Verbintenissenrecht
Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. Dienstverlening bezwaar- en beroepsprocedure…
Rechtbank Amsterdam, 29 september 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10142 · Rechtbank Amsterdam · 29 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/civiel-recht/verbintenissenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbams-2026-10142
Zaakgegevens
Op 29 september 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 29 september 2026
- Datum publicatie
- 14 oktober 2026
- Zaaknummer
- 11873945 \ CV EXPL 25-12405
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:10142
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. Dienstverlening bezwaar- en beroepsprocedure verkeersovertreding. Overeengekomen toegekende proceskosten over te maken. Overeenkomst op afstand. Meerdere essentiële informatieplichten geschonden. Sanctie gedeeltelijke vernietiging overeenkomst, vermindering betalingsverplichting met 60%.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11873945 \ CV EXPL 25-12405
Vonnis van 29 september 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
FORTITUDO LEGAL CONCEPTS B.V.,
gevestigd te Zoetermeer,
eisende partij,
gemachtigde: nl.legal LLP,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
niet verschenen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 september 2025, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De beoordeling
Eisende partij vordert, kort gezegd, veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 312,00 aan hoofdsom, vermeerderd met rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
Eisende partij stelt, kort gezegd, in opdracht en ten behoeve van gedaagde partij diensten heeft verleend bij het voeren van een bezwaar- en/of beroepsprocedure in het kader van een verkeersovertreding. De overeenkomst is online, via de website verkeersboete.nl gesloten. Overeengekomen is dat gedaagde partij de toegekende proceskosten aan eisende partij zou overmaken, maar gedaagde partij heeft dat nagelaten.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
Gelet op de gestelde wijze van totstandkoming van de overeenkomst, is sprake van een overeenkomst op afstand, zodat moet worden getoetst of is voldaan aan de informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (BW). Als essentiële informatie niet op duidelijke en begrijpelijke wijze is verstrekt, moet daarvoor een sanctie worden opgelegd (ECLI:NL:HR:2021:1677). Eisende partij stelt aan de wettelijke informatieplichten te hebben voldaan en verwijst naar schermafdrukken van het online aanmeldproces ter onderbouwing.
Op grond van het gestelde en de overgelegde stukken kan niet worden vastgesteld dat eisende partij gedaagde partij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst op duidelijke en begrijpelijke wijze heeft geïnformeerd over:
-
de voornaamste kernmerken van de diensten,
-
de identiteit en adresgegevens van de handelaar,
-
de wijze van betaling,
-
de opzeggingsvoorwaarden,
-
het ontbindingsrecht, de voorwaarden voor de uitoefening van dat recht en verstrekking van het modelformulier.
Weliswaar is voornoemde informatie vindbaar op de website van eisende partij, maar tijdens het aanmeldproces wordt gedaagde partij niet langs deze informatie geleid. Gedaagde partij moet daar dus zelf naar op zoek gaan. De informatie wordt dus niet op duidelijke en begrijpelijke wijze onder ogen gebracht.
Ook is niet voldaan aan de informatieplicht als bedoeld in artikel 6:230v lid 3 BW. Het aanmeldproces wordt afgesloten met het klikken op een knop waarop staat ‘Bestelling plaatsen’. Uit die bewoording volgt niet dat een betalingsverplichting wordt aangegaan.
In de bevestiging van de opdracht staat wel alle essentiële informatie.
De geschonden essentiële informatieplichten zullen worden gesanctioneerd overeenkomstig de richtlijn sanctiemodel voor essentiële informatieplichten. Deze sanctie houdt in, kort gezegd, gedeeltelijke vernietiging van de betalingsverplichting van gedaagde partij met in dit geval 60%.
Naast de informatieplichten moet ook worden getoetst aan de richtlijn. De gevorderde hoofdsom is gebaseerd op een prijsbeding, dat ziet op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst. Ambtshalve toetsing van die bedingen is ingevolge artikel 4 lid 2 van de richtlijn alleen aan de orde als deze niet duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Nu het onderhavige beding duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd, is verdere toetsing aan de richtlijn niet aan de orde.
Het voorgaande leidt tot toewijzing van 40% van de gevorderde hoofdsom. Dat komt neer op een bedrag van € 124,80.
Eisende partij maakt aanspraak op wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) moet de kantonrechter, ook als eisende partij zich in de procedure niet beroept op een bepaald beding in de overeenkomst, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding in de voorwaarden waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan ingevolge deze arresten geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet haar vordering op dit punt worden afgewezen.
In de algemene voorwaarden staat geen beding met betrekking tot rente en proceskosten, zodat eisende partij zich daarvoor rechtsgeldig op de wet kan beroepen. Wel staat er een beding met betrekking tot buitengerechtelijke kosten in artikel 7 van de algemene voorwaarden. Nu dat artikel bepaalt dat incassokosten verschuldigd worden conform het bepaalde in artikel 6:96 BW, is dit beding niet oneerlijk.
Nu een lagere hoofdsom toewijsbaar is dan gevorderd, is de wettelijke rente berekend over een te hoog bedrag. De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf de datum van verzuim. Deze datum is in de dagvaarding gesteld (4 november 2024).
Voor wat betreft de buitengerechtelijke incassokosten voldoet de overgelegde aanmaning aan de wettelijke vereisten. Nu een lager bedrag aan hoofdsom is toegewezen dan gevorderd, worden de buitengerechtelijke kosten gematigd naar het bedrag dat op grond van het Besluit vergoeding van buitengerechtelijke kosten verschuldigd is bij een hoofdsom van € 124,80. Daarom wordt € 40,00 toegewezen. Het meerdere wordt afgewezen.
Met afwijzing van het overgrote gedeelte van de vordering zijn partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk gesteld. Dat geeft de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren.
3 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt gedaagde partij tot betaling aan eisende partij van:
-
€ 124,80 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 november 2024 tot de dag van de voldoening,
-
€ 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten,
compenseert de proceskosten en bepaalt dat partijen ieder hun eigen kosten dragen,
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Wesdorp en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.
991