Europees strafrecht

Executie-EAB Polen; tussenuitspraak; genoegzaamheidsverweer verworpen; artikel 6a OLW: aanhouding i.vm…

Zaakgegevens

Op 15 september 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
15 september 2026
Datum publicatie
23 september 2026
Zaaknummer
13-318162-25
Procedure
Tussenuitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:9524
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Executie-EAB Polen; tussenuitspraak; genoegzaamheidsverweer verworpen; artikel 6a OLW: aanhouding i.vm. opvragen IND-advies.

Uitspraak

Inhoudsopgave

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-318162-25

Datum uitspraak: 15 september 2026

TUSSEN- UITSPRAAK

op de vordering van 14 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 22 oktober 2025 door the Circuit Court in Gorzów Wielkopolski, the 2nd Criminal Division, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1979 te [geboorteplaats] (Polen),

inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[BRP adres] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 1 september 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. L.C. Cox, waarnemend voor mr. E. Kolokatsi, beiden advocaat in Amersfoort, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een beslissing van the District Court of Law in Gorzów Wielkopolski van 2 februari 2011 met kenmerk II K 2402/10.

In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot dit vonnis heeft geleid.

De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van negen maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Polen. Van deze straf resteren volgens het EAB nog acht maanden en acht dagen.

De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.

3.1

Genoegzaamheid

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering geweigerd moet worden omdat niet kan worden vastgesteld dat aan het EAB een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis ten grondslag ligt. Uit onderdeel f) van het EAB blijkt immers niet of de termijn voor tenuitvoerlegging sinds de uitvaardiging van het EAB op 22 oktober 2025 inmiddels is verstreken. Subsidiair moet de behandeling worden aangehouden om hierover nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. Daarnaast is in het EAB vermeld dat sprake is van een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis. De verjaringstermijn is gestuit omdat de opgeëiste persoon zich niet meer in Polen bevond. Het is daarnaast niet aan deze rechtbank om te oordelen over een gestuite verjaring in Polen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt gevraagd. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten.

Het EAB moet – om te voldoen aan de eisen van genoegzaamheid – onder andere (de melding van) een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, een aanhoudingsbevel of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing bevatten.

Verjaring naar het recht van de uitvaardigende lidstaat is geen weigeringsgrond. Het toesturen

van het EAB door de uitvaardigende justitiële autoriteit impliceert dat deze autoriteit bij haar

beoordeling of de overlevering nog steeds gewenst is, ook de verjaring naar het recht van haar

lidstaat heeft beoordeeld. Niettemin moet overlevering achterwege blijven, indien na de

uitvaardiging van het EAB de aan dat EAB ten grondslag liggende nationale rechterlijke

beslissing niet meer voor tenuitvoerlegging vatbaar is vanwege verjaring. In een dergelijk geval

voldoet het EAB immers niet aan de in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder c, OLW bedoelde

eis.

Uit het EAB blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de executietermijn is verjaard. Onderdeel f) van het EAB benoemt immers dat de executietermijn kan worden opgeschort als de opgeëiste persoon zich aan de tenuitvoerlegging onttrekt. De raadsvrouw heeft geen stukken overgelegd waaruit zou blijken dat het vonnis niet meer voor tenuitvoerlegging vatbaar is. Op grond van het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank er vanuit dat het recht op tenuitvoerlegging nog niet is verjaard. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het opvragen van nadere informatie over de verjaring en wijst daarom het subsidiaire verzoek om aanhouding af.

4 Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor de feiten een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

diefstal door twee of meer verenigde personen;

diefstal, meermalen gepleegd.

5 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

De overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk opgelegde vrijheidsstraf. De rechtbank kan de overlevering weigeren als de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander en de opgelegde straf door Nederland kan worden overgenomen.

Oordeel van de rechtbank

Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan de volgende twee vereisten:

  1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; én

  2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.

De eerste voorwaarde

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Aan de eerste voorwaarde is dus voldaan.

De tweede voorwaarde

De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een IND-advies over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. De rechtbank merkt op dat een advies van de IND (nog) ontbreekt in het procesdossier. De officier van justitie heeft op de zitting kenbaar gemaakt dat het openbaar ministerie nog niet beschikt over een IND-advies, ook al is daar al wel om gevraagd.

De officier van justitie heeft ter zitting eveneens kenbaar gemaakt dat zij uit voorzorg al bij de uitvaardigende justitiële autoriteit om een certificaat en het veroordelende vonnis heeft gevraagd gelet op het arrest C.J.

De rechtbank zal het onderzoek heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen deze informatie van de IND te ontvangen alsmede een certificaat en het veroordelende vonnis van de uitvaardigende autoriteit waarbij zij opgemerkt dat de rechtbank bij de volgende behandeling eerst nog zal moeten vaststellen of de opgeëiste persoon voldoet aan beide voorwaarden voor gelijkstelling.

De zaak zal dan zo snel mogelijk, maar uiterlijk 7 dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn opnieuw op zitting moeten worden gepland.

7 Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 6 genoemde informatie op te vragen bij de IND.

BEPAALT dat de zaak uiterlijk 7 dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn, dus uiterlijk op 3 oktober 2026, opnieuw op zitting wordt aangebracht.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen de nader te bepalen datum en het nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw.

BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen de voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. E. de Rooij, voorzitter,

mrs. M. Westerman en A.B.M. Wijnveldt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 15 september 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Specifiek in dit geval: artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c OLW. Rechtbank Amsterdam 5 oktober 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:7307. Vergelijk: rechtbank Amsterdam 9 februari 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:668. Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW. HvJ EU, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB)).