Verbintenissenrecht
Effectenlease. Eega-zaak. Erfgenamen deels niet-ontvankelijk in hun vorderingen.
Rechtbank Amsterdam, 24 september 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10437 · Rechtbank Amsterdam · 24 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/civiel-recht/verbintenissenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbams-2026-10437
Zaakgegevens
Op 24 september 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 24 september 2026
- Datum publicatie
- 25 oktober 2026
- Zaaknummer
- 12214912 \ CV EXPL 26-6407
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:10437
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Effectenlease. Eega-zaak. Erfgenamen deels niet-ontvankelijk in hun vorderingen.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Privaatrecht
Zaaknummer: 12214912 \ CV EXPL 26-6407
Vonnis van de kantonrechter van 24 september 2026
in de zaak van:
1 [eiser 1],
2. [eiser 2],
beiden wonende te [woonplaats 1], gemeente [gemeente],
3. [eiser 3],
wonende te [woonplaats 2],
allen te dezen handelende ten behoeve van de gemeenschap, in hoedanigheid van wettelijk erfgenaam van [eega],
eisers,
hierna gezamenlijk te noemen: [eisers], en afzonderlijk [eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3],
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces),
tegen
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
hierna te noemen: Dexia,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding met bijlagen van 29 april 2026 van [eisers];
-
de conclusie van antwoord met bijlagen van Dexia;
-
de conclusie van repliek met bijlagen van [eisers];
-
de conclusie van dupliek met bijlage van Dexia.
Hierna is vonnis bepaald.
2 De feiten
[eiser 1] (hierna: Contractant) heeft de volgende leaseovereenkomsten (hierna: de overeenkomsten) ondertekend met als wederpartij (de rechtsvoorganger van) Dexia:
|
Nr. |
Contractnr. |
Datum |
Naam overeenkomst |
|
I. |
[nummer 1] |
20 oktober 2000 |
WinstVer10Dubbelaar |
|
II. |
[nummer 2] |
3 november 2000 |
WinstVer10Dubbelaar |
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
|
Nr. |
Datum eindafrekening |
Resultaat |
Betaald |
|
I. |
24 april 2007 |
- € 2.301,20 |
Deels: € 767,07 |
|
II |
14 maart 2006 |
- € 2.569,11 |
Deels: € 856,37 |
Volgens opgave van Dexia heeft Contractant op grond van de overeenkomsten – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 8.236,59 aan maandtermijnen en een bedrag van € 1.623,44 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft Contractant geen bedrag aan dividenden ontvangen.
[eega] (hierna: eega) was ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten gehuwd met Contractant. Eega heeft Contractant geen schriftelijke toestemming verleend voor het aangaan van deze overeenkomsten.
Bij brief van 8 augustus 2005 (hierna: de vernietigingsbrief) heeft eega een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van de overeenkomsten als bedoeld in artikel 1:89 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
3 De vorderingen en het verweer
[eisers] vorderen bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
-
te verklaren voor recht dat de overeenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd en Dexia te veroordelen om al hetgeen door Contractant krachtens de overeenkomsten aan Dexia is betaald, aan [eisers] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na de sommatiebrief, althans subsidiair vanaf de door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum tot aan de dag der voldoening;
-
Dexia te veroordelen in de kosten van het geding.
Dexia betwist de vorderingen van [eisers] Zij stelt zich op het standpunt dat de vordering uit onverschuldigde betaling van [eisers] is verjaard.
Op de stellingen en verweren van partijen zal, voor zover nodig, hierna nader worden ingegaan.
4 De beoordeling
Ontvankelijkheid
Dexia voert aan dat [eiser 2] en [eiser 3] niet bevoegd zijn om de onderhavige procedure tegen Dexia te voeren. Dexia stelt hiertoe dat uit de door [eisers] overgelegde verklaring van erfrecht van eega volgt dat enkel Contractant beschikkingsbevoegd is over de goederen die behoren tot de nalatenschap van eega.
[eisers] betwisten dit. Zij voeren aan dat het feit dat Contractant als enige beschikkingsbevoegd is niet verhindert dat [eiser 2] en [eiser 3] als deelgenoten op grond van artikel 3:171 BW rechtsvorderingen ten behoeve van de nalatenschap van eega kunnen instellen met de medewerking van Contractant.
De kantonrechter overweegt als volgt. Artikel 3:171 BW bepaalt dat iedere deelgenoot bevoegd is tot het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoeken ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. Dit is slechts anders wanneer een regeling dat zo bepaalt. Zo sluit een regeling die het beheer toekent aan een of meer der deelgenoten, tenzij zij anders bepaalt, deze bevoegdheid voor de andere deelgenoten uit.
Uit de overgelegde verklaring van erfrecht moet worden opgemaakt dat [eiser 2] en [eiser 2] als erfgenamen ieder recht hebben op een derde deel van de nalatenschap, maar evenzeer dat een regeling in bovenbedoelde zin verhindert dat zij bevoegd zijn om vorderingen ten behoeve van de gemeenschap in te stellen. Zo vermeldt de verklaring voor erfrecht onder meer:
“[…] In gemeld testament heeft de overledene voorts haar nalatenschap dusdanig verdeeld, dat alle tot de nalatenschap behorende goederen zijn verkregen door haar echtgenoot […]”
en
“[…] Blijkens het vorenstaande is de heer [eiser 1], voornoemd, als enige gerechtigd tot alle goederen die behoren tot de nalatenschap van de overleden. […] Genoemde heer [eiser 1] is voorts als enige bevoegd om alle tot de nalatenschap behorende vorderingen te innen en om voor die inning kwijting te verlenen. […]”
Uit deze passages volgt dat de bevoegdheid om rechtsvorderingen ten bate van de nalatenschap in te stellen enkel is voorbehouden aan Contractant. De kantonrechter concludeert op basis hiervan dat [eiser 2] en [eiser 3] niet ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen tegen Dexia.
Dit brengt met zich dat de verdere beoordeling in dit vonnis zich toespitst op de rechtsverhouding tussen Contractant, als erfgenaam van eega, en Dexia.
Volmacht
Dexia voert aan dat Leaseproces niet gevolmachtigd is om namens Contractant deze procedure te starten en dat daarom sprake is van een spookprocedure. Dit verweer, wat daar verder ook van zij, wordt verworpen omdat dit te laat, namelijk eerst bij de conclusie van dupliek, is aangevoerd.
Vernietiging
Niet ter discussie staat dat de overeenkomsten op grond van artikel 1:89 BW zijn vernietigd.
Beroep van Dexia op verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling
Dexia stelt dat de door Contractant ingestelde vordering uit onverschuldigde betaling is verjaard, omdat Leaseproces niet gevolmachtigd was om namens eega enige verjaring te stuiten en dat niet (voldoende tijdig) een door Partij aan Leaseproces verleende volmacht voor het verrichten van een stuitingshandeling is overgelegd nadat Dexia de vertegenwoordigingsbevoegdheid van Leaseproces uitdrukkelijk had bestreden.
Contractant heeft bovengenoemde stellingen van Dexia gemotiveerd betwist. Contractant verwijst daarbij naar de opt-out-verklaring uit 2007 en naar de brieven van Leaseproces uit 2009, 2012, 2016 en 2021, in het bijzonder naar de brieven van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016 en 19 oktober 2021 (zie productie K bij conclusie van repliek) voor al haar cliënten (onder wie Contractant) en de eega’s van de betreffende cliënten, waarmee de verjaring van al hun rechten ten aanzien van al hun vorderingen jegens Dexia is gestuit.
Met de verwijzing in de brieven naar de eega’s van de personen die op de bij de brieven gevoegde lijsten bij naam of relatienummer waren vermeld (zoals Contractant), wordt voldaan aan de eisen van een rechtsgeldige stuiting als bedoeld in artikel 3:317 BW. Daarnaast heeft Dexia niet terstond, namelijk onmiddellijk na ontvangst van de brief van 24 januari 2012, om bewijs van de volmacht van Leaseproces gevraagd. Daarna kan op artikel 3:71 lid 1 BW geen beroep meer worden gedaan. Voor een nadere onderbouwing van het voorgaande wordt verwezen naar de arresten van het hof Amsterdam, onder andere die van 11 november 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:3129 en ECLI:NL:GHAMS:2025:3138). Uit die arresten volgt dat het niet relevant is of en op welke wijze Leaseproces voorafgaand aan de brief van 24 januari 2012 gevolmachtigd was, en evenmin of Dexia in haar brief van 31 oktober 2016 de volmacht heeft betwist, zodat de stellingen van Dexia daarover geen bespreking behoeven. Ten slotte is als gevolg van de op het moment van vernietiging van de overeenkomsten reeds aanhangige collectieve procedure de verjaring van de restitutievordering gestuit en wel tot zes maanden nadat het hof Amsterdam in zijn beschikking van 25 januari 2007 de WCAM-overeenkomst verbindend heeft verklaard (zie: HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018 en HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:936). Uit het voorgaande volgt dat de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling tijdig is gestuit en dat betekent dat het daartegen gerichte verjaringsverweer van Dexia wordt verworpen.
De vorderingen van Contractant
Het voorgaande betekent dat de gevorderde verklaring voor recht dat de overeenkomsten zijn vernietigd, toewijsbaar is.
Dexia dient aan Contractant in zijn hoedanigheid van erfgenaam van eega, ter zake van de overeenkomsten te betalen al hetgeen hij ter zake van de overeenkomsten aan Dexia heeft betaald, verminderd met al hetgeen hij ter zake van de overeenkomsten van Dexia heeft ontvangen, zoals uitgekeerde dividenden, overige uitkeringen, opbrengsten en eventueel een reeds ontvangen (gedeeltelijke) schadevergoeding (exclusief wettelijke rente). De betreffende bedragen blijken uit de door Dexia (meest recent) overgelegde financiële gegevens van de onderhavige overeenkomst waarvan de juistheid niet door Contractant is weersproken.
Wettelijke rente en proceskosten
De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf het moment waarop Dexia met de terugbetaling in verzuim was, zijnde het einde van de termijn als genoemd in de (gelijktijdig met de vernietigingsbrief verzonden) sommatiebrief, zijnde 23 augustus 2005. Indien na genoemde datum betalingen zijn verricht door Contractant, dan is de wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag van die betaling.
De gevorderde wettelijke rente ter zake van de overeenkomsten is toewijsbaar als volgt.
Dexia is vanaf de bovengenoemde ingangsdatum wettelijke rente verschuldigd over het saldo van hetgeen aan Dexia is betaald, minus hetgeen van Dexia is ontvangen.
Telkens indien na bovengenoemde ingangsdatum door Dexia een bedrag (exclusief wettelijke rente) is betaald ter zake van de overeenkomsten, is vanaf de datum van die betaling de wettelijke rente verschuldigd over hetgeen na aftrek van dat bedrag (exclusief wettelijke rente) nog door Dexia verschuldigd is.
De wettelijke rente is verschuldigd tot aan de datum van de voldoening van al hetgeen Dexia op grond van de hiervoor onder rechtsoverweging 4.13 bedoelde berekeningswijze verschuldigd is.
Voor zover Dexia in het verleden reeds wettelijke rente heeft voldaan, kan deze in mindering worden gebracht op het totale bedrag aan wettelijke rente dat Dexia op grond van het voorgaande verschuldigd is.
Gelet op de uitkomst van de onderhavige procedure ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten aldus te compenseren, dat iedere partij zijn eigen kosten dient te dragen.
5 De beslissing
De kantonrechter:
verklaart [eiser 2] en [eiser 3] niet-ontvankelijk in hun vorderingen;
verklaart voor recht dat de overeenkomsten zijn vernietigd;
veroordeelt Dexia om aan Contractant ter zake van de overeenkomsten te betalen hetgeen Dexia op grond van de hiervoor in rechtsoverweging 4.13. bedoelde berekening verschuldigd is;
veroordeelt Dexia om aan Contractant te betalen de wettelijke rente die Dexia verschuldigd is ter zake van de overeenkomsten op grond van hetgeen hiervoor is overwogen in rechtsoverweging 4.14. tot en met 4.15.4;
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.