Materieel strafrecht
Veroordeling voor poging doodslag (45 jo 287 Sr) en twee diefstallen (310 Sr); vrijspraak van…
Rechtbank Noord-Nederland, 20 oktober 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:4542 · Rechtbank Noord-Nederland · 20 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-nederland/strafrecht/materieel-strafrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbnne-2026-4542
Zaakgegevens
Op 20 oktober 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 20 oktober 2026
- Datum publicatie
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- 18-250904-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2026:4542
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor poging doodslag (45 jo 287 Sr) en twee diefstallen (310 Sr); vrijspraak van lokaalvredebreuk vanwege ontbreken pandverbod in dossier; anders dan officier van justitie en verdediging van oordeel dat op deze wijze stampen op het hoofd wel leidt tot aanmerkelijke kans op de dood; ondanks zwaardere kwalificatie toch aanleiding aan te sluiten bij eis officier van justitie; TBS met voorwaarden en gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest, en GVM-maatregel (38z Sr).
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18-250904-25
ter terechtzitting gevoegde parketnummers 18-261064-25 & 18-280876-25
vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummers 18-100095-24 & 18-381288-24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 oktober 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd in de [instelling 1] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 06 oktober 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.W.J. Rosendaal, advocaat te Arnhem. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door de officier van justitie mr. G.R. Stoeten.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Parketnummer 18-250904-25
hij op of omstreeks 24 augustus 2025 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven, immers heeft verdachte
-
die [slachtoffer 1] onderuit geduwd ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] ten val is gekomen en/of
-
( vervolgens) met kracht en/of met gebalde vuist gestompt/geslagen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of
-
( vervolgens) met kracht en/of met geschoeide voet tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 1] geschopt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 augustus 2025 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten een hoofdwond en/of een hersenschudding en/of meerdere bloeduitstortingen op het hoofd en/of gezicht heeft toegebracht, door
-
die [slachtoffer 1] onderuit te duwen ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] ten val komt en/of
-
( vervolgens) met kracht en/of met gebalde vuist te stompen/te slaan tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of
-
( vervolgens) met kracht en/of met geschoeide voet tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 1] te schoppen;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 augustus 2025 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen immers heeft verdachte
-
die [slachtoffer 1] onderuit geduwd ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] ten val is gekomen en/of
-
( vervolgens) met kracht en/of met gebalde vuist gestompt/geslagen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of
- ( ( vervolgens) met kracht en/of met geschoeide voet tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 1] geschopt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Parketnummer 18-261064-25
1
hij op of omstreeks 21 mei 2025 te Leeuwarden een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
hij op of omstreeks 19 augustus 2025 te Leeuwarden in het besloten lokaal woning aan [adres] bij [bedrijf 1] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 7 mei 2025 schriftelijk de toegang tot die locatie ontzegd voor de duur van 12 maanden.
Parketnummer 18-280876-25
hij op of omstreeks 16 augustus 2025 te Leeuwarden, in elk geval in Nederland, een tas en/of een laptop en/of een geldbedrag en/of een camera, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het ten laste gelegde onder parketnummer 18-250904-25 primair en subsidiair en onder parketnummer 18-261064-25 feit 2. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Parketnummer 18-250904-25
Er kan vastgesteld worden dat verdachte aangever eerst een duw heeft gegeven, vervolgens een vuistslag en dat hij hem daarna met geschoeide voet op het hoofd heeft getrapt. Niet elk schoppen tegen het hoofd levert automatisch een poging tot doodslag op. Vol opzet op de dood kan op grond van het dossier niet worden aangenomen. Nu het niet duidelijk is op welke plek verdachte het slachtoffer exact raakte, er slechts één trap en één klap is uitgedeeld en verdachte sneakers droeg en dus geen hard schoeisel, is er te weinig bewijs om te oordelen dat de kans op de dood aanmerkelijk was. Voorwaardelijk opzet op de dood kan daarom ook niet worden bewezen. Ook bevat het dossier te weinig informatie om te kunnen oordelen dat het letsel zwaar lichamelijk letsel is.
Parketnummer 18-261064-25
Het dossier bevat geen pandverbod en er kan niet gecontroleerd worden of het is uitgereikt. De ten laste gelegde lokaal- of huisvredebreuk is daarom niet wettig en overtuigend te bewijzen.
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde onder parketnummer 18-250904-25 meer subsidiair, onder parketnummer 18-261064 feit 1 en onder parketnummer 18-280876-
25.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onder parketnummer 18-250904-25 primair en subsidiair en onder parketnummer 18-261064-25 feiten 1 en 2. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Parketnummer 18-250904-25
Vol opzet op de dood kan op grond van het dossier niet worden bewezen. Voorts bestond er geen aanmerkelijke kans op het overlijden. Er zijn geen algemene ervaringsregels waaruit volgt dat één krachtige schop tegen het gezicht een aanmerkelijke kans op de dood in het leven roept, ook niet als het slachtoffer op de grond ligt. Een verklaring van bijvoorbeeld een forensisch arts waaruit een dergelijke kans wel blijkt, bevindt zich niet in het dossier.
Ook kan het zwaar lichamelijk letsel niet worden bewezen.
Parketnummer 18-261064-25
Ten aanzien van feit 1 berust het bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij de diefstal grotendeels op suboptimale en onvoldoende onderbouwde herkenningen van verbalisanten. Op de screenshots is het gezicht van de dader beperkt zichtbaar. De details die de verbalisanten noemen als herkenbare kenmerken zijn naar de mening van de verdediging onvoldoende onderscheidend.
Ten aanzien van feit 2 bevat het dossier geen ontzegging voor het pand. Verdachte stelt dat hij niet op de hoogte was van het verbod en uit de aangifte blijkt ook niet dat er een ontzegging aan verdachte is uitgereikt. Het opzet en de wederrechtelijkheid kunnen daarom niet worden bewezen.
De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder parketnummer 18-280876-25 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak parketnummer 18-261064-25 feit 2
De rechtbank acht het onder parketnummer 18-261064-25 feit 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier niet volgt dat verdachte met ingang van 7 mei 2025 schriftelijk de toegang tot de panden van [bedrijf 1] was ontzegd voor de duur van 12 maanden. Een schriftelijke ontzegging ontbreekt in het strafdossier.
Parketnummer 18-250904-25
Bewijsmiddelen
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
-
De door verdachte ter zitting van 06 oktober 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend: Ik heb mezelf herkend op de camerabeelden. Ik weet dat ik achter aangever aanrende.
-
Een opname van beeld, als bedoeld in artikel 567 van het Wetboek van Strafvordering, te weten camerabeelden, met bestandsnaam VID- [verdachte] vgl 26 sept 25, inhoudende:
Het betreft een opname van beeld van 24 augustus 2025 en tijdstip 21:01:02 uur. Te zien is een steeg waarin een man (hierna: man 1) achter een andere man (hierna: man 2) aanrent. Man 1 geeft een duw in de rug van man 2, waarna man 2 op de grond valt. Terwijl man 2 op de grond ligt, deelt man 1 een vuistslag uit aan man 2. Na de vuistslag blijft man 2 op de grond liggen en maakt ongecontroleerde bewegingen. Vervolgens heft man 1 zijn rechterbeen, komt met zijn linkervoet los van de grond en stampt met kracht en met geschoeide voet op de zijkant van het hoofd van man 2. Direct na de trap is te zien dat het lichaam van man 2 slap wordt.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 augustus 2025, opgenomen op pagina 13 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025228785 d.d. 20 oktober 2025, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Op 24 augustus 2025 omstreeks 21.00 uur kregen wij de opdracht van een medewerker van het Operationeel Centrum Noord-Nederland om te gaan naar [adres] . Ter plaatse hoorden wij [getuige 1] zeggen dat zijn vriend, [slachtoffer 1] , tegen zijn hoofd was geschopt door [verdachte] . Wij zagen een man, die later [slachtoffer 1] bleek te zijn, in elkaar gedoken op de grond liggen. Wij zagen dat er veel bloed op de grond lag. Wij zagen dat [slachtoffer 1] op de rechterzijde van zijn hoofd bloed had zitten.
Bewijsoverweging
Om tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde te komen, dient de rechtbank te beoordelen of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting kan niet worden vastgesteld dat verdachte vol opzet (opzet als bedoeling) had op de dood van aangever, zodat zij dient te beoordelen of er dan sprake is geweest van voorwaardelijk opzet.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is als verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen om een reële, niet onwaarschijnlijke kans.
De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat het hoofd een kwetsbaar en vitaal onderdeel van het lichaam is. Verdachte heeft met zijn rechtervoet gestampt op de zijkant van het hoofd van aangever. Op de camerabeelden is te zien dat hij dit met geschoeide voet en met kracht deed, mede nu zijn linkervoet daarbij van de grond kwam om extra kracht bij te zetten. Aangever lag daarbij al verzwakt op de grond door de eerder door verdachte uitgedeelde vuistslag. Hierdoor was het risico groot dat het hoofd van aangever hard op de straat terecht zou komen.
Gelet op het bovenstaande was er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een reële, niet onwaarschijnlijke en dus aanmerkelijke kans dat aangever door het handelen van verdachte zou komen te overlijden. De rechtbank is voorts van oordeel dat de door verdachte verrichte gedraging en de wijze waarop deze is verricht naar zijn uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het gevolg de dood van aangever dat het niet anders kan dan dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken.
De rechtbank acht daarom, anders dan de officier van justitie en de raadsman, het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Parketnummer 18-261064-25 feit 1 Bewijsmiddelen
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 mei 2025, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025223910 d.d. 23 augustus 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :
Op 20 mei 2025 kwam mijn zoon om 23:40 uur thuis en zag hij de fiets, een witte Gazelle damesfiets, nog in de voortuin van [adres] staan. Het is de fiets van mijn zoon, [slachtoffer 2] . Op 21 mei 2025 omstreeks
uur zag ik dat de fiets uit de voortuin weg was. Ik zag op de camerabeelden dat een manspersoon de fiets uit de voortuin pakte.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 augustus 2025, opgenomen op pagina 11 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Ik zag dat de actuele datum en tijd meeliep, te weten 21 mei 2025 08:03 uur. Op de beelden zag ik dat:
Een man met getinte/bruine huidskleur de voortuin binnen komt lopen.
Deze man er als volgt uitziet: markante tattoo in de nek, zwarte broek, licht blauwe jas/ groene baseball cap met zwarte cap en 2 witte letters voorop de pet.
Deze man de achterkant van de fiets optilt en dan deze fiets de voortuin uit tilt/rolt. Deze man dan met deze fiets uit beeld verdwijnt.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 augustus 2025, opgenomen op pagina 9 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Ik zag de beelden behorende bij de fietsendiefstal. Ik herkende onmiddellijk en voor 100% verdachte [verdachte] van 10/07/1979 als verdachte van deze diefstal. Ik herkende hem aan zijn kenmerkende tattoo in zijn hals/nek. Ook zag ik kort de zijkant van zijn gezicht. Daaraan herkende ik hem ook omdat ik hem vaker in verhoor heb gehad en daardoor zijn gezicht langdurig heb gezien. Vandaag hoorde ik hem en zag hem dus weer. Er is geen twijfel dat [verdachte] de verdachte is die op de beelden te zien is.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 augustus 2025, opgenomen op pagina 13 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Naar aanleiding van het bekijken van de beelden herkende ik de verdachte op de aangeleverde video als zijnde:
Identiteit: [verdachte] ( [verdachte] )
Ik herken [verdachte] aan de opvallende tatoeage in zijn hals, de vorm van zijn gezicht en de houding.
Daarbij is het bij mij bekend dat [verdachte] vaker verdachte is geweest van fietsendiefstal en heb ik [verdachte] vaker in verhoor gehad.
Bewijsoverweging
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de positieve herkenningen van verdachte door de verbalisanten voldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te worden gebruikt.
Uit de bewijsmiddelen volgt ten eerste dat de twee verbalisanten bewegende beelden hebben gezien en niet slechts fotos (stills). Verbalisant [verbalisant] spreekt over beelden en heeft de bewegende beelden beschreven en verbalisant [verbalisant] spreekt over een aangeleverde video. Zij verklaren daarbij allebei over verschillende kenmerken waaraan zij verdachte herkennen, te weten zijn kenmerkende tattoo, zijn gezicht en zijn houding.
Verbalisanten verklaren voorts beiden dat zij verdachte vaker in verhoor hebben gehad. Deze mate van bekendheid met verdachte is een factor die de betrouwbaarheid van de herkenning positief beïnvloedt. Immers, een verbalisant die een verdachte goed kent, heeft minder nodig om hem of haar te herkennen en heeft een completer herinneringsbeeld dan iemand die de verdachte bijvoorbeeld slechts eenmalig heeft gezien.
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank de herkenningen van de verbalisanten betrouwbaar en acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de fiets heeft weggenomen.
Parketnummer 18-280876-25 Bewijsmiddelen
-
De door verdachte ter zitting van 06 oktober 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend: Ik heb de kofferbak geopend en de tas eruit gepakt.
-
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 16 augustus 2025, opgenomen op pagina 20 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025220649 d.d. 16 september 2025, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :
Op 16 augustus 2025 was ik samen met mijn vriend, [getuige 3] , mijn auto in Leeuwarden aan het uitladen. Ik zag op de camera dat er een man achter mijn auto stond en dat de kofferbak openstond. Ik zag dat hij mijn tas uit de auto pakte en dat hij vervolgens wegliep richting [bedrijf 2] . Ik zag dat mijn vriend erachteraan ging. Ik hoorde hem even later zeggen dat hij mijn tas weer terug had maar dat mijn Macbook, mijn camera en geld miste uit de tas. Ik had een rosegoudkleurige MacBook 2016, een roze Instax camera en ongeveer 60 a 70 euro losgeld in mijn tas zitten. Deze zijn gestolen.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 16 augustus 2025, opgenomen op pagina 24 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 3] :
Ik zag op de beelden dat er iemand iets uit onze auto haalde. Ik ben toen naar buiten gelopen en zag een persoon die ik herkende van de beelden staan ter hoogte van het bankje naast het fietspad. Ik liep ernaartoe en zag dat in de fietstas mijn vriendin haar handtas zat.
De portemonnee van mijn vriendin zat in de tas en was open. Ik zag dat het geld eruit was. Ik zag dat de MacBook en een Instax mini camera uit de tas waren weggehaald.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het ten laste gelegde onder parketnummer 18-250904-25 primair, onder parketnummer 18-261064-25 feit 1 en onder parketnummer 18-280876-25 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
Parketnummer 18-250904-25
hij op 24 augustus 2025 te Leeuwarden,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven, immers heeft verdachte
-
die [slachtoffer 1] onderuit geduwd ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] ten val is gekomen en
-
vervolgens met kracht en met gebalde vuist gestompt tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en
-
vervolgens met kracht en met geschoeide voet tegen het hoofd, van die [slachtoffer 1] geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Parketnummer 18-261064-25
1
hij op 21 mei 2025 te Leeuwarden een fiets, die aan [slachtoffer 2] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Parketnummer 18-280876-25
hij op 16 augustus 2025 te Leeuwarden, een tas en een laptop en een geldbedrag en een camera, die aan [slachtoffer 4] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Parketnummer 18-250904-25
Het primair bewezen verklaarde levert op:
poging tot doodslag
Parketnummer 18-261064-25
Het bewezen verklaarde levert op:
1. diefstal
Parketnummer 18-280876-25
Het bewezen verklaarde levert op:
diefstal
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde onder parketnummer 18-250904-25 meer subsidiair, onder parketnummer 18-261064-25 feit 1 en onder parketnummer 18-280876 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest, en tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden met daarbij de beslissing tot dadelijke uitvoerbaarheid. Ook heeft hij daarbij gevorderd om een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (hierna: GVM-maatregel) ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op te leggen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en om te beslissen dat verdachte wordt behandeld en zo snel mogelijk hulp krijgt. Verdachte is gemotiveerd en heeft volledig meegewerkt bij de politie, de reclassering en de rapportages van de psycholoog en psychiater. Hij wil zich richten op een positieve toekomst zonder alcohol en drugs. De verdediging verzoekt rekening te houden met het advies van de deskundigen om het ten laste gelegde verdachte in verminderde mate toe te rekenen. Binnen een strak en voorspelbaar kader functioneert verdachte aanmerkelijk beter. Indien tbs met voorwaarden wordt opgelegd, een maatregel die veel van verdachte zal vergen en mogelijk ruime tijd zal duren, zal een langere gevangenisstraf dan de reeds ondergane voorlopige hechtenis niet meer opportuun zijn.
De verdediging heeft daarbij nog aangevoerd dat, hoewel de psycholoog en psychiater tbs met voorwaarden adviseren, een andere modaliteit mogelijk is. In combinatie met een GVM-maatregel kan de rechtbank ook kiezen voor een voorwaardelijke straf met dezelfde geadviseerde voorwaarden.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het psychiatrisch onderzoek pro Justitia van D.T. van der Werf van 3 juni 2026, het psychologisch onderzoek pro Justitia van N. van der Weegen van 26 mei 2026 en het reclasseringsadvies van GGZ VNN van 31 augustus 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 augustus 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Tijdens een ruzie met aangever is hij achter aangever aangerend en heeft hij hem in de rug geduwd. Vervolgens heeft hij, terwijl aangever op de grond lag, een vuistslag uitgedeeld en met kracht op het hoofd van aangever gestampt. Verdachte heeft door zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Het is daarnaast een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke geweldsincidenten zich nog gedurende langere tijd angstig en onveilig kunnen voelen en/of nadelige psychologische gevolgen van het gebeurde kunnen ondervinden. Ter terechtzitting is duidelijk geworden wat voor impact deze gebeurtenis op aangever heeft gehad. Dit geweld heeft ook op de openbare weg plaatsgevonden, waardoor meerdere omstanders daarvan getuige zijn geweest. Dergelijk geweld in de openbaarheid veroorzaakt gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij.
Verdachte heeft zich verder nog schuldig gemaakt aan twee diefstallen, waarmee hij aantoont weinig respect te hebben voor de eigendommen van anderen.
Persoon van verdachte Strafblad
Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij meermaals onherroepelijk is veroordeeld voor met name vermogensfeiten, maar ook voor geweldsfeiten. Aan verdachte zijn daarbij eerder taakstraffen, onvoorwaardelijke gevangenisstraffen en voorwaardelijke gevangenisstraffen met bijzondere voorwaarden opgelegd.
Rapport van de psychiater
De psychiater heeft in de zaak met parketnummer 18-250904-25 het volgende gerapporteerd. Bij verdachte is sprake van een ondertussen mogelijk chronisch verlopende paranoïde-hallucinatoire psychotische stoornis en een al jarenlang bestaande forse verslaving aan alcohol in combinatie met overmatig gebruik van cocaïne en in mindere mate cannabis. Annex hieraan (maar mogelijk ook al vooraf) spelen antisociale gedragscomponenten. Voorts bleek bij verdachte een functioneren op het grensvlak van zwakbegaafdheid of licht verstandelijke beperkingen. Met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan gesteld worden dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan onder forse invloed van in ieder geval alcohol en cocaïne, waardoor zijn werkelijkheidstoetsing en zelfregulatie extra verslechterd zijn geweest. Ook wanneer hij niet onder invloed is, zijn verdachtes algehele oordeelsvermogen, de zelfregulatie en de inschatting van sociale situaties al matig ontwikkeld, overeenkomstig de vastgestelde verminderde verstandelijke en sociaal-emotionele beperkingen. Geadviseerd wordt daarom om het ten laste gelegde verdachte in verminderde mate toe te rekenen.
Rapport van de psycholoog
De psycholoog heeft in de zaak met parketnummer 18-250904-25 het volgende gerapporteerd. Verdachte lijdt aan een licht verstandelijke beperking, aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis en aan ernstige stoornissen in het gebruik van alcohol en cocaïne. Verdachte was ten tijde van het ten laste gelegde de gehele dag onder invloed van middelen en door zijn antisociale persoonlijkheidsstoornis heeft hij een gebrekkig functionerend geweten, weinig empathie en schiet de frustratietolerantie tekort. Door de licht verstandelijke beperking ontbreekt het verdachte aan vaardigheden om op meer adequate wijze met problemen om te gaan. Door de combinatie van deze factoren bestrijdt verdachte onlustgevoelens met alcoholgebruik, hetgeen zijn al gebrekkige remming en frustratietolerantie nog verder doet afnemen. Nu zijn stoornissen hem belemmerden in het maken van andere keuzes, is het advies om verdachte het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen.
Rapport van de reclassering
De reclassering heeft in de zaak met parketnummer 18-250904-25 het volgende gerapporteerd. Verdachte heeft op vrijwel alle leefgebieden zijn leven niet op orde. Huisvesting is al jaren instabiel en sinds 2024 leeft verdachte overwegend op straat. Een zinvolle dagbesteding ontbreekt sinds 2023. Verdachte heeft schulden, geen inkomen en geen zorgverzekering. Het wegvallen van een structurerende gezinsomgeving (verdachte is sinds 2024 weg bij zijn ex-partner) heeft zijn afglijden versneld. Verdachte verviel opnieuw in fors gebruik van alcohol en cocaïne. Beschermende factoren zijn de relatie met zijn moeder, de vrijwillige inname van antipsychotica, zijn bekennende proceshouding en de bereidheid mee te werken aan tbs met voorwaarden.
Verminderde toerekeningsvatbaarheid
De rechtbank neemt ten aanzien van de mate van toerekenbaarheid voor het onder parketnummer 18-250904-25 primair bewezen verklaarde de conclusies van de psychiater en psycholoog over. Ten tijde van het feit werd het (psychisch) functioneren van verdachte beïnvloed en beperkt door de bij hem aanwezige stoornissen. Dit leidt tot het oordeel van de rechtbank dat het bewezen verklaarde feit in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.
Tbs-maatregel
Rapport van de psychiater
Omtrent de vraag in welke vorm een eventuele behandeling dient plaats te vinden heeft de psychiater het volgende gerapporteerd.
De kans op soortgelijke geweldsincidenten zijn bij verdachte sterk gerelateerd aan middelengebruik bovenop zijn verstandelijke ontwikkelingsstoornis en antisociale persoonlijkheidskenmerken. Daarbij zullen ook de paranoïde-hallucinatoire symptomen doorgaans zijn functioneren inperken. De inschatting is dat de kans op recidive hoog blijft als er in de toekomst onvoldoende behandeling en begeleiding plaatsvindt.
Geadviseerd wordt om te starten met een nadere klinische stabilisatie, een forensisch-psychiatrische behandeling en vervolgens de ontwikkeling van een resocialisatietraject; dit alles binnen een forensisch-psychiatrische kliniek met eerst een hoge zorgintensiteit. Het beveiligingsniveau en de zorgintensiteit zullen stapsgewijs afgebouwd en naadloos overgedragen moeten worden binnen aansluitend semimurale en vervolgens forensische beschermende woonvoorzieningen met dan ambulante behandeling door een Forensisch FACT-LVB. Het is goed denkbaar dat in geval van een tbs met voorwaarden de daarbij horende afschrikking van dwangverpleging bij verdachte tot voldoende medewerking aan behandelafspraken zal leiden. Een voorwaardelijk strafdeel is ook overwogen, maar dat heeft als belangrijk nadeel dat, in geval verdachte de hem gestelde voorwaarden toch gaat overtreden, er dan nog slechts gevangenisstraf resteert. De kansen op soortgelijke delicten zijn dan weer groot.
Rapport van de psycholoog
De psycholoog heeft het volgende gerapporteerd. Het gebrek aan remming, het gebrek aan empathie en aan een adequaat functionerend geweten, het gebrek aan vaardigheden om te gaan met onlustgevoelens en de gebrekkige frustratietolerantie, samenhangend met zowel de verstandelijke beperking als de antisociale persoonlijkheidsstoornis, dragen bij aan het risico op recidive in gewelddadig gedrag. Zodra de externe structuur wegvalt en verdachte bij onlustgevoelens middelen kan gebruiken, wordt het recidiverisico als hoog ingeschat.
Geadviseerd wordt om verdachte weer klinisch op te nemen in een setting met expertise op het gebied van persoonlijkheidsstoornissen, verslaving en verstandelijke beperkingen en hem van daaruit langzaam en geleidelijk aan te resocialiseren, waarbij gedacht wordt aan een start in een FPK of FVK met geleidelijke verlofopbouw en dan een verblijf in een gestructureerde beschermde woonvorm. Om verdachte langdurig te kunnen behandelen en langdurig het recidiverisico te kunnen beheersen, adviseert de psycholoog het voorgestelde behandeltraject binnen een kader van een tbs-maatregel met voorwaarden te doen plaatsvinden.
Rapport van de reclassering
De reclassering heeft het volgende gerapporteerd. De reclassering schat het risico op recidive in als hoog, mede vanwege de ernst en toename van de (gewelds)delicten, de problematiek op vrijwel alle leefgebieden en de beperkte beschermende factoren. Het risico op letsel wordt tevens ingeschat als hoog gezien de aard en ernst van het feit en de in het delictpatroon zichtbare verharding sinds 2024. Eerdere ambulante trajecten, toezichtkaders en voorwaardelijke kaders hebben onvoldoende duurzaam resultaat opgeleverd en zijn herhaaldelijk voortijdig beëindigd door terugval in middelengebruik en het niet nakomen van afspraken en voorwaarden. De reclassering kan zich vinden in het advies van de pro Justitia-rapporteurs, die een tbs met voorwaarden een haalbaar kader achten en een deels voorwaardelijke straf afraden. Het IFZ heeft een indicatie afgegeven op niveau drie en verdachte is geaccepteerd en op de wachtlijst voor de kliniek [instelling 2] geplaatst.
De reclassering concludeert dat de noodzakelijke behandeling en begeleiding het beste geborgd kunnen worden binnen een tbs met voorwaarden. De afschrikwekkende werking van een dreigende omzetting naar dwangverpleging, in combinatie met een klinische start direct aansluitend op detentie, biedt het kader dat verdachte nodig heeft en dat hem tot nog toe heeft ontbroken. De reclassering adviseert daarom positief over een tbs met voorwaarden.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard zich aan alle voorgestelde voorwaarden bij een eventuele tbs te willen houden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is met de deskundigen van oordeel dat er sprake is van een hoog recidiverisico en dat dit risico enkel door een intensieve behandeling kan worden teruggedrongen. De vraag die aan de rechtbank voorligt is in welk juridisch kader die behandeling moet plaatsvinden. De deskundigen zijn allen van oordeel dat de behandeling dient plaats te vinden in een kader van tbs met voorwaarden. De rechtbank is met de psychiater van oordeel dat een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden als belangrijk nadeel heeft dat er na overtreding van voorwaarden enkel een gevangenisstraf resteert. De rechtbank acht dit onvoldoende als stok achter de deur, mede gelet op eerder mislukte hulpkaders.
Aan de voorwaarden voor tbs zoals omschreven in artikel 37a Sr is voldaan. De door verdachte begane feiten betreffen misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer zijn gesteld. Op grond van de rapportages stelt de rechtbank daarbij vast dat bij verdachte tijdens het begaan van de feiten sprake was van stoornissen. Gelet op het hoge recidiverisico en de behandeling die verdachte nodig heeft, eist de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, dat verdachte ter beschikking wordt gesteld. Met de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat dit in het kader van tbs met voorwaarden dient te zijn. De rechtbank zal daarbij de door de reclassering geadviseerde voorwaarden overnemen en opleggen aan verdachte.
Gelet op de hoogte van de gevangenisstraf die de rechtbank zal opleggen, ziet de rechtbank geen aanleiding om de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De rechtbank zal later ingaan op de op te leggen gevangenisstraf.
De rechtbank overweegt tot slot dat de tbs wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt van het lichaam van een of meer personen, namelijk poging tot doodslag. Dit betekent dat in het geval het tot omzetting naar tbs met dwangverpleging komt, de totale duur van de tbs een periode van vier jaren te boven mag gaan.
GVM-maatregel
Naast de tbs met voorwaarden wordt door de deskundigen geadviseerd de GVM-maatregel op te leggen.
De psychiater heeft daarbij overwogen dat de afschrikking van dwangverpleging bij verdachte tot voldoende medewerking aan behandelafspraken zal leiden, maar dat er wel enige twijfel bestaat of hem dat ook op de langere termijn blijft lukken. Een GVM-maatregel zal naar verwachting in de toekomst ook een hiervoor benodigd kader voor langere tijd kunnen bewerkstelligen.
De psycholoog heeft ook gewezen op het hoge recidiverisico en de hardnekkige problematiek, bij het in overweging geven van het opleggen van deze maatregel.
De reclassering heeft in haar rapport dit advies overgenomen en het volgende daarover gerapporteerd. Bij betrokkene is sprake van een complexe en langdurige combinatie van ernstige verslavingsproblematiek, een psychotische stoornis, een lichte verstandelijke beperking en antisociale gedragskenmerken. Deze problematiek kent een chronisch karakter en hangt samen met een hoog risico op gewelddadige recidive, met name wanneer sprake is van terugval in middelengebruik, het wegvallen van toezicht en begeleiding, psychiatrische ontregeling of maatschappelijke teloorgang. Eerdere ambulante trajecten, toezichtkaders en voorwaardelijke kaders hebben onvoldoende duurzaam resultaat opgeleverd en zijn herhaaldelijk voortijdig
beëindigd door terugval in middelengebruik en het niet nakomen van afspraken en voorwaarden. Hoewel betrokkene gemotiveerd is voor behandeling en binnen een gestructureerde en beveiligde omgeving laat zien dat stabilisatie mogelijk is, kan op dit moment niet worden uitgesloten dat ook na afloop van een tbs met voorwaarden nog een noodzaak bestaat tot forensische begeleiding, monitoring en behandeling.
Gezien de ernst van de problematiek, de beperkte beschermende factoren en de lange geschiedenis van terugval acht de reclassering het van belang dat er een juridisch kader beschikbaar blijft om de maatschappelijke risico's te beheersen en het resocialisatietraject te ondersteunen.
De GVM-maatregel biedt in dat kader een aanvullend en langdurig vangnet ten behoeve van een veilige terugkeer in de maatschappij. Daarnaast kan de maatregel een passend alternatief bieden wanneer in de toekomst blijkt dat voortzetting van begeleiding en toezicht nog wel noodzakelijk is, maar een tbs-kader niet langer aangewezen wordt geacht. Voor betrokkene kan dit betekenen dat toezicht, begeleiding en risicomanagement in een minder ingrijpend juridisch kader kunnen worden voortgezet, indien de ontwikkeling van betrokkene daartoe aanleiding geeft.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank vindt oplegging van de GVM-maatregel passend en geboden. De rechtbank sluit zich aan bij de door de reclassering gegeven motivering.
Op te leggen straf
De rechtbank heeft bij gebrek aan landelijk vastgestelde oriëntatiepunten voor dergelijke feiten voor de op te leggen straf aansluiting gezocht bij straffen die in soortgelijke gevallen met name ten aanzien van poging tot doodslag worden opgelegd. De rechtbank komt vanwege de zwaardere kwalificatie tot een hoger uitgangspunt dan de officier van justitie, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.
Desalniettemin ziet de rechtbank redenen om een lagere gevangenisstraf op te leggen dan dit uitgangspunt. Daarbij houdt de rechtbank onder meer rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en het intensieve karakter van de mogelijk langdurende tbs-maatregel. Gelet op die omstandigheden vindt de rechtbank de eis van de officier van justitie, ondanks de andere kwalificatie, passend. De rechtbank ziet gelet op de aard en ernst van de feiten geen ruimte voor een lagere gevangenisstraf of een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, zoals betoogd door de raadsman.
Alles afwegende acht de rechtbank daarom een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Gelet op de opgelegde straf ziet de rechtbank geen aanleiding om de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
Benadeelde partij
Parketnummer 18-250904-25
[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 250,00 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Parketnummer 18-261064-25
[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 650,00 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 1] integraal toegewezen kan worden, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] heeft hij zich op het standpunt gesteld dat deze niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, nu deze onvoldoende onderbouwd is.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om de vordering van [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk te verklaren, nu de kleding in het dossier niet overeenkomt met de kleding op de screenshots die zijn bijgevoegd ter onderbouwing van de vordering. Blijkens de beelden droeg de benadeelde partij ook geen hoodie, terwijl hij wel vergoeding vordert van een hoodie.
Met de officier van justitie is de raadsman van mening dat de vordering van [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, primair vanwege de verzochte vrijspraak, en subsidiair nu deze onvoldoende is onderbouwd.
Oordeel van de rechtbank
Parketnummer 18-250904-25
De rechtbank stelt vast dat de verbalisanten veel bloed bij [slachtoffer 1] hebben gezien toen zij ter plaatse kwamen. De rechtbank acht het dan ook aannemelijk dat de kleding die hij droeg daarbij beschadigd is. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18-250904-25 primair bewezen verklaarde. Met de verdediging is de rechtbank wel van oordeel dat op de beelden niet te zien is dat de benadeelde partij een hoodie droeg tijdens de geweldshandelingen. De rechtbank zal dan ook een lager bedrag toekennen dan gevorderd. Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek schat de rechtbank de hoogte van de schade op 100,00. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 24 augustus 2025, en voor het overige deel afwijzen.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Parketnummer 18-261064-25
De rechtbank is van oordeel dat het voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18-261064-25 feit 1 bewezen verklaarde. De rechtbank is daarbij, anders dan de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat de benadeelde partij de vordering voldoende heeft onderbouwd. Zij heeft goed uitgelegd waarom er geen bon of rekeningafschrijving bij de vordering gevoegd is. Dat zij niet heeft aangetoond dat de fiets niet verzekerd was, staat niet in de weg van toewijzing van de vordering. Wel zal de rechtbank een afschrijvingspercentage van 10% per jaar toepassen, nu de nieuwwaarde van de fiets is verzocht en de fiets in 2023 is gekocht. De vordering zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van 520,00, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 21 mei 2025, en voor het overige deel worden afgewezen.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling
Ten aanzien van de veroordeling met parketnummer 18-100095-24
Bij onherroepelijk vonnis van 9 september 2024 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden, is verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 24 september 2024. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.
De officier van justitie heeft bij vordering van 26 augustus 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Uit de justitiële documentatie blijkt dat de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straf al eerder volledig is bevolen. De rechtbank zal het openbaar ministerie daarom niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van deze vordering.
Ten aanzien van de veroordeling met parketnummer 18-381288-24
Bij onherroepelijk vonnis van 3 oktober 2025 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 18 oktober 2025.
Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.
De officier van justitie heeft bij vordering van 23 juli 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Nu de bij dit vonnis bewezen verklaarde feiten gepleegd zijn voorafgaand aan het bovenstaande vonnis van de politierechter, zal de rechtbank het openbaar ministerie ook niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van deze vordering.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 38, 38a, 38d, 38z, 45, 57, 63, 287, 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 18-261064-25 feit 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder parketnummer 18-250904-25 primair, onder parketnummer 18-261064-25 feit 1 en onder parketnummer 18-280876-25 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Gelast dat veroordeelde ter beschikking zal worden gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden:
-
dat de veroordeelde zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
-
dat de veroordeelde meewerkt aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
-
de veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering, waarbij de reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
-
de veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien om de identiteit van de veroordeelde vast te stellen;
-
de veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering;
-
de veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is;
-
de veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken;
-
de veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
-
de veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
-
de veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met betrokkene, als dat van belang is voor het toezicht;
-
dat de veroordeelde, als de reclassering dat nodig vindt en de veroordeelde daarmee instemt, voor een time-out kan worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;
4. dat de veroordeelde niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederland gaat, zonder toestemming van de reclassering;
5. dat de veroordeelde zich laat opnemen in een reguliere forensisch-psychiatrische kliniek (FPK) met een beveiligingsniveau 3 en met expertise op het gebied van de combinatie van verslavingen, psychosen, verstandelijke beperkingen en antisociale gedragingen, of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing, waarbij de opname zolang duurt als de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt.
Wanneer er na de detentie van de veroordeelde geen plek is in de beoogde kliniek, laat de veroordeelde zich opnemen in het kader van overbruggingszorg, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing, waarbij de opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
Indien van toepassing werkt de veroordeelde mee aan overbruggingszorg. Hij werkt mee aan vervoer via DV&O;
6. Indien geïndiceerd door de behandelaren van de kliniek en/of de reclassering laat de veroordeelde zich behandelen door een ambulant zorgverlener, bij voorkeur een Forensisch FACT-team met expertise op het gebied van een licht verstandelijke beperking, te bepalen door de reclassering, waarbij de behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
7. dat de veroordeelde, indien geïndiceerd door de behandelaren van de kliniek en/of de reclassering, verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering en zolang de reclassering nodig dat vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
8. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles, die kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek en speekseltest, waarbij de reclassering bepaalt hoe vaak en met welke controlemiddelen wordt gecontroleerd;
9. dat de veroordeelde geen alcohol gebruikt en meewerkt aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren, waarbij de reclassering bepaalt hoe vaak en met welke controlemiddelen wordt gecontroleerd;
10. dat de veroordeelde de medicatie inneemt die hem door zijn behandelaar wordt voorgeschreven, waaronder de antipsychotische medicatie, en meewerkt aan controle op de inname daarvan;
11. dat de veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van een passende dagbesteding (betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding), met een vaste structuur;
12. dat de veroordeelde meewerkt aan bewindvoering en het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen;
13. dat de veroordeelde op een actieve manier zijn sociaal netwerk inzichtelijk houdt voor de reclassering.
Draagt de reclassering op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.
Legt op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking, als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
Ten aanzien van parketnummer 18-250904-25 primair
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:
-
het bedrag van 100,00 (zegge: honderd euro);
-
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening;
-
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Wijst de vordering van [slachtoffer 1] voor het overige af.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 100,00 (zegge: honderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 1 dag kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van parketnummer 18-261064-25 feit 1
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 3] te betalen:
-
het bedrag van 520,00 (zegge: vijfhonderdtwintig euro);
-
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 mei 2025 tot de dag van algehele voldoening;
-
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Wijst de vordering van [slachtoffer 3] voor het overige af.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat te betalen een bedrag van 520,00 (zegge: vijfhonderdtwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 mei 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 5 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer
18 100095-24:
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering na voorwaardelijke veroordeling.
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer
18 381288-24
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering na voorwaardelijke veroordeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van den Oever, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. E.S. van den Berg, rechters, bijgestaan door mr. S. Runia, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 oktober 2026.
Mr. Van den Berg en mr. Runia zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.