestonden die werkzaamheden voor 80% uit het sluiten van deals en voor 20% uit overige diensten zoals agendabeheer, het doen van betalingen en het leggen van contacten. De vergoeding voor die overige werkzaamheden zou zijn begrepen in de 15% die PM ontving van de contractwaarde van gesloten deals. [eiser] heeft dit gemotiveerd betwist. Volgens hem bood PM hem een totaalpakket aan managementdiensten en werd hij volledig ontzorgd, wat PM tijdens de zitting ook heeft bevestigd. PM sloot weliswaar in de 10 jaar dat partijen samenwerkten enkele deals voor [eiser] , onder meer met RTL, Talpa en Sony, maar dat was volgens [eiser] maar de helft van wat PM deed. PM regelde voor de andere helft alle zaken voor [eiser] om hem zoveel mogelijk te ontzorgen. De boekingen van shows werden bovendien verzorgd door een extern boekingskantoor en niet door bemiddeling van PM zelf. PM ontving over de opbrengsten van die shows wel een vergoeding van 15%. Dit heeft [gedaagde 1 en 2] niet betwist. Uit wat door [eiser] naar voren is gebracht volgt dan ook dat niet is voldaan aan de kenmerken van een agentuurovereenkomst. De rechtbank is daarom bevoegd om van de vorderingen van [eiser] kennis te nemen.

4.5.

De rechtbank zal de zaak gezien het voorgaande hierna inhoudelijk beoordelen.

Geen onrechtmatig handelen, primaire vordering wordt afgewezen

4.6.

Op de zitting heeft [eiser] toegelicht dat zijn primaire vordering tot betaling van schadevergoeding volledig is gegrond op onrechtmatig handelen door gedaagden. Volgens [eiser] hebben gedaagden hun zorgplicht geschonden door van de betaling van € 1.000.000,00 van Sony aan Stichting PM op 8 oktober 2021 € 450.000,00 aan PM over te maken zonder dat [eiser] hiervoor toestemming heeft gegeven en zonder dat hij ervan wist. Daarnaast is de zorgplicht geschonden omdat sprake was van belangenverstrengeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] als bestuurders van Stichting PM.

4.7.

Gedaagden betwisten dat sprake is van onrechtmatig handelen. Volgens hen is bij de overboeking van € 450.000,00 na het sluiten van de distributieovereenkomst gehandeld zoals dat vanaf het begin van de samenwerking tussen [eiser] en [gedaagde 1 en 2] steeds is gegaan. PM sloot een deal, waarna de partij met wie een overeenkomst werd gesloten (eerder bijvoorbeeld Talpa en RTL) betaalde aan Stichting PM. [eiser 2] werd gevraagd een factuur te maken voor het bedrag dat aan haar moest worden betaald waarop de aan PM toe te kennen vergoeding werd vermeld. Nadat de factuur van [eiser 2] door Stichting PM was ontvangen, volgde betaling daarvan. [eiser] was met deze werkwijze en de vergoeding voor PM bekend en heeft daar nooit bezwaar tegen gemaakt. Daarnaast heeft [gedaagde 1 en 2] de inhoud van de distributieovereenkomst en de hoogte van de vergoeding voor de managementdiensten van [gedaagde 1 en 2] uitgebreid met [eiser] besproken, net als bij andere deals. Van belangenverstrengeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] door hun rol bij Stichting PM is niet gebleken, aldus gedaagden.

4.8.

De rechtbank vindt dat van onrechtmatig handelen door gedaagden geen sprake is en legt dit als volgt uit. Het standpunt van [eiser] is in de kern dat gedaagden niet hebben voldaan aan hun zorgplicht omdat bij de Sony-deal ten onrechte 15% van de bruto-contractwaarde aan PM is betaald in plaats van 15% van de netto-contractwaarde. Gedaagden zijn juist van mening dat het betalen van 15% van de bruto-contractwaarde aan PM conform de tussen partijen geldende overeenkomst is. Een verschil van mening over de interpretatie van de overeenkomst tussen PM en [eiser 2] , maakt het handelen van gedaagden alleen niet onrechtmatig en levert ook geen schending van de zorgplicht op. Ook als [gedaagde 1 en 2] de overeenkomst verkeerd zou hebben geïnterpreteerd, betekent dit namelijk nog niet dat er ook onrechtmatig is gehandeld. Daarvoor is meer nodig, bijvoorbeeld volledig in strijd met de eerdere werkwijze tussen partijen handelen. Dit, of een andere schending van de zorgplicht, heeft [eiser] echter niet aangetoond. De werkwijze van partijen bij de Sony-deal week juist niet af van die bij eerdere deals, zoals met Talpa en RTL. PM ontving bij die deals, zo blijkt uit door [gedaagde 1 en 2] overgelegde facturen, ook meteen 15% van de bruto-contractwaarde nadat de deal was gesloten, ook bij uitbetaling in meerdere tranches. Ook is niet gebleken dat voor uitbetaling van de vergoeding aan PM toestemming van [eiser] nodig was of dat [eiser] die heeft gegeven. [eiser] heeft verder niet (gemotiveerd) betwist dat [gedaagde 1 en 2] de te sluiten deals en de vergoeding voor PM uitgebreid met hem heeft besproken en dat dit vooral gold voor de distributieovereenkomst. Van belangenverstrengeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] als bestuurders van Stichting PM is evenmin gebleken. Het zijn van bestuurder ( [gedaagde 1] ) of aandeelhouder ( [gedaagde 3] ) brengt namelijk niet met zich mee dat sprake is van belangenverstrengeling. [eiser] heeft verder ook niet onderbouwd hoe dit tot onrechtmatig handelen zou hebben geleid.

4.9.

De conclusie is dat van onrechtmatig handelen van gedaagden geen sprake is. De primaire vordering van [eiser] wordt daarom afgewezen.

4.10.

De rechtbank merkt op dat voorgaande betekent dat zij niet toekomt aan een verdere beoordeling van de overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde 1 en 2] voor de managementdiensten. [eiser] vordert namelijk geen nakoming van de overeenkomst (en grondt zijn vordering niet op een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van die overeenkomst), zoals zijn advocaat ter zitting heeft bevestigd. Omdat de subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen van [eiser] hierna als onvoldoende gesteld en onderbouwd worden afgewezen, komt de rechtbank ook in dat kader niet toe aan deze beoordeling.

Vorderingen ook voor het overige niet toewijsbaar

4.11.

[eiser] vordert subsidiair wijziging van de rechtsgevolgen van de managementovereenkomst. Volgens [eiser] heeft hij gedwaald bij het aangaan van de overeenkomst met [gedaagde 1 en 2]

4.12.

Het beroep van [eiser] op dwaling slaagt niet. [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn stelling namelijk geen feiten en omstandigheden aangevoerd die aantonen dat hij bij het sluiten van de overeenkomst is uitgegaan van een onjuiste voorstelling van zaken.

4.13.

Meer subsidiair vordert [eiser] wijziging van de overeenkomst op grond van onvoorziene omstandigheden. Volgens hem was bij het sluiten van de overeenkomst met [gedaagde 1 en 2] in 2013 niet voorzien dat een distributieovereenkomst zou worden gesloten. Zo’n overeenkomst was toen ongebruikelijk in de Nederlandse muziekbranche.

4.14.

Ook deze vordering van [eiser] wordt afgewezen. Artikel 6:258 BW geeft de rechter de mogelijkheid om een overeenkomst te wijzigen of (gedeeltelijk) te ontbinden als zich omstandigheden voordoen die partijen niet hebben voorzien en waardoor ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Of [eiser] en [gedaagde 1 en 2] bij het aangaan van hun (mondelinge) overeenkomst niet hebben voorzien dat ooit een distributieovereenkomst zou worden gesloten, heeft [eiser] niet onderbouwd. Bovendien is bij deze mondelinge overeenkomst in de loop van de jaren een werkwijze is ontstaan, waarbij het dan op de weg van [eiser] ligt om duidelijk te maken waarom iets anders had moeten worden afgesproken. [eiser] heeft in dit kader toegelicht dat hij in het geval van een distributieovereenkomst, anders dan bij de andere deals, zelf de productie- en promotiekosten draagt. Hier hebben gedaagden alleen tegenin gebracht dat dit bij het aangaan van de Sony-deal met [eiser] is besproken en aan hem is uitgelegd dat, anders dan bij de andere deals, hier een hoger voorschot en een hoger royaltypercentage tegenover staat. Dat dit zo is, heeft [eiser] niet weersproken.

4.15.

Het nog meer subsidiaire beroep van [eiser] op artikel 6:248 BW slaagt evenmin. [eiser] heeft hiervoor onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld, zodat zijn vordering op die grond ook wordt afgewezen.

[eiser 1] moet de proceskosten betalen

4.16.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde 1] , PM en Stichting PM worden begroot op:

- griffierecht

€

6.861,00

- salaris advocaat

€

7.004,00

(2 punten × € 3.502,00)

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

14.054,00

4.17.

De proceskosten van [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en PK worden begroot op:

- griffierecht

€

6.861,00

- salaris advocaat

€

7.004,00

(2 punten × € 3.502,00)

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

14.054,00

4.18.

De door gedaagden gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen van [eiser 1] af,

5.2.

veroordeelt [eiser 1] in de proceskosten van [gedaagde 1] , PM en Stichting PM van € 14.054,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

veroordeelt [eiser 1] in de proceskosten van [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en PK van € 14.054,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

5.4.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten in 5.2 en 5.3 als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.5.

verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

Dit vonnis is gewezen door mr. D. Sullivan, rechter, bijgestaan door mr. N. Noordmans, griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2026.

De Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I-bis). Zie artikel 6:228 BW. Zie artikel 6:258 BW. Dit artikel gaat over de werking van de redelijkheid en billijkheid bij overeenkomsten.