Materieel strafrecht
Veroordeling medeplegen, drugslab, MDMA, onvoorwaardelijke gevangenisstraf 4 jaar. Geen voorwaardelijk deel…
Rechtbank Den Haag, 23 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:31635 · Rechtbank Den Haag · 23 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/strafrecht/materieel-strafrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbdha-2026-31635
Zaakgegevens
Op 23 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 23 oktober 2026
- Datum publicatie
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 09-175922-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31635
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling medeplegen, drugslab, MDMA, onvoorwaardelijke gevangenisstraf 4 jaar. Geen voorwaardelijk deel vanwege V.I.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/175922-25
Datum uitspraak: 23 oktober 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats],
BRP-adres: [adres].
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 9 oktober 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Limburg, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D.M.P. van Eijsden, naar voren is gebracht.
2 De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3 De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, omdat er geen sprake is van medeplegen. Ook ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
Op 24 oktober 2024 trof de politie op het perceel [adres] in een loods een laboratorium aan voor verdovende middelen. Deze loods was ingericht ten behoeve van de productie van harddrugs, MDMA. Het LFO en het NFI hebben onderzoek gedaan en hebben aan de hand van de aangetroffen voorwerpen en chemicaliën vastgesteld dat deze passen bij het op zeer grote schaal vervaardigen van synthetische drugs en precursoren, MDMA. In de loods is in totaal 599,9 kg aan MDMA aangetroffen.
Verklaring [de moeder]
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van [de moeder], de moeder van verdachte, onbetrouwbaar en dus onbruikbaar zou zijn.
Alvorens verder in te gaan op het bewijs, overweegt de rechtbank over dat verweer als volgt. [de moeder] heeft kort na het aantreffen van het drugslab, namelijk op 25 oktober 2024 een verklaring afgelegd. Maanden later, op 10 april 2025, heeft de politie nogmaals geprobeerd om haar te horen. Dat zij op dat moment weinig wist en angstig was voor de politie, mogelijk door haar mentale gesteldheid, doet geen afbreuk aan de op 25 oktober 2024 afgelegde verklaring. Er is ook verder geen reden om haar verklaring als onbetrouwbaar buiten beschouwing te laten.
De opbouw van de loods
De verdachte heeft ter zitting en bij de politie het volgende verklaard. Zij wilde extra geld verdienen en heeft daarom de leegstaande schuur op [adres] via Marktplaats verhuurd voor een bedrag van 200 euro aan ‘[naam]’, marktplaatsnaam “[gebruikersnaam]”.
De rechtbank maakt uit de bevindingen in het dossier in ieder geval het volgende op. Uit de telefoon van [de moeder], blijkt dat er eind juni en begin juli 2024 veel bedrijvigheid is geweest op het terrein. Zo zijn er schuttingen gekocht en geplaatst waardoor het zicht op de schuur werd afgeschermd. De opbouw en de inrichting van dit lab moet, gelet op de professionaliteit ervan, zeker enkele weken geduurd hebben. Dit wordt ook ondersteund door de verklaringen van [de moeder]. Zij heeft verklaard dat er meerdere maanden werkzaamheden zijn geweest op het perceel en dat het lang duurde. Ook werd zij hiervan op de hoogte gehouden door haar dochter, de verdachte. Verdachte woonde in die periode op het terrein van [adres].
De wetenschap en betrokkenheid van de verdachte
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen weet had van wat er in de schuur gebeurde. De verdachte heeft verklaard dat zij dacht dat er een meubelrenovatie bedrijf in de loods zou komen. Zij heeft nooit iets gemerkt of geroken van MDMA-productie. De verdachte heeft ter zitting wel verklaard dat zij mannen met maskers op heeft zien lopen.
Marktplaats advertentie en verhuur loods
Hoewel ruim daarvoor al bedrijvigheid op het terrein was die duidt op opbouw van de loods in en bij de schuur, blijkt uit het dossier blijkt dat pas op 24 september 2024 door de verdachte een Marktplaats-advertentie is geplaatst om de schuur op het terrein te verhuren en dat zij de schuur vervolgens heeft verhuurd aan “[naam]”. Uit het onderzoek naar de laptop van verdachte is echter gebleken dat er al op 25 juli 2026 een huurcontract is opgesteld met regels omtrent het verhuren van deze schuur en dat dit document voor het laatst op 18 september 2024 is bewerkt. Opvallend is dat dit document reeds de naam van de huurder ‘[naam]’ bevatte, terwijl het eerste contact, volgens de verklaring van de verdachte, met ‘[naam]’ pas op 25 september 2024 is geweest, na het plaatsen van de marktplaatsadvertentie. Ook uit de marktplaatscorrespondentie in het dossier blijkt dat de schuur reeds verhuurd was toen de marktplaatsadvertentie werd geplaatst. Opvallend hier is dat “[gebruikersnaam]” direct reageert met de vraag of de schuur beschikbaar is en niet om meer gegevens vraagt, terwijl andere marktplaatsgebruikers wel om meer informatie vragen. Daarnaast komt “[gebruikersnaam]” dezelfde avond langs en is de schuur binnen 24 uur verhuurd. Uit het dossier blijkt dat ‘[naam]’ niet de persoon was aan wie de schuur verhuurd was maar dat het account “[gebruikersnaam]” op marktplaats werd gebruikt door medeverdachte [medeverdachte 1].
Veelvuldig contact met medeverdachten,
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt voorts dat de verdachte veelvuldig contact had met medeverdachte [medeverdachte 2]. Uit het onderzoek naar de telefoon van de verdachte blijkt dat zij in de periode van de opbouw van de loods en de periode erna 108 keer telefonisch contact hebben gehad. Daarnaast blijkt uit de historische gegevens van de medeverdachten [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] dat zij gedurende deze periode veelvuldig gebruik maakten van de zendmast in de omgeving van [adres]. Tot slot heeft zij de medeverdachten ook toegang tot haar terrein gegeven, zodat zij gebruik konden maken van de loods op het perceel en blijkt uit chatgesprekken dat ook de stroomvoorzieningen voor de loods via de verdachte liepen.
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring vereist is dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van verdovende middelen, dan wel bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze middelen of goederen aanwezig waren.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte wist dat in de loods MDMA werd geproduceerd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte heeft meegewerkt aan het opzetten van een dekmantel via Marktplaats en dat in de huurovereenkomst expliciet is opgenomen dat een hennepkwekerij of andere illegale activiteiten niet zijn toegestaan. Verdachte heeft hierover verklaard dat zij deze bepaling heeft opgenomen omdat zij op internet had gelezen dat dergelijke situaties zich weleens voordoen. Uit haar eigen verklaring volgt echter ook dat zij geen nader onderzoek heeft gedaan naar wat zich daadwerkelijk in de loods afspeelde. Daarbij komt dat uit een tapgesprek met getuige [getuige] blijkt dat de verdachte sprak over “wiet”, waar het in eerste instantie om zou gaan, maar dat later bleek dat het om iets anders ging. Ook haar verklaring dat zij mannen met maskers heeft gezien, duidt erop dat zij kon weten dat het om iets anders ging dan om wiet of legale bedrijvigheid. Dat geldt te meer nu bij een reguliere meubelrenovatie in beginsel niet zonder meer een dergelijke bescherming hoeft te worden verwacht.
De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte wist, al was het maar in de zin van voorwaardelijk opzet, van de aanwezigheid van verdovende middelen in de loods en dat het om andere verdovende middelen dan wiet ging.
De verdachte was niet alleen op de hoogte van wat er gebeurde op haar terrein, waar ze ook woonde, maar heeft daar bovendien ook actief aan meegewerkt. Zonder de bijdrage van de verdachte zou de totstandkoming van het drugslab niet mogelijk zijn geweest. Zij stelde de schuur en de ruimte voor de loods ter beschikking, heeft de werkelijke bestemming van de loods in en bij de schuur verhuld en heeft de medeverdachten in staat gesteld het MDMA-lab op te bouwen en in gebruik te nemen. Zij heeft daartoe alle voorzieningen, ook de nutsvoorzieningen, verstrekt. De rechtbank acht daarmee sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en haar medeverdachten, zodat het tenlastegelegde medeplegen bewezen kan worden geacht.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
zij in de periode van 1 juli 2024 tot en met 24 oktober 2024 te [plaats], gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft bereid en bewerkt en verwerkt, grote hoeveelheden MDMA, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
2
zij op 24 oktober 2024 te [plaats], gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 599,9 kilogram, MDMA,
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5 De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om, voor zover de feiten bewezen kunnen worden verklaard, in de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en haar geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar een maximale taakstraf met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft zich met haar medeverdachten schuldig gemaakt aan het bereiden en bezit van grote hoeveelheden MDMA. Het bestaan van dergelijke hoeveelheden harddrugs vormt een grote bedreiging voor de volksgezondheid. Harddrugs leveren immers gevaren op voor de gezondheid van de gebruikers vanwege de schadelijke neveneffecten en het risico op verslaving en bovendien is van algemene bekendheid dat dergelijke hoeveelheden harddrugs leiden tot verschillende vormen van criminaliteit. De verdachte is betrokken geweest bij een laboratorium waar MDMA geproduceerd werd en waar een grote hoeveelheid daarvan, bijna 600 kilo, is aangetroffen. Bij de productie van dergelijke synthetische drugs wordt gebruik gemaakt van chemische grondstoffen, met alle risico’s van dien. Ook levert het productieproces van synthetische drugs een grote hoeveelheid voor het milieu schadelijke afvalstoffen op die, zo leert de praktijk, vaak illegaal worden gedumpt in de natuur.
Het is een bijzonder grote hoeveelheid MDMA en ook overigens is sprake van bijzonder ernstige feiten.
Verdachte heeft op geen enkel moment verantwoordelijkheid genomen of getoond inzicht te hebben in de laakbaarheid van haar handelen. Ook inzicht in haar drijfveren of een eventueel benarde situatie heeft ze niet gegeven; zelfs gevraagd naar eventuele geldproblemen verklaarde ze wisselend. Gronden voor strafmatiging kunnen daarin dan ook niet worden gevonden.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 1 september 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 21 september 2026, waaruit blijkt dat de reclassering niet tot een goede risicotaxatie kan komen omdat de verdachte de tenlastegelegde feiten ontkent en niet inzichtelijk is kunnen worden wat haar drijfveren waren. De reclassering heeft wel problematiek geconstateerd op het gebied van middelengebruik. De verdachte heeft ook ter zitting verklaard dat zij een groot alcoholprobleem had, maar dat zij zelfstandig heeft kunnen afkicken. De reclassering ziet geen aanleiding om aan de verdachte bijzondere voorwaarden of reclasseringstoezicht op te leggen.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, kan niet worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De gestelde medische situatie van haar moeder brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. In algemene zin is niet duidelijk hoe zij de schijnbaar intensieve zorg verleende op de momenten dat ze (veel en weg van huis) werkte. In elk geval heeft de situatie van haar moeder verdachte niet weerhouden van deze strafbare feiten, terwijl de strafbaarheid en de mogelijke gevolgen daarvan, ook voor de zorg voor anderen, haar duidelijk moeten zijn geweest.
De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is. De rechtbank legt deze straf geheel onvoorwaardelijk op, nu die gelet op de VI-regeling in dit geval voor wat betreft daadwerkelijke vrijheidsbeneming gunstiger is voor de verdachte dan de gevorderde deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Bij toepassing van de VI-regeling zou dat een aantal maanden schelen, zodat de rechtbank die geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf minder bezwarend, maar nog altijd voldoende passend en geboden acht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7 De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht; en
- 2 en 10 van de Opiumwet en de daarbij behorende lijst I.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van deze uitspraak gelden.
8 De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1 primair:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod
ten aanzien van feit 2:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 4 (VIER) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit vonnis is gewezen door
mr. Y.J. Wijnnobel – van Erp, voorzitter,
mr. G.H.M. Smelt, rechter,
mr. I. Jadib, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. R.J. van Egmond, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 oktober 2026.
Bijlage I: tekst tenlastelegging
1
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 24 oktober 2024 te [plaats], gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
- een of meer (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA,
zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
[medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en/of een of meer onbekend gebleven personen
in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 24 oktober 2024 te [plaats]
[plaats], gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een of meer
anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of
verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
- een of meer (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA,
zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan
wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op een of meer
tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 24 oktober 2024 te
[plaats], gemeente [gemeente], opzettelijk gelegenheid en/of
middelen en/of inlichting heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest,
door
- een (nep) advertentie op de website www.marktplaats.nl te plaatsen over de
verhuur van een stuk grond en/of
- een (nep) verhuurovereenkomst op te stellen en/of
- aan die [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en/of onbekend gebleven personen
(herhaaldelijk) toegang te verschaffen tot het terrein behorende bij [adres] en/of
de loods gelegen op dat terrein ter beschikking te stellen;
2
zij op of omstreeks 24 oktober 2024 te [plaats], gemeente
[gemeente] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad
ongeveer 599,9 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende MDMA, zijnde MDMA,
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet