Internationaal strafrecht
Pools executie-EAB. Verweer grondrechtenschending toegang tot een advocaat verworpen. Poolse rechtsstaat…
Rechtbank Amsterdam, 7 juni 2023
ECLI:NL:RBAMS:2023:5978 · Rechtbank Amsterdam · 7 juni 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/internationaal-strafrecht/eerste-en-enige-aanleg/ecli-nl-rbams-2023-5978
Zaakgegevens
Op 7 juni 2023 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over internationaal strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 7 juni 2023
- Datum publicatie
- 27 september 2023
- Zaaknummer
- 13/082137-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Internationaal strafrecht
- Procedure
- Eerste en enige aanlegEerste en enige aanlegEr is maar één rechter die over de zaak beslist; hoger beroep is niet mogelijk.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2023:5978
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Pools executie-EAB. Verweer grondrechtenschending toegang tot een advocaat verworpen. Poolse rechtsstaat. Overlevering toestaan.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/082137-23
Datum uitspraak: 7 juni 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 24 maart 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 januari 2023 door the Sad Okregowy II Wydzial Karny, Suwalki, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1991,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1 Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 24 mei 2023, in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. P.R. Hogerbrugge, advocaat in Rotterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3 Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van
I. een judgement van the District Court of Olecko (Polen) van 16 maart 2021 (referentienummer: II.K.552/20).
II. een judgement van the District Court of Olecko (Polen) van 16 maart 2021 (referentienummer: II.K.561/20).
III. een judgement van the District Court of Olecko (Polen) van 14 april 2021 (referentienummer: II.K.19/21).
IV. een judgement van the District Court of Olecko (Polen) van 7 juli 2021 (referentienummer: II.K.128/21).
V. een judgement van the District Court of Olecko (Polen) van 14 juli 2021 (referentienummer: II.K.48/21).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van
I. acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog zeven maanden en 29 dagen.
II. één jaar en twee maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.
III. twee jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, elf maanden en 27 dagen.
IV. zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog vijf maanden en 29 dagen.
V. vijf maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog vier maanden en 28 dagen.
Deze vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de vonnissen I, II, III, IV en V de overlevering moet worden geweigerd. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij de procedures die tot de beslissingen hebben geleid en uit de stukken kan niet worden afgeleid dat het vonnis daadwerkelijk in persoon aan de opgeëiste persoon is verstrekt.
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om de overlevering toe te staan. Ten aanzien van de vonnissen I, II, III en IV staat artikel 12 OLW niet aan de overlevering in de weg, omdat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De opgeëiste persoon is in persoon gedagvaard, zoals blijkt uit het EAB en de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Ten aanzien van vonnis V heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat aanleiding bestaat om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW. Er is geen sprake van schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon, omdat uit het EAB en de aanvullende informatie van 14 april 2023 blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de feiten waarvan hij werd verdacht. Ook was hij er van op de hoogte dat er een strafrechtelijke procedure tegen hem liep. Verder heeft de opgeëiste persoon persoonlijk de instructie over zijn rechten en verplichtingen als verdachte gekregen en is hij gewezen op de gevolgen wanneer hij niet op het proces verschijnt. De oproep voor de zitting voorafgaand aan het vonnis is verstuurd naar het adres dat de opgeëiste persoon zelf tijdens zijn verhoor door de Poolse officier van justitie als zijn adres heeft opgegeven.
Vonnis I, II, III en IV (II.K.552/20, II.K.561/20, II.K.19/21 en II.K.128/21)
De rechtbank stelt met betrekking tot vonnis I, II, III en IV vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van deze vonnissen, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de processen die tot die beslissingen hebben geleid. In het EAB in onderdeel d) staat vermeld dat de opgeëiste persoon op respectievelijk 22 januari 2021, 22 januari 2021, 11 februari 2021 en 14 mei 2021 in persoon is opgeroepen voor de zittingen die hebben geleid tot vonnis I, II, III en IV en ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kon worden genomen wanneer hij niet op het proces verscheen.
Dat betekent dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is voor deze vier vonnissen, nu sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 12, sub a, OLW. De rechtbank verwerpt het verweer.
Vonnis V (II.K.48/21)
De rechtbank stelt met betrekking tot vonnis V vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
In de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten van 14 april 2023 staat dat de opgeëiste persoon tijdens zijn verhoor in het vooronderzoek door de Poolse officier van justitie op 19 februari 2020 een adres heeft opgegeven en dat de opgeëiste persoon persoonlijk de instructie over zijn rechten en verplichtingen heeft gekregen, inclusief de inhoud van artikel 139 van de Code of Criminal Procedure. Uit het EAB en de aanvullende informatie van 14 april 2023 blijkt dat de oproep voor de zitting voorafgaand aan het vonnis van 14 juli 2021 is verstuurd naar het adres dat de opgeëiste persoon zelf tijdens zijn verhoor door de officier van justitie op 19 februari 2020 heeft opgegeven.
Gelet op deze informatie kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de strafrechtelijke verdenking en ook wist dat er een strafrechtelijke procedure tegen hem liep. Gelet op deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat overlevering een schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt, omdat hij, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, op zijn minst genomen kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot de ontvangst van officiële correspondentie over de strafrechtelijke procedure.
De rechtbank ziet af van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren op grond van artikel 12 OLW. De rechtbank verwerpt het verweer.
4 Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
diefstal
diefstal, meermalen gepleegd
diefstal, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf het bezit van het gestolene te verzekeren
poging tot diefstal
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
bedreiging met brandstichting
5 Artikel 11 OLW
Toegang tot een advocaat vanuit detentie.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat bij overlevering sprake is van een dreigende schending van het recht op communicatie tussen de opgeëiste persoon en zijn Poolse advocaat, zoals beschreven in Richtlijn 2013/48/EU. De raadsman heeft ter onderbouwing naar een e-mail van de Poolse advocaat van de opgeëiste persoon van 23 mei 2023 verwezen, waarin staat dat communicatie tussen advocaten en veroordeelden in Polen problematisch is, omdat veroordeelden slechts recht hebben op één telefoongesprek per week. De raadsman heeft bepleit dat door deze beperking het effectieve recht op communicatie tussen een verdachte of veroordeelde en zijn advocaat onvoldoende wordt gewaarborgd.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie is de weigeringsgrond van artikel 11 OLW niet aan de orde. Daartoe heeft zij er onder meer op gewezen dat de raadsman geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens heeft overgelegd waaruit de gestelde grondrechtenschending blijkt. Een brief van de Poolse advocaat van de opgeëiste persoon voldoet daartoe niet.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat dit verweer niet kan slagen.
Nog daargelaten of Richtlijn 2013/48/EU van toepassing is, heeft de raadsman ter zitting niet gespecificeerd welk van de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde grondrechten volgens hem dreigt te worden geschonden na overlevering van de opgeëiste persoon. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit echter in het midden worden gelaten, omdat de raadsman in ieder geval geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens naar voren heeft gebracht waaruit een reëel gevaar van een grondrechtenschending blijkt voor veroordeelde personen. Enkel een brief van de Poolse advocaat van de opgeëiste persoon kan niet als zodanig worden beschouwd. Het beroep op de weigeringsgrond van artikel 11 OLW kan alleen al om die reden niet slagen.
Poolse rechtsstaat
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
6 Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7 Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 45, 285, 310 en 312 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.
8 Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Sad Okregowy II Wydzial Karny, Suwalki (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. P. Sloot en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.D. Reinders, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 juni 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.