Civiel recht overig
Afwijzing toepassing schuldsanering, geen problematische schuldenlast, oneigenlijk gebruik verzoek toepassing…
Rechtbank Amsterdam, 25 juni 2019
ECLI:NL:RBAMS:2019:4447 · Rechtbank Amsterdam · 25 juni 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbams-2019-4447
Zaakgegevens
Op 25 juni 2019 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 25 juni 2019
- Datum publicatie
- 25 juni 2019
- Zaaknummer
- C/13/657491 FT RK 18.2100
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2019:4447
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Afwijzing toepassing schuldsanering, geen problematische schuldenlast, oneigenlijk gebruik verzoek toepassing Wsnp om woningontruiming te voorkomen
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
rekestnummer: C/13/657491 / FT RK 18/2100
uitspraakdatum: 25 juni 2019
Afwijzing toepassing schuldsanering
[verzoekster] ,
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
verzoekster,
heeft op 20 november 2018 een verzoekschrift met bijlagen tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ingediend.
Het verzoekschrift is behandeld op de zitting van 21 juni 2019. Daarbij is verzoekster gehoord.
Bij vonnis van 13 februari 2019 is het verzoek tot het instellen van een moratorium jegens Stichting Ymere toegewezen. Bij beschikking van 31 mei 2019 is een voorlopige voorziening toegewezen op de voet van artikel 287 lid 4 Fw waarbij Stichting Ymere is verboden gedurende twee maanden tot ontruiming over te gaan.
De beoordeling
In de schuldenlijst bij het verzoekschrift wordt melding gemaakt van een totale schuldenlast van € 28.126,40 verdeeld onder vier schuldeisers, waaronder Qredits (een schuld van € 24.205,56) en Stichting Ymere (een schuld van € 1.851,-). Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat de rechtsverhouding met Qredits al jaren geleden is afgewikkeld. Dat Qredits geen vordering meer heeft op verzoekster is, aldus verzoekster, inmiddels ook schriftelijk bevestigd aan de schuldhulpverlener. Ook haar andere schulden zijn grotendeels verdwenen. Volgens verzoekster bedraagt haar huidige schuldenlast in totaal nog maar circa € 1.200,-. Dit betreft eigenlijk alleen nog een restant van de schuld aan Stichting Ymere.
Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij deze schuld binnen afzienbare tijd af zou kunnen lossen. Er dreigt echter ook ontruiming van de woning door Stichting Ymere, hetgeen verzoekster wil voorkomen. Het huurconflict met Stichting Ymere speelt al geruime tijd. In 2016 heeft de Huurcommissie toegestaan dat de huur van verzoekster verhoogd werd, welke uitspraak door de kantonrechter is bekrachtigd. Bij (verbeterd) vonnis van 8 november 2018 heeft de kantonrechter de ontruiming van de woning door verzoekster bevolen.
De rechtbank overweegt als volgt. De schuldsaneringsregeling strekt ertoe tegen te gaan dat een natuurlijke persoon die in een problematische financiële situatie terecht is gekomen, tot in lengte van jaren met zijn schulden kan worden achtervolgd. Zoals verzoekster zelf ook onderschrijft, is haar verzoek niet zozeer ingegeven door een problematische schuldenlast – daarvan is immers geen sprake – maar is dit vooral erop gericht ervoor te zorgen dat zij (voorlopig) in haar woning kan blijven. Zou het verzoek worden toegewezen, dan wordt de schuldsaneringsregeling dus gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die regeling is bedoeld (in het midden kan blijven of dit daartoe een geschikt middel is).
De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.
De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.M. van Hassel en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2019.
Formele aspecten
Eerder verzoek afgewezen
Verzoek(st)er heeft eerder een verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling gedaan dat bij onherroepelijk vonnis van deze rechtbank van ***datum*** is afgewezen. Omdat niet is gebleken van nadien gewijzigde omstandigheden bestaat geen aanleiding voor een andere beoordeling van het verzoek dan destijds gegeven. Ook het tijdsverloop geeft geen aanleiding voor een andere beoordeling. Het verzoek behoort daarom op dezelfde gronden te worden afgewezen.
Goede trouw en ontstaan schulden (art 288 lid 1 sub b Fw)
Fraudeschulden
De rechtbank stelt vast dat verzoek(st)er een schuld aan de Sociale Dienst/Belastingdienst/UWV heeft laten ontstaan. Het terugvorderingsbesluit/de belastingaanslag dateert van *** en heeft betrekking op de periode ***. Het gaat om een schuld van in totaal € ***. Ten aanzien van het ontstaan van die schuld is verzoek(st)er niet te goeder trouw geweest, want *** (reden: bijvoorbeeld reden terugvordering of belastingschuld ambtshalve opgelegd). Gelet daarop en gezien de omvang van deze schuld(en), ook ten opzichte van de totale schuldenlast, dient het verzoek op grond van artikel 288 lid 1 sub b Fw te worden afgewezen.
Omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot toepassing van art. 288 lid 3 Fw zijn niet aangevoerd of gebleken.
CJIB
De rechtbank stelt vast dat verzoek(st)er een schuld aan het CJIB heeft. Blijkens het ambtshalve bij het CJIB opgevraagde overzicht van openstaande vorderingen per *** bedraagt de schuld in totaal € ***. De vorderingen zijn ontstaan in de periode van *** tot en met ***.1 Ten aanzien van het ontstaan van die schulden is verzoeker niet te goeder trouw geweest. Gelet op de omvang van deze schuld, ook ten opzichte van de totale schuldenlast, dient het verzoek op grond van artikel 288 lid 1 sub b Fw te worden afgewezen.
Omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot toepassing van art. 288 lid 3 Fw zijn niet aangevoerd of gebleken.
Overbesteding
De rechtbank stelt vast dat (een deel van) de schulden is ontstaan als gevolg van overbesteding. Daaronder verstaat de rechtbank schulden waarvan het aangaan niet strikt noodzakelijk is en waarvan verzoek(st)er op het moment van aangaan wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat hij/zij niet in staat zou zijn om deze te financieren. Onvoldoende aannemelijk is dat verzoek(st)er ten aanzien van het ontstaan van die schulden te goeder trouw is geweest. Deze schulden zijn ontstaan in de periode van *** tot en met ***. Gelet op de omvang van deze schulden, ook ten opzichte van de totale schuldenlast, dient het verzoek op grond van artikel 288 lid 1 sub b Fw te worden afgewezen.
Omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot toepassing van art. 288 lid 3 Fw zijn niet aangevoerd of gebleken.
Recente schulden
De rechtbank stelt vast dat verzoek(st)er na het begin van het minnelijk traject schulden heeft laten ontstaan waarvan het aangaan niet strikt noodzakelijk was en waarvan verzoek(st)er op het moment van aangaan wist of had moeten begrijpen dat hij/zij niet in staat zou zijn om deze te financieren. Daarmee is het aannemelijk dat verzoek(st)er ten aanzien van het ontstaan van die schulden niet te goeder trouw is geweest. Gelet daarop en gezien de omvang van deze schulden, ook ten opzichte van de totale schuldenlast, dient het verzoek op grond van artikel 288 lid 1 sub b Fw te worden afgewezen.
Omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot toepassing van art. 288 lid 3 Fw zijn niet aangevoerd of gebleken.
Niet aan de verplichtingen kunnen voldoen (art 288 lid 1 sub c Fw)
Ontoereikende inkomsten
De rechtbank stelt vast dat verzoek(st)er over onvoldoende inkomsten beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Hierdoor is onvoldoende aannemelijk dat verzoek(st)er in staat zal zijn om zijn/haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen geen nieuwe schulden te laten ontstaan, naar behoren na te komen. Daarom dient het verzoek thans op grond van artikel 288 lid 1 sub c Fw te worden afgewezen. Zodra de financiële situatie van verzoek(st)er is verbeterd, kan opnieuw een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling worden ingediend.
Verslaving
Gebleken is dat verzoek(st)er ernstig gok/drugs/alcohol-verslaafd is of is geweest. Die verslaving vormt (een deel van) de oorzaak van de problematische schuldenpositie waarin verzoek(st)er zich bevindt. Doordat thans niet gebleken is dat verzoek(st)er zijn/haar verslaving gedurende enige tijd onder bedwang heeft en dat de kans op terugval beperkt zal zijn, is onvoldoende aannemelijk dat verzoek(st)er in staat zal zijn om zijn/haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren na te komen. Daarom dient het verzoek thans op grond van artikel 288 lid 1 sub c Fw te worden afgewezen.
Psychische problemen
Gebleken is dat verzoek(st)er ernstige psychische problemen heeft. Die problemen vormen (een deel van) de oorzaak van de problematische schuldenpositie waarin verzoek(st)er zich bevindt. Doordat thans niet is gebleken dat verzoek(st)er onder duurzame psychische begeleiding staat, is onvoldoende aannemelijk dat verzoek(st)er in staat zal zijn om zijn/haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren na te komen. Daarom dient het verzoek thans op grond van artikel 288 lid 1 sub c Fw te worden afgewezen. Zodra verzoek(st)er door een verklaring van een hulpverlenende instantie aannemelijk kan maken dat hij/zij zijn/haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen kan nakomen, kan opnieuw een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling worden ingediend.
Zwervend bestaan
Gebleken is dat verzoek(st)er dakloos is, geen vast inkomen heeft en een zwervend bestaan leidt. Hierdoor is onvoldoende aannemelijk dat verzoek(st)er in staat zal zijn om zijn/haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren na te komen. Daarom dient het verzoek thans op grond van artikel 288 lid 1 sub c Fw te worden afgewezen. Zodra de situatie van verzoek(st)er is verbeterd, kan opnieuw een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling worden ingediend.
Weigering budgetbeheer
Gebleken is dat verzoek(st)er thans niet in staat is om zijn/haar financiën te beheren en niet bereid is om budgetbeheer te aanvaarden. Hierdoor is onvoldoende aannemelijk dat verzoek(st)er zijn/haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen. Daarom dient het verzoek thans op grond van artikel 288 lid 1 sub c te worden afgewezen. Zodra verzoek(st)er budgetbeheer heeft aanvaard of voldoende aannemelijk kan maken dat hij/zij in staat is om zijn/haar financiën zelf te beheren, kan opnieuw een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling worden ingediend.
Weigering betaalde arbeid
Verzoek(st)er heeft geen werk. Uit het besprokene ter terechtzitting leidt de rechtbank af dat verzoek(st)er onvoldoende gemotiveerd is om betaald werk te verrichten of te solliciteren naar betaald werk. Hierdoor is onvoldoende aannemelijk dat verzoek(st)er zijn/haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichting om zich maximaal in te spannen om zijn/haar inkomen te vergroten door het verrichten van betaalde arbeid, naar behoren zal nakomen. Daarom dient het verzoek thans op grond van artikel 288 lid 1 sub c Fw te worden afgewezen. Zodra verzoek(st)er werk heeft aanvaard of voldoende aannemelijk kan maken dat hij/zij gemotiveerd is om zich maximaal in te spannen om werk te vinden, kan opnieuw een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling worden ingediend.
Samenwerking met de bewindvoerder
Uit de stukken en het besprokene ter zitting leidt de rechtbank af dat verzoek(st)er onvoldoende gemotiveerd is om samen te werken met een te benoemen bewindvoerder en zich te houden aan de verplichtingen die daarmee samenhangen. Hierdoor is onvoldoende aannemelijk dat verzoek(st)er zijn/haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen. Daarom dient het verzoek thans op grond van artikel 288 lid 1 sub c Fw te worden afgewezen. Zodra verzoek(st)er voldoende aannemelijk kan maken dat hij/zij gemotiveerd is om zich aan de verplichtingen van de regeling te houden, kan opnieuw een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling worden ingediend.
Ontbreken verblijfsvergunning
De rechtbank stelt vast dat verzoek(st)er niet beschikt over een verblijfsvergunning op grond waarvan hij/zij onbeperkt toegang tot de arbeidsmarkt heeft. Daardoor kan hij/zij zijn/haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichting om zich maximaal in te spannen om zijn/haar inkomen te vergroten door het verrichten van betaalde arbeid, niet naar behoren nakomen. Daarom dient het verzoek thans op grond van artikel 288 lid 1 sub c Fw te worden afgewezen.
2x niet verschenen
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van verzoek(st)er moet worden afgewezen. Verzoek(st)er is immers twee keer, zonder tegenbericht, niet ter zitting verschenen. Dat brengt mee dat zij/hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij/hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar/zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop de verzoekschriften zijn ingediend. Bovendien heeft verzoek(st)er door niet te verschijnen niet aannemelijk gemaakt dat zij/hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Daarom dient het verzoek thans op grond van artikel 288 lid 1 sub b en c Fw te worden afgewezen.
Imperatieve afwijzingsgronden (art 288 lid 2 Fw), NB afwijking van sub c wel mogelijk zie art. 288 lid 3 Fw
Schulden die voortvloeien uit een misdrijf (art. 288 lid 2 sub c Fw).
Uit de stukken en het besprokene ter zitting is gebleken dat verzoek(st)er schulden heeft welke voortvloeien uit een onherroepelijke veroordeling d.d. *** ter zake van een misdrijf. Deze veroordeling is onherroepelijk geworden binnen vijf jaar voor de dag van indiening van het verzoekschrift.
Gelet op het bepaalde in art. 288 lid 2 sub c dient het verzoek te worden afgewezen.
Omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot toepassing van art. 288 lid 3 Fw zijn niet gesteld of gebleken.
Eerder in de WSNP gezeten (art. 288 lid 2 sub d Fw).
Uit de stukken en het besprokene ter zitting is gebleken dat ten aanzien van verzoek(st)er eerder de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest, te weten in de periode van *** tot ***. Laatstgenoemde datum is gelegen binnen tien jaar voor de dag van indiening van het verzoekschrift. Deze eerdere schuldsanering is niet beëindigd op grond van artikel 350 lid 3 sub a of b Fw, en evenmin op grond van artikel 350 lid 3 sub d Fw om redenen die schuldenaar niet waren toe te rekenen. Gelet op het bepaalde in art. 288 lid 2 sub d Fw dient het verzoek te worden afgewezen.