Europees strafrecht

Vervolgings-EAB uit België. Tussenuitspraak. Voortzetting na tussenuitspraak van 28 juli 2026. Instemming…

Zaakgegevens

Op 25 augustus 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
25 augustus 2026
Datum publicatie
23 september 2026
Zaaknummer
13-003312-26
Procedure
Tussenuitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:9488
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Vervolgings-EAB uit België. Tussenuitspraak. Voortzetting na tussenuitspraak van 28 juli 2026. Instemming voor verderlevering: de rechtbank stelt vast dat de vragen zoals geformuleerd in de eerdere tussenuitspraak tot op heden niet zijn beantwoord. De rechtbank acht zich dan ook onvoldoende voorgelicht om vast te stellen op grond van welke titel de opgeëiste persoon naar Nederland is gebracht en of instemming voor verderlevering in deze zaak is vereist. De rechtbank heropent het onderzoek en schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd om de antwoorden op de in de tussenuitspraak geformuleerde volgende vragen af te wachten.

Uitspraak

Inhoudsopgave

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-003312-26

Datum uitspraak: 25 augustus 2026

TUSSEN-UITSPRAAK

op de vordering van 29 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 19 december 2022 door de Onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[de opgeëiste persoon],

geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] (Litouwen),

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

uit anderen hoofde gedetineerd in de [detentieadres],

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

Zitting van 14 juli 2026

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 14 juli 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van het recht om bij de behandeling op zitting aanwezig te zijn. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde raadsman, mr. B.J. Korver, die waarneemt voor mr. M.L. van Gessel, beiden advocaat in Amsterdam.

De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen en heeft – zekerheidshalve – de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Tussenuitspraak van 28 juli 2026

In deze tussenuitspraak is het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om vragen te stellen over op grond van welke titel de opgeëiste persoon naar Nederland is gebracht en of instemming voor verderlevering in deze zaak is vereist.

Zitting van 11 augustus 2026

De voortzetting van de behandeling van het EAB heeft – met instemming van partijen - plaatsgevonden op deze zitting, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is – conform de op 3 augustus 2026 ondertekende afstandsverklaring – niet ter zitting verschenen. Hij is vertegenwoordigd door zijn raadsman , mr. B.J. Korver, die waarneemt voor mr. M.L. van Gessel.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.

3 Tussenuitspraak van 28 juli 2026

De rechtbank stelt vast dat bij de tussenuitspraak van deze rechtbank van 28 juli 2026 reeds is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB. Hetgeen de rechtbank heeft overwogen moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4 Instemming voor de verderlevering van de opgeëiste persoon

Inleiding

De rechtbank verwijst allereerst naar de overwegingen zoals opgenomen onder punt 4 in de tussenuitspraak van 28 juli 2026. Die overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verderlevering van de opgeëiste persoon moet worden geweigerd, nu de instemming door de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: VAE) zoals bedoeld in artikel 14 van het Verdrag ontbreekt. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om aanhouding om de instemming af te wachten.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om het antwoord op de vraag of de opgeëiste persoon afstand heeft gedaan van het specialiteitsbeginsel dan wel de instemming door de VAE voor de verderlevering af te wachten. De beslistermijn vormt hiervoor geen beletsel, omdat deze niet loopt zolang de instemming ontbreekt.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de vragen zoals geformuleerd in de tussenuitspraak van 28 juli 2026 tot op heden niet zijn beantwoord. De rechtbank acht zich dan ook onvoldoende voorgelicht om vast te stellen op grond van welke titel de opgeëiste persoon naar Nederland is gebracht en of instemming voor verderlevering in deze zaak is vereist. Het onderzoek zal daarom worden heropend en geschorst voor onbepaalde tijd om de antwoorden op de in de tussenuitspraak geformuleerde volgende vragen af te wachten.

De rechtbank is van oordeel dat zich een uitzonderlijk geval als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW voordoet, vanwege de bijzondere omstandigheid dat de gestelde vragen tot op heden niet zijn beantwoord en de rechtbank dus nog niet kan vaststellen of de beslistermijn is gaan lopen.

5 Beslissing

De rechtbank

HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd teneinde de beantwoording van de in de tussenuitspraak van 28 juli 2026 onder punt 4 vermelde vragen af te wachten;

VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen (eindigend op 24 oktober 2026), onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW;

BEPAALT dat de zaak uiterlijk op 8 september 2026, opnieuw wordt ingepland;

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon en zijn raadsman tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter,

mrs. E. de Rooij en A.B.M. Wijnveldt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 25 augustus 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 Overleveringswet. ECLI:NL:RBAMS:2021:2914.