Verbintenissenrecht
Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. Lease van brillen. Niet voldaan aan alle verplichtingen in het…
Rechtbank Amsterdam, 28 augustus 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:8734 · Rechtbank Amsterdam · 28 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/civiel-recht/verbintenissenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbams-2026-8734
Zaakgegevens
Op 28 augustus 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 28 augustus 2026
- Datum publicatie
- 1 september 2026
- Zaaknummer
- 11366914 \ CV EXPL 24-13481
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:8734
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. Lease van brillen. Niet voldaan aan alle verplichtingen in het kader van kredietverstrekking, waaronder de kredietwaardigheidstoets. Ambtshalve vernietiging van de overeenkomsten. Afwijzing vordering.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11366914 \ CV EXPL 24-13481
Vonnis van 28 augustus 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
OGEN B.V., handelende onder de naam IRIS OPTIEK,
gevestigd te 's-Gravenhage,
eisende partij,
hierna te noemen: Ogen,
gemachtigde: Hafkamp Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
niet verschenen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 juli 2026,
- de akte van Ogen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De verdere beoordeling
In voornoemd tussenvonnis is de overeenkomst die aan de vordering ten grondslag ligt gekwalificeerd als een overeenkomst van goederenkrediet. Ogen is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de wijze waarop zij heeft voldaan aan de precontractuele informatieplichten van artikel 7:60 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de kredietwaardigheidstoets. Daarnaast is zij in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de bedingen die ten grondslag liggen aan de afzonderlijke onderdelen van de vordering en een standpunt in te nemen over de (on)eerlijkheid daarvan.
Ogen heeft bij akte aangevoerd, kort gezegd, dat de informatie die is verschaft in de overeenkomst staat. Andere informatie is niet verstrekt, althans dat kan door haar niet worden bewezen. Ogen heeft bij een kredietbureau een toets uitgevoerd met betrekking tot het betaalgedrag van [gedaagde], maar deze toets zegt niets over zijn inkomen en over de vraag of hij de overeenkomst financieel kon dragen. Ogen ging er vanuit dat het niet ging om een goederenkrediet. Ogen refereert zich aan het oordeel van de kantonrechter of al dan niet sprake is van oneerlijkheid van bedingen.
Vastgesteld wordt dat Ogen niet heeft voldaan aan alle verplichtingen in het kader van kredietverstrekking. Zo is niet aan de hand van door [gedaagde] aangeleverde stukken getoetst of hij de overeenkomsten financieel zou kunnen dragen en dus kredietwaardig was. Evenmin is alle informatie als bedoeld in artikel 7:60 BW geruime tijd voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomsten aan [gedaagde] verstrekt.
Dit leidt tot ambtshalve vernietiging van de overeenkomsten, nu Ogen zich ingevolge artikel 7:60 lid 3 BW schuldig heeft gemaakt aan een oneerlijke handelspraktijk.
Door de vernietiging kunnen de overeenkomsten niet meer dienen als grondslag voor de vordering. Een andere grondslag is niet gesteld.
De vordering wordt dan ook afgewezen.
Ogen wordt bij deze uitkomst als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde], die worden begroot op nihil.