Internationaal strafrecht

EAB Polen, overlevering toegestaan

Rechtbank Amsterdam, 27 maart 2025

Zaakgegevens

Op 27 maart 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over internationaal strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
27 maart 2025
Datum publicatie
8 april 2025
Zaaknummer
13/333413-24
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2025:2274
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

EAB Polen, overlevering toegestaan

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/333413-24

Datum uitspraak: 27 maart 2025

UITSPRAAK

op de vordering van 21 januari 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 25 september 2024 door the Regional Court in Zamosc, Second Penal Division in Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 2003,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

nu gedetineerd in [detentieplaats] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 maart 2025, in aanwezigheid van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. F.H. van der Pol, advocaat in Almere, en door een tolk in de Poolse taal.

De raadsvrouw heeft opgemerkt dat aan de voorwaarden voor overlevering is voldaan. De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de overlevering kan worden toegestaan.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.

Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt:

een vonnis van 21 december 2023 van the District Court in Zamosc, Second Penal Division, onherroepelijk geworden op 29 december 2023 (II K 590/23);

een vonnis van 29 december 2022 van the District Court in Zamosc, Second Penal Division (II K 997/22), bekrachtigd bij arrest van 21 april 2023 van the Regional Court in Zamosc;

een vonnis van 31 mei 2022 van the District Court in Zamosc, Second Penal Division, onherroepelijk geworden op 8 juni 2022 (II K 1692/21).

Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de processen die tot de beslissingen hebben geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW staat dus niet in de weg aan het toestaan van de overlevering.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van

een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, waarvan nog zeven maanden en zeven dagen resteren,

een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en tien maanden, waarvan nog twee jaar en acht maanden resteren,

een vrijheidsstraf van één jaar, nog geheel resterend,

door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde rechterlijke beslissingen.

Die rechterlijke beslissingen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.

4 Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten die ten grondslag liggen aan vonnis I leveren naar Nederlands recht op:

  • diefstal, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

  • diefstal door twee of meer verenigde personen.

Het feit dat ten grondslag ligt aan vonnis/arrest II levert naar Nederlands recht op:

- diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het feit dat ten grondslag ligt aan vonnis III levert naar Nederlands recht op:

- diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

5 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

6 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 311 en 312 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Zamosc, Second Penal Division in Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,

mrs. M. Westerman en D.M.S. Gribling, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 maart 2025.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).