Materieel strafrecht

Veroordeling zware mishandeling door glazen fles met kracht, bovenhands en van korte afstand in het gezicht…

Rechtbank Amsterdam, 5 maart 2026

Zaakgegevens

Op 5 maart 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
5 maart 2026
Datum publicatie
20 maart 2026
Zaaknummer
13/015374-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:2926
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling zware mishandeling door glazen fles met kracht, bovenhands en van korte afstand in het gezicht van slachtoffer te gooien. Vol opzet op toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Gevangenisstraf van 4 maanden.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/015374-25

Datum uitspraak: 19 maart 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 1993 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

wonende op het adres [adres 1] ,

hierna: verdachte.

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 maart 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. T.M. van Wanrooij, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W. van Vliet, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] en van wat zijn advocaat, mr. J. de Haan, hierover ter terechtzitting naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort weergegeven – tenlastegelegd dat hij zich op 20 juni 2024 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:

zware mishandeling van [slachtoffer] door een glazen fles in het gezicht van die [slachtoffer] te gooien en/of te smijten, subsidiair ten laste gelegd als mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.

Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit bewezen kan worden. Het handelen van verdachte was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte heeft op korte afstand een glazen fles met kracht, bovenhands en in een rechte lijn richting het hoofd van [slachtoffer] gegooid. Hierdoor was de kans aanmerkelijk dat [slachtoffer] door de fles in zijn gezicht zou worden geraakt en daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Verdachte heeft deze kans ook bewust aanvaard.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte opzet had om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Ook niet in voorwaardelijke zin. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Feiten en omstandigheden

Op 20 juni 2024 heeft in het Wallengebied in Amsterdam een vechtpartij plaatsgevonden tussen een groep personen en [vriend slachtoffer] , een vriend van het latere slachtoffer [slachtoffer] . Tijdens deze vechtpartij probeerde [slachtoffer] de groep en [vriend slachtoffer] uit elkaar te halen. Verdachte kwam op enig moment aangelopen en gooide met de glazen fles naar [slachtoffer] . Deze fles kwam terecht in het gezicht van [slachtoffer] , als gevolg waarvan hij ernstig letsel opliep. Bij [slachtoffer] werd een gebroken linker jukbeen en oogkas vastgesteld. Daarnaast had hij een snijwond onder zijn linkeroog en kreeg hij zeven hechtingen onder zijn linker wenkbrauw. [slachtoffer] heeft sinds het incident wazig zicht in een oog.

3.3.2.

Bewijsoverweging feit 1 primair

De rechtbank stelt op grond van de aangifte, het proces-verbaal van beschrijving camerabeelden en de verklaring die verdachte op de zitting heeft afgelegd, vast dat verdachte een glazen fles in het gezicht van [slachtoffer] heeft gegooid. Verdachte heeft op korte afstand van [slachtoffer] de glazen fles met kracht, bovenhands in het gezicht van [slachtoffer] gegooid.

Uit de bij het verzoek tot schadevergoeding overgelegde verklaringen van huisarts [persoon 1] en oogarts [persoon 2] blijkt dat [slachtoffer] blijvende schade heeft aan zijn zicht. Hij heeft wazig zicht in zijn oog, veroorzaakt door een gele vlek. Deze gele vlek is atrofisch, dat wil zeggen dat dit niet meer functioneel is. Atrofie van de gele vlek kan niet meer herstellen, er is ook geen behandeling hiervoor mogelijk. Er is daarmee sprake van blijvende visusschade. Ook heeft [slachtoffer] meerdere zichtbare littekens in zijn gezicht. De aard en ernst van het geheel van zijn verwondingen, alsmede het ontbrekende uitzicht op herstel van de schade aan het oog van [slachtoffer] , maakt dat de rechtbank van oordeel is dat het letsel is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.

Aan de rechtbank ligt vervolgens de vraag voor of verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De geweldshandelingen van verdachte zoals hierboven genoemd, te weten het van korte afstand, met kracht, bovenhands, in het gezicht gooien van een glazen fles zijn naar hun aard en uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat daarmee is komen vast te staan dat verdachte hier (vol) opzet op heeft gehad. Het verweer wordt verworpen.

3.3.3.

Conclusie

De rechtbank acht op grond van het voorgaande de zware mishandeling bewezen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 20 juni 2024 te Amsterdam aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een diepe snee onder de linker wenkbrauw en een snee onder het linkeroog en (blijvend) verminderd zicht met het linkeroog en een gebroken oogkas en een gebroken jukbeen, heeft toegebracht door een glazen fles hard in het gezicht van die [slachtoffer] te gooien;

5 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen

7.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om aan verdachte een gevangenisstraf van 4 maanden op te leggen.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de vechtpartij tussen de groep en [vriend slachtoffer] voorafgaand aan het ten laste gelegde feit. Verder heeft de raadsman verzocht een voorwaardelijke gevangenisstraf en daarnaast een taakstraf op te leggen. Ten aanzien van de proeftijd heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling door een glazen fles in het gezicht van [slachtoffer] te gooien. [slachtoffer] was samen met zijn vriend [vriend slachtoffer] op weg naar huis toen een gevecht ontstond met een groep personen. [slachtoffer] probeerde [vriend slachtoffer] van de groep weg te krijgen en het gevecht te stoppen. De groep vormde numeriek een duidelijke meerderheid ten opzichte van [slachtoffer] en [vriend slachtoffer] . Ook verdachte mengde zich in het gevecht, waarbij verdachte, zonder enige aanleiding, een fles in het gezicht van [slachtoffer] gooide. Het incident vond overdag plaats in een druk gebied in het centrum van Amsterdam, waarbij meerdere omstanders aanwezig waren. De rechtbank kan zich voorstellen dat dit voor [slachtoffer] en de omstanders een angstige situatie is geweest. Door het gooien met de fles in het gezicht heeft [slachtoffer] ernstig letsel opgelopen, met blijvende oogschade tot gevolg. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat het incident grote impact op hem heeft gehad. De rechtbank rekent verdachte dit aan.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 19 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke geweldsdelicten.

Strafoplegging

Om te bevorderen dat landelijk door rechtbanken voor dezelfde feiten ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, zijn door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank heeft bij de oplegging van de straf voor het bewezenverklaarde feit gekeken naar deze oriëntatiepunten. Voor opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel zonder gebruik te maken van een wapen is het uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden. De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met het feit dat verdachte een glazen fles in het gezicht van [slachtoffer] heeft gegooid. De fles is geen wapen, maar fungeerde wel als voorwerp waarmee zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. Ook het opgelopen letsel, dat heeft geleid tot blijvende oogschade, acht de rechtbank strafverzwarend. De rechtbank acht daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een gevangenisstraf van 4 maanden passend.

8 Benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

8.1.

benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert voor een bedrag van € 1.138,01 aan materiële schade en € 25.000,- aan immateriële schade, met vermeerdering van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Op de zitting heeft mr. J. de Haan de vordering nader toegelicht.

Standpunt van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde schadevergoeding voor toewijzing vatbaar is. Daarbij verzoekt de officier van justitie bij de immateriële schadevergoeding rekening te houden met het letsel, dat ligt tussen ernstig en gering zoals bedoeld in de Rotterdamse schaal.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de materiële schadevergoeding gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de vordering tot immateriële schadevergoeding heeft de raadsman verzocht de vordering te matigen.

Oordeel van de rechtbank

Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De rechtbank wijst de materiële schadevordering toe tot een bedrag van € 1.138,01.

Dit bedrag bestaat uit € 1.024,62 medische kosten en € 113,39 reiskosten.

Verder staat vast dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de zogenoemde Rotterdamse schaal en vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid op € 25.000,- en wijst dat toe.

Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [slachtoffer] wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht) aan verdachte opgelegd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36f, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek vier is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

zware mishandeling

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 1.138,01 (duizend honderdachtendertig euro en één cent) aan vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 25.000,- (vijfentwintigduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 20 juni 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd en veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 26.138,01 (zesentwintigduizend honderdachtendertig euro en één cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (20 juni 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 165 (honderdvijfenzestig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover veroordeelde aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G. Oldekamp, voorzitter,

mrs. B. van Galen en D.A. Segbedzi, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.S. Eisses, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 maart 2026.

[…]

[afbeelding niet beschikbaar]

[…]


[…]
[…]

.

[…]

.

[afbeelding niet beschikbaar]