Civiel recht overig

Verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Het betreft een verzoek tot wraking dat is gedaan nadat einduitspraak is…

Rechtbank Amsterdam, 28 november 2018

Zaakgegevens

Op 28 november 2018 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
28 november 2018
Datum publicatie
18 april 2019
Zaaknummer
C/13/657342 / HA RK 18/370
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2018:10017
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Het betreft een verzoek tot wraking dat is gedaan nadat einduitspraak is gedaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beslissing op het op het bij brief van 16 november 2018 schriftelijke gedane en onder rekestnummer C/13/657342 / HA RK 18/370 ingeschreven verzoek van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. A.W.J. Ros, kantonrechter, hierna: de rechter.

1 Verloop van de procedure

De Wrakingskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • het door verzoeker bij brief van 16 november 2018 ingediende verzoek tot wraking met als bijlage een brief van de griffier in de zaak met nummer CV EXPL 18-4413;

  • een brief d.d. 21 september 2018 van de advocaat van de wederpartij van verzoeker in dezelfde zaak;

  • een brief van de griffier van de rechtbank d.d. 27 september 2018 in reactie daarop.

2 De feiten

2.1.

Bij de rechtbank zijn onder zaaknummers CV EXPL 18-4413 en CV EXPL 18-3033 twee procedures aanhangig, waarbij verzoeker optreedt als eisende partij.

2.2.

Uit de roladministratie blijkt dat in de zaak met nummer CV 18-4413 pleidooi is bepaald op 15 januari 2019 en de zaak met nummer CV EXPL 18-3033 op de rol van 29 november 2018 staat voor het nemen van een conclusie van dupliek.

3 De ontvankelijkheid van het verzoek

3.1.

In artikel 36 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering is bepaald dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt, op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.2.

Uit de wet en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat een verzoeker concrete feiten en omstandigheden dient aan te voeren waaruit volgt dat de rechter jegens een partij vooringenomen is, of dat de vrees van een partij dat er sprake is van een dergelijke vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Alle feiten en omstandigheden moeten tegelijk - in het verzoek - worden voorgedragen.

3.3.

Het verzoek berust op de stelling dat nu beide zaken zijn samengevoegd, de rechter pas op 29 november 2018 kan beslissen wat de verdere voortgang is in beide zaken. Het is volgens klager mogelijk dat een verdere schriftelijke ronde wordt ingelast.

3.4.

Het verzoek berust op de (onjuiste) veronderstelling dat de zaken gevoegd zijn op een wettelijke grondslag. Zoals blijkt uit de brief van de rechtbank van 27 september 2018, is geen sprake is van voeging als bedoeld in artikel 222 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), doch slechts van een rolvoeging, waarbij de zaken alleen administratief aan elkaar gekoppeld blijven zolang zij gelijk oplopen. Dat betekent dat in de zaak die eerder afgeconcludeerd is, desgewenst eerder vonnis kan worden gevraagd. Van enige inhoudelijke bemoeienis van de rechter bij deze beslissing, laat staan van een daaruit blijkende vooringenomenheid jegens verzoeker, is geen sprake. Nu het verzoek op een onjuiste feitelijke basis berust (en overigens ook geen deugdelijke grond bevat) kan een mondelinge behandeling achterwege blijven.

3.7.

Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Wrakingskamer:

? verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking;

? bepaalt dat de procedures geregistreerd onder zaaknummer CV EXPL 18-4413 en CV EXPL 18-3033 worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevonden op het moment dat het wrakingverzoek werd ingediend.

Aldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, M.V. Ulrici en P.B. Martens, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 november 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.