Europees strafrecht
Executie-EAB Letland; verzamelvonnissen; afstand van artikel 12 OLW; tussenuitspraak; artikel 11 OLW…
Rechtbank Amsterdam, 8 oktober 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10394 · Rechtbank Amsterdam · 8 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/europees-strafrecht/tussenuitspraak/ecli-nl-rbams-2026-10394
Zaakgegevens
Op 8 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 8 oktober 2026
- Datum publicatie
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- 13-208416-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Europees strafrecht
- Procedure
- TussenuitspraakTussenuitspraakDe rechter beslist nog niet alles, maar neemt een tussenstap, bijvoorbeeld een bewijsopdracht of het inschakelen van een deskundige.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:10394
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Executie-EAB Letland; verzamelvonnissen; afstand van artikel 12 OLW; tussenuitspraak; artikel 11 OLW: aanhouding i.v.m. vragen over de detentieomstandigheden in Liepaja Prison.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-208416-26
Datum uitspraak: 8 oktober 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 5 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 19 juni 2026 door the Prosecutor General's Office of the Republic of Latvia, Letland, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 2006 te Letland,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
uit anderen hoofde gedetineerd in [detentie-instelling] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1 Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 24 september 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om bij de zitting aanwezig te zijn. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd advocaat, mr. K. Durdu, advocaat in Rotterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Letse nationaliteit heeft.
3 Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt 18 vonnissen die ten grondslag liggen aan het EAB, namelijk:
1. Een vonnis van the Zemgale District Court van 24 april 2023;
2. Een vonnis van the Zemgale District Court van 21 september 2023;
3. Een vonnis van the Zemgale District Court van 10 november 2023;
4. Een vonnis van the Zemgale District Court van 22 januari 2024;
5. Een strafbeschikking van 19 december 2023 van the Prosecutor’s Office of Western Zemgale;
6. Een vonnis van the Zemgale District Court van 15 maart 2024;
7. Een strafbeschikking van 21 februari 2024 van the Prosecutor’s Office of Western Zemgale;
8. Een vonnis van the Zemgale District Court van 10 mei 2024;
9. Een strafbeschikking van the Prosecutor’s Office of Western Zemgale van 22 mei 2024;
10. Een strafbeschikking van 27 juni 2024 van the Prosecutor’s Office of Western Zemgale;
11. Een vonnis van the Zemgale District Court van 30 augustus 2024;
12. Een strafbeschikking van 26 september 2024 van the Prosecutor’s Office of Western Zemgale;
13. Een vonnis van the Zemgale District Court van 12 december 2024;
14. Een vonnis van the Zemgale District Court van 21 november 2024;
15. Een vonnis van the Zemgale District Court van 21 februari 2025;
16. Een vonnis van the Zemgale District Court van 8 april 2025;
17. Een vonnis van the Zemgale District Court van 1 juli 2025;
18. Een omzettingsbeslissing van the Zemgale District Court van 10 december 2025.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar, 1 maand en 21 dagen. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in de hiervoor genoemde vonnissen en hij moet deze straf ondergaan in Letland.
De hiervoor genoemde veroordelingen zien op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van vonnis 1 kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW nu de opgeëiste persoon ondubbelzinnig op de hoogte was van de procedure en stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Voor de vonnissen 2 tot en met 17 is de weigeringsgrond van artikel 12 niet van toepassing omdat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig is geweest bij de zittingen. De omzettingsbeslissing (vonnis 18) hoeft niet aan artikel 12 te worden getoetst nu er geen beoordelingsvrijheid was voor de rechter om de straf om te zetten. Artikel 12 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg.
Oordeel van de rechtbank
De raadsman heeft namens de opgeëiste persoon te kennen gegeven dat hij geen beroep doet op enige weigeringsgrond. Tegen die achtergrond en gelet op het hetgeen in het EAB en in de aanvullende informatie van 9 september 2026 is vermeld, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat overlevering een schending van zijn verdedigingsrechten zou opleveren.
5 Strafbaarheid
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor de feiten een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
Feiten 1, 12, 37, 63 t/m 65 en 67: diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;
Feit 2: diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;
Feiten 3 t/m 11, 13 t/m 36, 38 t/m 57, 59 t/m 61 en 66: diefstal, meermalen gepleegd;
Feit 58: poging tot diefstal;
Feit 62: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
6 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden
Inleiding
In andere zaken die zagen op Letse EAB’s heeft de rechtbank geoordeeld, onder meer in haar uitspraken van 21 februari 2024 en 19 september 2024, dat sprake is van een algemeen reëel gevaar dat gedetineerden in Letland aan een onmenselijke of vernederende behandeling zullen worden blootgesteld. Het algemeen gevaar ziet met name op het bestaan van een informele hiërarchie onder gedetineerden (het ‘kastenstelsel’) in de Letse gevangenissen, met geweld tegen, en een vernederende behandeling van, gedetineerden in de lagere kasten als gevolg.
The European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (hierna: CPT) heeft op 26 februari 2025 wederom een zeer kritisch rapport uitgebracht over Letland, dit keer naar aanleiding van het bezoek dat van 24 tot 31 mei 2024 heeft plaatsgevonden. Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld, geeft dit rapport geen aanleiding om anders te oordelen over het eerder vastgestelde reële gevaar van schending van artikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) voor gedetineerden in Letland.
Op 9 september 2026 heeft the Department of Imprisonment Institutions de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“(…) The Department informs that [de opgeëiste persoon] , if surrendered to the Republic of Latvia, will initially be placed in the Remand [Investigation] Prison Ward of Liepāja Prison. Thereafter, the relocation of the person will be determined in accordance with the criteria set out in the regulatory enactments referred to below in this letter, as well as taking into account the location of the person directing the proceedings. (…)
The arrested persons shall be placed in cells taking into account internal security, and also (as much as possible) individual characteristics and psychological compatibility. Pursuant to Section 11 of the Law, the Head of the Department may transfer an arrested person to another remand [investigation] prison, taking into account medical, security, and crime prevention criteria. With regard to persons sentenced to deprivation of liberty, the criteria for placement and allocation are laid down in the Code. Pursuant to Section 13 of the Code, the placement of convicted persons in a specific prison shall be determined by the Head of the Department taking into account medical, security and crime prevention criteria. Pursuant to Section 13 of the Code, the committee for the allocation of convicted persons established by the order of the head of a prison shall determine in which part, unit and cell of the prison the convicted person shall be placed, considering vacant places in cells, psychological compatibility, health conditions, attitude towards smoking, prior criminal experience of the convicted persons. Also, in prisons, men and women, as well as minors and adults shall be held separately. Convicted persons whose personal characteristics and criminal record negatively affect other convicted persons or who oppress and exploit other convicted persons shall also be segregated. Persons to whom the security measure — arrest — has been applied shall be segregated from convicted persons, except when they agree to communal placement or participation in joint activities and the investigative institution, the Prosecution Office or the court which has the arrested person at the disposal thereof agrees thereto (Section 18(1) and (2) of the Code). (…)
(...) the maximum number of adult prisoners to be allocated in Liepāja prison is 1200. As at 07 september 2026, Liepaja Prison held 506 prisoners. (…)
Having regard to the above and the fact that [de opgeëiste persoon] will initially be placed in the Remand [Investigation] Prison Ward of Liepāja Prison, the Department states that [de opgeëiste persoon] ’ place for sentence serving will be determined in Liepāja Prison. (...)
The Department informs that specific and systemic measures are taken in prisons to prevent violence among prisoners.
The new infrastructure at Liepāja Prison feature small (double-occupancy) cells that significantly reduce the risk of violence and conflict among prisoners. (...)
Thus, the aforementioned measures ensure a comprehensive approach, which includes staff training, enhanced video surveillance, safe accommodation and improved living conditions for the prisoners, in order to prevent violence and other risks described in the CPT report. (...)
In summary, the uninterrupted 24-hour (that is — 24/7) monitoring system combines video surveillance, regular inspections by staff and prompt actions to effectively prevent violence and to ensure the protection of prisoners from inhuman or degrading treatment. (...)
If a prisoner reports a threat, a prison official shall immediately assess the situation and take the necessary protective measures, for example, by relocating the prisoner to another cell or to more safer premises, by enhancing supervision and video surveillance, by conducting an efficient investigation of the situation to identify the source of threat and to prevent recurrence thereof. (…)
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aangegeven dat zijn cliënt zo snel mogelijk naar Letland wil, zodat zijn familie hem dan kan opzoeken. Desalniettemin stelt hij zich - onder verwijzing naar twee uitspraken van deze rechtbank van 10 september 2026 - op het standpunt dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om nadere garanties op te vragen bij de Letse autoriteiten. Aan de Letse autoriteiten moet worden gevraagd of gegarandeerd kan worden dat de opgeëiste persoon tijdens zijn verblijf in Liepāja in zijn cel en in de gemeenschappelijke ruimte niet wordt onderworpen aan de informele hiërarchie. Ook moet worden gevraagd welke maatregelen vanaf zijn binnenkomst worden getroffen om zijn veiligheid te waarborgen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om specifiekere garanties te verkrijgen van de Letse autoriteiten. Het openbaar ministerie heeft op 17 september 2026 nog om een aanvullende garantie gevraagd, maar hier is tot nu toe geen reactie op gekomen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank moet beoordelen of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat ook de opgeëiste persoon na overlevering aan Letland het eerder vastgestelde algemene gevaar zal lopen en dus of er ook een individueel gevaar bestaat dat opgeëiste persoon aan een onmenselijke of vernederende behandeling zal worden blootgesteld. Omdat de voormelde detentiegarantie niet afkomstig is van, noch goedgekeurd is door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit, dient de rechtbank de geboden zekerheid van de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt.
De rechtbank overweegt voorts dat zij gelet op het arrest Generalstaatsanwaltschaft (Detentieomstandigheden in Hongarije) van het Hof van Justitie van de Europese Unie – ook wel het arrest ML genoemd – uitsluitend de detentieomstandigheden dient te onderzoeken in de penitentiaire inrichting(en) waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, mede op tijdelijke of voorlopige basis.
In de aanvullende informatie van 9 september 2026 wordt het volgende vermeld: “(…) the fact that [de opgeëiste persoon] will initially be placed in the Remand [Investigation] Prison Ward of Liepāja Prison, the Department states that [de opgeëiste persoon] ’ place for sentence serving will be determined in Liepāja Prison”. Vervolgens wordt informatie verstrekt over de verschillende regels die gelden voor de plaatsing van een gedetineerde in een bepaalde instelling. Als gevolg hiervan is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende duidelijk is of de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid in Liepāja Prison wordt geplaats als de overlevering wordt toegestaan of dat dit slechts een tijdelijke plaatsing betreft van korte duur in afwachting van een definitieve plaatsing in een andere instelling. De rechtbank acht daarbij van belang dat in de aangehaalde zin wordt gesproken over plaatsing van de opgeëiste persoon in de ‘Remand (Investigation) Prison Section’ terwijl de overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een reeds opgelegde gevangenisstraf.
In verband met het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om aanvullende vragen te stellen over de detentieomstandigheden. De rechtbank verzoekt dan ook de officier van justitie om de volgende aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
A. In de aanvullende informatie van 9 september 2026 wordt het volgende vermeld: “(…) the fact that [de opgeëiste persoon] will initially be placed in the Remand [Investigation] Prison Ward of Liepāja Prison, the Department states that [de opgeëiste persoon] ’ place for sentence serving will be determined in Liepāja Prison”. Betekent dit dat de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid in Liepāja Prison zal worden geplaatst als de overlevering wordt toegestaan om aldaar zijn gevangenisstraf uit te zitten of betreft deze plaatsing slechts een korte, tijdelijke plaatsing in afwachting van het bepalen van zijn plaatsing in een detentie-instelling?
B. Als de opgeëiste persoon inderdaad na zijn overlevering gedetineerd zal worden in Liepāja Prison, al dan niet op basis van een korte, tijdelijke plaatsing, welke concrete maatregelen zullen ten aanzien van de opgeëiste persoon worden genomen om te voorkomen dat de opgeëiste persoon feitelijk wordt blootgesteld aan inter-prisoner violence en andere nadelige gevolgen van het kastenstelsel, zoals het vernederende aspect?
C. Kan worden gegarandeerd dat de opgeëiste persoon tijdens zijn verblijf in Liepāja Prison in zijn cel en in de gemeenschappelijke ruimte niet zal worden onderworpen aan de informele hiërarchie (door bijvoorbeeld het plaatsen van leiders op aparte afdelingen)?
D. Kan worden gegarandeerd dat de opgeëiste persoon geen leiders van de informele hiërarchie zal tegenkomen in de gemeenschappelijke ruimten?
E. Indien de opgeëiste persoon slechts voor een korte, tijdelijke plaatsing naar Liepāja Prison gaat om aldaar te bepalen in welke detentie-instelling hij zal worden geplaatst, in welke detentie-instelling zal hij dan naar alle waarschijnlijkheid worden overgeplaatst voor het verdere uitzitten van zijn straf? En welke concrete maatregelen zullen in die instelling worden genomen ten aanzien van de opgeëiste persoon om te voorkomen dat hij feitelijk wordt blootgesteld aan inter-prisoner violence en andere nadelige gevolgen van het kastenstelsel, zoals het vernederende aspect? Oftewel, kunnen dan voor die instelling de vragen onder B tot en met D worden beantwoord?
De rechtbank zal het onderzoek heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd. De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt na de verlenging ter zitting af op 20 oktober 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen, zal zij op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de beslistermijn verlengen met 30 dagen (tot en met 19 november 2026), onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
7 Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op een zitting uiterlijk veertien dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn op 19 november 2026.
HOUDT AAN de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, eerste lid, OLW.
VERLENGT op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 30 dagen (eindigend op 19 november 2026), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met 30 dagen.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat.
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Letse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. W.A.J.P. van den Reek en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 8 oktober 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.