Europees strafrecht
Vervolgings-EAB Estland. OvJ Estland is “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, lid…
Rechtbank Amsterdam, 3 september 2019
ECLI:NL:RBAMS:2019:6582 · Rechtbank Amsterdam · 3 september 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/europees-strafrecht/rekestprocedure/ecli-nl-rbams-2019-6582
Zaakgegevens
Op 3 september 2019 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 3 september 2019
- Datum publicatie
- 5 september 2019
- Zaaknummer
- 13/751540-19
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Europees strafrecht
- Procedure
- RekestprocedureRekestprocedureEen procedure die begint met een verzoekschrift (rekest) aan de rechter in plaats van met een dagvaarding.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2019:6582
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vervolgings-EAB Estland. OvJ Estland is “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, lid 1, van Kaderbesluit 2002/584. Verweer m.b.t. detentieomstandigheden verworpen. Overlevering toegestaan.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751540-19
RK nummer: 19/3942
Datum uitspraak: 3 september 2019
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 27 juni 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 16 januari 2019 door the Office of the Prosecutor General, Republic of Estonia (Estland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Estland) op [geboortedag] 1975,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [plaats detentie] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1 Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 20 augustus 2019. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde raadsvrouw, mr. R.W. van Zanden, advocaat te Hoofddorp.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon is geboren in Estland.
3 Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een Court ruling No. 1-18-10050 van 16 januari 2019 van Tallinn courthouse of Harju County Court, by which [opgeëiste persoon] was taken into custody as a suspect of a criminal offence set out in clause 184 (2) 1) of the Penal Code.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Ests recht strafbaar feit.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
4. Bevoegdheid van the Office of the Prosecutor General tot het uitvaardigen van een EAB
Bij brief van 11 juli 2019 heeft een State Prosecutor het volgende verklaard:
Reference: The Prosecution Office of Estonia as a judicial authority in the context of decisions of the Court of Justice of the European Union in the joined cases C-508/18 and C-82/19 and in case C509/18
According to the Estonian Code of Criminal procedure § 507 (1), in pre-trial proceedings it is the prosecutor’s office which takes the decision to issue an European Arrest Warrant (EAW) and in court proceedings it is the court conducting proceedings regarding a criminal offence which is the basis for an EAW, which takes the decision to issue an EAW. Prosecutor issues an EAW based on a national arrest warrant, which is issued by the court. Ministry of Justice forwards the EAW to the executing state.
Estonian Prosecutor’s Office Act § 1 (1) states that the prosecutor’s office is independent in the performance of its functions arising from law, and it acts pursuant to this Act, other Acts, and legislation issued on the basis thereof. Prosecutor’s Office Act § 2 (2) states that prosecutors shall be independent in the performance of their duties and act only pursuant to law and according to their conscience.
According to Prosecutor’s Office Act § 9 (1), the Ministry of Justice shall exercise supervisory control over the prosecutor’s office. The supervisory control over the prosecutor’s office exercised by the Ministry of Justice does not extend to the activities of the prosecutor’s office in planning of surveillance, pre-trial criminal proceedings and representing of public prosecution in court. Therefore, Estonian national law clearly states that public prosecutors are independent from the executive power.
Any decision or activity of the prosecutor, including issuing of the EAW, can be appealed against according to the Estonian Code of Criminal procedure § 228. This appeal is first adjudicated in the Office of the Prosecutor General and the decision of the Office of the Prosecutor General can be appealed in the county court according to the Code of Criminal Procedure § 230.
Therefore, the prosecutor’s office in Estonia is a judicial authority and Estonian prosecutors’ authority to issue EAWs is not affected by the CJEU’s judgments C-508/18 and C-509/18 and no additional measures will be necessary.
Gelet op deze verklaring is de rechtbank - met de officier van justitie - van oordeel dat de Estse officier van justitie (the Office of the Prosecutor General, Republic of Estonia) voldoet aan de vereisten om als een “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, lid 1, van Kaderbesluit 2002/584 te worden aangemerkt, namelijk de vereisten zoals het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) die heeft omschreven in zijn overwegingen 73, 74 en 75 van het arrest OG en PI.
5 Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar Ests recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.
6 Detentieomstandigheden in de oude Tallinn Prison
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft primair betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd wegens de slechte omstandigheden in de oude Tallinn Prison. Dat is - gelet op de in het EAB genoemde pleegplaats - de gevangenis waar de opgeëiste persoon na een eventuele overlevering hoogstwaarschijnlijk gedetineerd zal worden.
Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de beslissing op het overleveringsverzoek uit te stellen totdat duidelijk is dat de oude Tallinn Prison niet langer in gebruik is.
De raadsvrouw heeft haar standpunt als volgt onderbouwd.
In januari 2014 is - door het CPT - voor het laatst gerapporteerd over de detentieomstandigheden de gevangenissen in Estland. Uit dit rapport blijkt dat de gedetineerden in de oude Tallinn Prison te weinig personal space hadden en dat er sprake was van slechte hygiënische omstandigheden. In 2017 heeft het CPT een nieuw bezoek aan de gevangenissen in Estland gebracht, maar zij heeft hierover nog niet gerapporteerd. Uit informatie op een website blijkt dat de nieuwe Tallinn Prison in 2018 in gebruik is genomen. Het is niet duidelijk of de oude Tallinn Prison op dit moment nog in gebruik is. Deze gevangenis is overbevolkt en voldoet niet aan de richtlijnen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de overlevering kan worden toegestaan.
De rechtbank moet zich bij haar oordeel baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat. Van dergelijke gegevens is in deze zaak geen sprake, nu het CPT-rapport dateert uit 2014.
Oordeel van de rechtbank
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet slaagt. Zij overweegt daartoe het volgende.
In zijn arrest van 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Caldararu, punt 78) heeft het Europese Hof van Justitie vooropgesteld dat het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen.
Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden doen zich voor indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit bewijzen heeft dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. In dat geval moet zij beoordelen of dit gevaar in geval van overlevering voor de opgeëiste persoon aanwezig is. Bij haar oordeel moet zij zich allereerst baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen (Aranyosi en Caldararu, punten 88-89).
De informatie in het CPT-rapport van 21 januari 2014, gebaseerd op bezoeken in de periode van 30 mei 2012 tot 6 juni 2012, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens waaruit blijkt van een reëel gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling. Ambtshalve heeft de rechtbank evenmin kennis van andere bewijzen waaruit een dergelijk algemeen gevaar blijkt.
7 Slotsom
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
8 Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
9 Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Office of the Prosecutor General, Republic of Estonia (Estland).
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. A.W.C.M. van Emmerik en J.H. Beestman, rechters,
in tegenwoordigheid van N.M. van Trijp, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 3 september 2019.
De jongste rechter is buiten staat om deze uitspraak mede te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.