Europees strafrecht
overlevering; EAB Duitsland; artikel 7 OLW; artikel 2, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ
Rechtbank Amsterdam, 22 februari 2019
ECLI:NL:RBAMS:2019:1377 · Rechtbank Amsterdam · 22 februari 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/europees-strafrecht/rekestprocedure/ecli-nl-rbams-2019-1377
Zaakgegevens
Op 22 februari 2019 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 22 februari 2019
- Datum publicatie
- 28 februari 2019
- Zaaknummer
- 13/752059-18
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Europees strafrecht
- Procedure
- RekestprocedureRekestprocedureEen procedure die begint met een verzoekschrift (rekest) aan de rechter in plaats van met een dagvaarding.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2019:1377
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
overlevering; EAB Duitsland; artikel 7 OLW; artikel 2, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/752059-18
RK nummer: 18/8454
Datum uitspraak: 22 februari 2019
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 13 december 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 11 juni 2018 door de Staatsanwaltschaft Memmingen (Public Prosecution Office), Duitsland en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Kazachstan) op [geboortedag] 1981,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in het [detentieadres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1 Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 8 februari 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Russische taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Duitse nationaliteit heeft.
3 Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een enforceable judgement van Amtsgericht Neu-Ulm (Neu Ulm Local Court) van 22 april 2013, effective since 12 February 2013 (331 Js 2402/13).
Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot dit vonnis heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog zes maanden min één dag. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de overlevering dient te worden geweigerd. De in het EAB genoemde straf bedraagt zes maanden. Met aftrek van de ondergane overleveringsdetentie resteert voor de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf, wanneer de opgeëiste persoon feitelijk op Duits grondgebied is, minder dan vier maanden. Artikel 7 OLW kan in het licht van het Kaderbesluit EAB zo worden gelezen dat de genoemde vier maanden in dat artikel ziet op de duur van het nog uit te zitten gedeelte van de straf op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw, indien onduidelijkheid bestaat of het EAB op deze grond kan worden geweigerd, om een prejudiciële vraag hierover te stellen.
De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar betoog en overweegt hierover als volgt. Artikel 7, eerste lid en onder b, OLW bepaalt dat overlevering kan worden toegestaan ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van vier maanden of van langere duur, door de opgeëiste persoon op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat te ondergaan. De duur van de opgelegde vrijheidsstraf is doorslaggevend, zo volgt uit artikel 2, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ. De achterliggende gedachte bij dit artikel is geweest dat de overlevering niet voor bagatelfeiten kan worden gevraagd. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat gelet op het voorgaande geen onduidelijkheid bestaat over de uitleg van artikel 7 OLW in het licht van artikel 2, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ. De rechtbank ziet dan ook geen aanknopingspunten voor de visie van de raadsvrouw of aanleiding om daaromtrent een prejudiciële vraag te stellen.
4 Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
mishandeling
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening
5 Onschuldverweer
De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet aangetoond.
De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.
6 Slotsom
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
7 Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 266, 267 en 300 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
8 Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Staatsanwaltschaft Memmingen (Public Prosecution Office) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. E.G. Fels en I.V. Ottens, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 22 februari 2019.
De oudste rechter en jongste rechter zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.