Europees strafrecht

Executie-EAB uit Polen. Tussenuitspraak. Geen beroep op de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Artikel 6a…

Rechtbank Amsterdam, 22 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 22 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
22 oktober 2026
Datum publicatie
23 oktober 2026
Zaaknummer
13-189104-26
Procedure
Tussenuitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:10409
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Executie-EAB uit Polen. Tussenuitspraak. Geen beroep op de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Artikel 6a OLW: voldaan aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander. De rechtbank heropent en schorst het onderzoek om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een IND-advies, en uit hoofde van efficiëntie, het certificaat en veroordelende vonnis, op te vragen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-189104-26

Datum uitspraak: 22 oktober 2026

TUSSEN-UITSPRAAK

op de vordering van 27 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 5 juni 2026 door the District Court in Wrocław, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1984,

feitelijk verblijfadres:

[adres],

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 8 oktober 2026, in aanwezigheid van mr. J.H. de Krijger, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van the Regional Court in Oleśnica van 27 april 2021, met kenmerk II K 1103/20.

De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en twee maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Polen.

De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

De opgeëiste persoon heeft op de zitting te kennen gegeven dat hij geen beroep doet op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW vanwege het beroep dat hij doet op artikel 6a OLW. Gelet op wat in het EAB en in de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 8 september 2026 is vermeld, gezien tegen de achtergrond van het feit dat de opgeëiste persoon expliciet geen beroep op artikel 12 OLW heeft gedaan in verband met zijn verzoek om de overlevering te weigeren en de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde straf over te nemen (zie hierna onder 7), is de rechtbank van oordeel dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW in dit geval niet aan overlevering in de weg staat.

5 Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:

fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen;


vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten.

Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.

Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.

6 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt.

Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

De overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk opgelegde vrijheidsstraf. De rechtbank kan de overlevering weigeren als de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander en de opgelegde straf door Nederland kan worden overgenomen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich - onder verwijzing naar de overgelegde stukken en jurisprudentie van deze rechtbank - op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon voldoet aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling van artikel 6a, negende lid, OLW. De verdediging heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om een advies bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en tegelijkertijd het certificaat en het veroordelende vonnis bij de Poolse autoriteiten op te vragen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander. De opgeëiste persoon heeft twee perioden ingeschreven gestaan in de Basisregistratie Personen (BRP), namelijk van 25 juni 2019 tot

30 maart 2020 in Den Haag en van 11 oktober 2022 tot 6 oktober 2023 in Alphen aan den Rijn. Hoewel uit de door de verdediging overgelegde stukken kan worden afgeleid dat de opgeëiste persoon voldoende middelen van bestaan heeft gehad , blijkt daaruit niet dat hij ook daadwerkelijk (buiten de hiervoor genoemde perioden) in Nederland heeft verbleven. Dat op de overgelegde jaaropgave over het jaar 2023 een adres in Rotterdam staat vermeld, maakt niet dat voldoende is onderbouwd dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk in Nederland heeft verbleven.

Oordeel van de rechtbank

Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan de volgende twee vereisten:

  1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; én

  2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel.

De eerste voorwaarde

De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken over de jaren 2021 tot en met 2026 heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.

Inschrijving in de BRP is de sterkste vorm van onderbouwing voor de stelling dat een opgeëiste persoon feitelijk in Nederland heeft verbleven. De BRP-inschrijving is daarmee ‘leidend’. Bij gebrek aan een BRP-inschrijving kan het feitelijk verblijf ook door middel van andere stukken worden aangetoond aangezien het verblijfsrecht voor een burger van de Unie een declaratoir karakter kent, mits die stukken voldoende concreet en objectief zijn. Uit de Strafrechtketendatabank blijkt dat de opgeëiste persoon in de BRP ingeschreven gestaan heeft over de perioden 25 juni 2019 tot 30 maart 2020 en vanaf 11 oktober 2022 tot 6 oktober 2023. Voor het ontbreken van een adresregistratie over de periodes vanaf 30 maart 2020 en vanaf 6 oktober 2023 heeft de opgeëiste persoon ter zitting verklaard dat hij voor uitzendbureaus werkt en dat het dan niet altijd mogelijk is om zich in te schrijven op een adres. De rechtbank overweegt hierover dat in veel (overleverings)zaken aan de orde is dat Poolse arbeidskrachten in dienst bij uitzendbureaus zich dikwijls niet in Nederland kunnen inschrijven. De vraag is dan of de opgeëiste persoon dusdanig heeft gewerkt dat het niet anders kan dan dat hij, zoals hij zelf ook heeft gesteld, ook gedurende de periodes dat hij niet ingeschreven stond in Nederland moet hebben verbleven. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is, gelet op de overgelegde jaaropgaven over de jaren 2021 tot en met 2025, de salarisspecificaties over het jaar 2021 en 2022, de brieven van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen van 9 augustus 2021 en de uitzendovereenkomsten vanaf 2023. Aan de eerste voorwaarde is dus voldaan.

De tweede voorwaarde

Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de IND. In deze zaak heeft het openbaar ministerie nog geen advies bij de IND opgevraagd, omdat het van mening was dat het gelijkstellingsverweer niet kon slagen. Aangezien de rechtbank niet beschikt over het advies kan zij de tweede voorwaarde (nog) niet beoordelen. De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen deze informatie bij de IND op te vragen.

Daarnaast verzoekt de rechtbank de officier van justitie om, uit hoofde van efficiëntie, alvast bij de daartoe bevoegde autoriteit in Polen een certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het veroordelende vonnis op te vragen. De rechtbank verwacht namelijk, gelet op de IND-adviezen in andere overleveringszaken en de strafbare feiten waarvoor de opgeëiste persoon in Polen is veroordeeld, dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht niet zal verliezen.

8 Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 7 genoemde informatie op te vragen.

BEPAALT dat de zaak uiterlijk veertien dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn, dus uiterlijk op 7 november 2026, opnieuw op zitting wordt gepland.

VERLENGT de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat.

BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. E.M. de Bie, voorzitter,

mrs. M.C.M. Hamer en A. Pahladsingh, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 oktober 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie onderdeel e) van het EAB. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)). Rb. Amsterdam 27 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:5193, Rb. Amsterdam 21 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:8880, Rb. Amsterdam 28 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:4190 en Rb. Amsterdam 13 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:4712. HvJ EU 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB))