Civiel recht overig

Kort geding. De vordering tot ontruiming vanwege een huurachterstand wordt toegewezen. Van belang is dat…

Rechtbank Amsterdam, 15 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 15 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
15 oktober 2026
Datum publicatie
16 oktober 2026
Zaaknummer
12378344 \ KK EXPL 26-568
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:10194
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kort geding. De vordering tot ontruiming vanwege een huurachterstand wordt toegewezen. Van belang is dat huurder heeft verklaard al bezig te zijn met het regelen van vervangende woonruimte en dat dit naar verwachting geen probleem voor zijn minderjarige kind zal opleveren. Artikel 3 lid 1 IVRK.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 12378344 \ KK EXPL 26-568

Vonnis in kort geding van 15 oktober 2026

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. G.M.S. Janssen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling van 29 september 2026
- de aanhouding ten behoeve van [gedaagde]
- de voortzetting van de mondelinge behandeling op 8 oktober 2026.

2 De uitgangspunten

2.1.

[eiser] verhuurt sedert december 2022 aan [gedaagde] de gemeubileerde woning aan de [adres] , hierna het gehuurde. De huur bedraagt laatstelijk € 2.240,00 per maand.

2.2.

[gedaagde] heeft vanaf februari 2026 een huurachterstand laten ontstaan. [eiser] en zijn gemachtigde hebben [gedaagde] meermalen aangeschreven en [gedaagde] verzocht om tot betaling over te gaan.

2.3.

[gedaagde] heeft aan [eiser] meegedeeld dat hij er bezwaar tegen heeft dat zijn gegevens worden doorgegeven aan de gemeente.

2.4.

[eiser] heeft [gedaagde] ook verzocht om de aanslag waterschapsbelasting van
€ 192,04 en de aanslag gemeentebelasting van € 136,96 aan hem te voldoen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - ontruiming van het gehuurde en betaling door [gedaagde] van € 15.680,00 aan huurachterstand, vermeerderd met de beide belastingen en vermeerderd met € 126,60 aan wettelijke rente, waarop € 2.800,00 aan contante betaling in mindering strekt, zodat € 13.335,60 resteert. Verder vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

3.2.

[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] betaalt de huur al geruime tijd niet. In het verleden is er ook al een huurachterstand geweest. Die heeft [gedaagde] weliswaar ingelopen, maar nu is er weer een dermate grote huurachterstand ontstaan dat ontruiming op zijn plaats is. [eiser] heeft de woning aan [gedaagde] verhuurd, nadat hij een nieuwe woning had gekocht. Hij wil deze woning verkopen. Hij kan niet als handelaar worden aangemerkt. Door de dubbele woonlasten en het niet betalen van de huur door [gedaagde] , komt hij in financiële problemen. Hij is door de bank inmiddels al aangesproken op een achterstand in betaling, zodat hij een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde ontruiming, aldus [eiser] .

3.3.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] voert het volgende aan. Het klopt dat hij een huurachterstand heeft. Hij heeft echter een bedrag van € 30.000,00 contant aan [eiser] betaald en dat bedrag wil hij terug. Partijen hadden de afspraak gemaakt dat hij het gehuurde van [eiser] zou kopen en in dat kader heeft hij deze aanbetaling gedaan. De koop van het gehuurde ging niet door en daarom wil hij het betaalde bedrag terug. Hij woont in het gehuurde met zijn echtgenote, zijn zoon van dertien jaar en een dochter van 22 jaar. [gedaagde] heeft een termijn van twee maanden nodig om een nieuwe woning te vinden.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.

4.2.

Voorop staat dat [eiser] in dit geding niet als handelaar in de zin van de consumentenrichtlijn wordt aangemerkt, nu onbestreden is gebleven dat het gehuurde eenmalig is verhuurd en daarmee aannemelijk is geworden dat door [eiser] niet is gehandeld in het kader van zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit.

4.3.

De hoogte van de huurachterstand, ruim zes maanden, is door [gedaagde] niet bestreden. Weliswaar heeft [gedaagde] ter terechtzitting verklaard dat hij nog € 30.000,00 van [eiser] tegoed heeft, het bestaan van deze vordering is in dit geding niet aannemelijk geworden. Deze vordering zou samenhangen met beweerdelijke contante betalingen die door [gedaagde] gedaan zouden zijn in het kader van de gewenste aankoop van het gehuurde door [gedaagde] . [eiser] heeft deze vordering gemotiveerd heeft bestreden. Vervolgens is door [gedaagde] geen stuk ter onderbouwing van de betalingen ingebracht. In de stukken die wel aanwezig zijn, in het bijzonder de tussen partijen gevoerde Whatsapp gespreken van de afgelopen maanden, is geen enkele verwijzing naar een nog openstaand bedrag van [eiser] aan [gedaagde] genoemd. [gedaagde] erkent daarin wel volledig het bestaan van de huurachterstand en hij zegt toe deze volledig te zullen voldoen. Daarmee is het bestaan van een verrekenbare tegenvordering van [gedaagde] in dit geding niet aannemelijk geworden.

4.4.

De omvang van de huurachterstand rechtvaardigt in de bodemprocedure een ontbinding van de huurovereenkomst. De vraag is of vooruitlopen daarop in dit kort geding aangewezen is. Daarbij wordt daarbij in aanmerking genomen dat [gedaagde] heeft verklaard dat hij in het gehuurde woont met een minderjarige zoon. Artikel 3 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK) brengt dan mee dat in geschillen die onder de reikwijdte van die bepaling vallen (“maatregelen betreffende kinderen”), bijzonder gewicht dient te worden toegekend aan de belangen van het kind in kwestie. Uit de tekst van artikel 3 lid 1 IVRK (“de eerste overweging vormen”, “shall be a primary consideration”) volgt niet dat de belangen van het kind bij iedere maatregel die hem betreffen, doorslaggevend zijn. Wel volgt daaruit dat aan die belangen een bijzonder gewicht toekomt in verhouding tot andere bij die maatregelen betrokken belangen. De belangen van het kind moeten op een ander niveau gesteld worden dan alle overige belangen. Als de belangen van het kind conflicteren met de belangen van anderen, moeten alle belangen zorgvuldig tegen elkaar worden afgewogen en moet voor ogen worden gehouden dat “het recht van het kind om zijn belangen de eerste overweging te laten zijn inhoudt dat deze belangen een hoge prioriteit hebben en niet slechts een van verschillende overwegingen zijn” In een procedure tot ontruiming van een woning behoort tot de relevante omstandigheden van het geval of er kinderen in de te ontruimen woning wonen. Als dat zo is, brengt artikel 3 lid 1 IVRK mee dat de belangen van deze kinderen in kaart moeten worden gebracht en bij de beoordeling of de tekortkoming van de huurder ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt, als ‘eerste overweging’ in aanmerking moeten worden genomen. Dat betekent niet dat, indien het in het belang van de betrokken kinderen is dat zij in het gehuurde kunnen blijven wonen, een ontruimingsvordering steeds moet worden afgewezen, maar wel dat die belangen bijzonder gewicht in de schaal leggen.

4.5.

Het bovenstaande in aanmerking genomen is de gevorderde ontruiming desondanks toewijsbaar. Daarbij komt een ontruimingstermijn als na te melden redelijk voor. De ruimere door [gedaagde] gevraagde termijn wordt niet gevolgd. Door [gedaagde] is ter terechtzitting verklaard dat hij al bezig is met het regelen van vervangende woonruimte en dat dit naar verwachting geen probleem voor de minderjarige zal opleveren. Anderzijds is door [eiser] verklaard dat hij op dit moment dubbele lasten heeft en het niet ontvangen van de huur van het gehuurde nu al problemen heeft opgeleverd met de bank. Bij deze afweging speelt ook mee dat een langere ontruimingstermijn ook niet aangewezen is, nu door [gedaagde] de afgelopen maanden geen enkele huurbetaling is gedaan en hij ook niet bereid is met hulpverlening naar een oplossing te zoeken, waardoor ook geen concreet uitzicht wordt geboden voor een betaling van de huurachterstand.

4.6.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

153,01

- griffierecht

€

753,00

- salaris gemachtigde

€

577,00

- nakosten

€

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.627,01

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiser] ,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan [eiser] :

a. a) € 13.335,60 aan achterstallige huur tot en met 30 september 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, te rekenen vanaf de datum van de dagvaarding tot de dag van voldoening,

b) € 2.240,00 per maand vanaf 1 oktober 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.627,01, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2026.

515