Europees strafrecht
Vervolgings-EAB Kroatië: Tussenuitspraak om de officier van justitie in gelegenheid te stellen een vraag voor…
Rechtbank Amsterdam, 29 september 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10009 · Rechtbank Amsterdam · 29 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/europees-strafrecht/tussenuitspraak/ecli-nl-rbams-2026-10009
Zaakgegevens
Op 29 september 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 29 september 2026
- Datum publicatie
- 12 oktober 2026
- Zaaknummer
- 13-113714-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Europees strafrecht
- Procedure
- TussenuitspraakTussenuitspraakDe rechter beslist nog niet alles, maar neemt een tussenstap, bijvoorbeeld een bewijsopdracht of het inschakelen van een deskundige.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:10009
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vervolgings-EAB Kroatië: Tussenuitspraak om de officier van justitie in gelegenheid te stellen een vraag voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-113714-26
Datum uitspraak: 29 september 2026
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 10 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 31 maart 2026 door the Municipal State Attorney's Office in Rijeka, Kroatië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1 Procesgang
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 15 september 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3 Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een decision issued by the investigation judge of the County Court in Rijeka van 15 december 2025 met kenmerk Kir-882/2025.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Kroatisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
4 Strafbaarheid : feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit niet aangeduid als lijstfeit. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
medeplegen van mishandeling.
5 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden
Inleiding
De rechtbank heeft bij uitspraak van 27 december 2023 op basis van het rapport van 23 november 2023 van The European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (hierna: CPT) aangenomen dat er sprake is van een algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in de Zagreb Remand Prison.
Op 21 juli 2026 heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) daarom onder meer de volgende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
“1. In which prison in Croatia will [de opgeëiste persoon] most probably be detained, should his surrender be authorized?
2. Whether it can be guaranteed that [de opgeëiste persoon] will not be placed in Zagreb Remand Prison.”
Op 23 juli 2026 heet de uitvaardigende justitiële autoriteit hierop als volgt geantwoord:
“Further to your request for additional information regarding the European Arrest Warrant of 31 March 2026, relating to [de opgeëiste persoon] (born on [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats] ), we hereby inform you that (…) upon locating the defendant [de opgeëiste persoon] , he should be taken to the pre-trial detention centre of the Rijeka Prison (Republic of Croatia).”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de gegeven detentiegarantie niet voldoende is om het algemene reële gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen. Er wordt niet uitgesloten dat de opgeëiste persoon in Zagreb Remand Prison terecht zal komen, nu in de garantie staat “should be taken to (…) Rijeka Prison”. Dit is niet hetzelfde is als “will be taken to”. Bovendien is onduidelijk wat de toestand met betrekking tot de detentieomstandigheden in Rijeka prison is, waardoor niet kan worden beoordeeld of het een risico is om de opgeëiste persoon naar Rijeka prison te sturen. De raadsman verzoekt om de behandeling aan te houden en Kroatië in de gelegenheid te stellen om aanvullende informatie te verstrekken. Uit rechtspraak van de rechtbank Amsterdam volgt dat het duidelijk moet zijn dat de opgeëiste persoon in ieder geval niet naar Zagreb Remand Prison gaat.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon is weggenomen met de verstrekte aanvullende informatie van 23 juli 2026. Artikel 11 OLW staat dus niet aan overlevering in de weg. De officier van justitie heeft erop gewezen dat de rechtbank uitsluitend de gevangenis moet onderzoeken waar iemand naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, dus enkel de omstandigheden in Rijeka Prison. Voor die gevangenis geldt geen algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling. Uit rechtspraak van de rechtbank volgt dat het niet nodig is dat de gevangenis in Zagreb expliciet wordt uitgesloten.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat uit de verstrekte informatie van 23 juli 2026 – bezien in het licht van de vraagstelling – blijkt dat de opgeëiste persoon gedurende het voorarrest zal worden geplaatst in de Rijeka Prison. De rechtbank overweegt daarbij allereerst dat ten aanzien van de Rijeka Prison geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens zijn overgelegd waaruit volgt dat in deze instelling sprake is van een algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling. De rechtbank beschikt ook ambtshalve niet over dergelijke gegevens.
De rechtbank wijst op het feit dat de – hiervoor vermelde – expliciete vraag van het IRC over uitsluiting van Zagreb Remand Prison (vraag 2) door de uitvaardigende justitiële autoriteit niet is beantwoord. Het vastgestelde algemene reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in de Zagreb Remand Prison is daarom (nog) niet weggenomen voor de opgeëiste persoon. Dit leidt ertoe dat het onderzoek zal worden heropend en geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vraag voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
- Kan worden uitgesloten dat de opgeëiste persoon wordt overgeplaatst naar de Zagreb Remand Prison, wanneer plaatsing in de Rijeka Prison niet (meer) mogelijk is vanwege uitzonderlijke omstandigheden?
6 Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op een zitting uiterlijk op 15 oktober 2026.
VERLENGT op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 30 dagen (eindigend op 2 november 2026), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de geschorste overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met 30 dagen.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat.
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. D.L.S. Ceulen voorzitter,
mrs. E. van den Brink en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.H. Wisgerhof, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 september 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.