Materieel strafrecht
Verdachte, zijnde een rechtspersoon, heeft zich schuldig gemaakt aan het niet doen van aangifte…
Rechtbank Amsterdam, 22 oktober 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10388 · Rechtbank Amsterdam · 22 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/materieel-strafrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbams-2026-10388
Zaakgegevens
Op 22 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 22 oktober 2026
- Datum publicatie
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- 81/178160-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:10388
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verdachte, zijnde een rechtspersoon, heeft zich schuldig gemaakt aan het niet doen van aangifte vennootschapsbelasting. De rechtbank legt een geldboete van € 8.000,- op. Daarbij weegt zij mee dat aan de bestuurder van verdachte, die gelijktijdig wordt berecht met de rechtspersoon, een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar wordt opgelegd.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81/178160-25
Datum uitspraak: 22 oktober 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] B.V., hierna: verdachte,
gevestigd op het adres [vestigingsadres] .
1 Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 oktober 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.T. Haak, en van wat door [medeverdachte 1] (vertegenwoordiger van verdachte) naar voren is gebracht.
De zaken tegen verdachte zijn gelijktijdig – maar niet gevoegd – behandeld met de zaken tegen medeverdachten
-
[medeverdachte 1] (81/178119-25);
-
[medeverdachte 2] B.V. (81/178141-25).
2 Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan:
het medeplegen van het niet (laten) doen van aangifte vennootschapsbelasting ten name van [verdachte] B.V. over het jaar 2021, terwijl dat feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.
3 Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat sprake is van opzet, omdat bekend was dat belasting moest worden betaald, maar [vertegenwoordiger van verdachte] als de feitelijk leiding gevende van de vennootschap onvoldoende actie heeft ondernomen om de Belastingdienst te informeren omtrent de onroerendgoedtransactie en tot het doen van belastingaangifte te komen. Los van het feit dat het verweer van verdachte op geen enkele wijze is onderbouwd of nader geconcretiseerd, doet het commercieel geschil waar verdachte over heeft verklaard niet af aan de aangifteverplichting.
Het standpunt van de verdediging
[vertegenwoordiger van verdachte] heeft namens verdachte aangevoerd dat de aangifte vennootschapsbelasting niet opzettelijk niet is ingediend, maar dat zijn focus volledig was komen te liggen op het terugdraaien van de onroerendgoedtransactie, die hij als onzakelijk beschouwt. Volgens [vertegenwoordiger van verdachte] werd hij bedreigd en zag hij zich daardoor genoodzaakt het onroerend goed tegen een te lage prijs te verkopen, en akkoord te gaan met een constructie waarbij de verkoopopbrengst werd weggesluisd. Het was niet zijn bedoeling de Belastingdienst te benadelen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het tenlastegelegde bewezen, omdat verdachte de aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2021 opzettelijk niet heeft ingediend. De rechtbank komt tot die conclusie op grond van de volgende feiten en omstandigheden, die zijn ontleend aan wettige bewijsmiddelen.
Bedrijfsstructuur
Volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel van verdachte van 16 augustus 2024 is [naam bedrijf] B.V. sinds 2022 enig aandeelhouder en sinds 2016 bestuurder van deze vennootschap. Van [naam bedrijf] B.V. is [vertegenwoordiger van verdachte] enig aandeelhouder en bestuurder.
Voorgaande maakt [vertegenwoordiger van verdachte] middellijk aandeelhouder en bestuurder van verdachte.
Het niet doen van aangifte vennootschapsbelasting
Op 1 maart 2022 is aan verdachte een brief gestuurd waarin zij werd verzocht aangifte vennootschapsbelasting te doen over het boekjaar 2021. Nadat uitstel was verleend tot 1 mei 2023, is op 26 mei 2023 een herinnering gestuurd voor het doen van deze aangifte. Vervolgens is op 10 juli 2023 een aanmaning verzonden. Ook daarna is geen aangifte vennootschapsbelasting gedaan over het jaar 2021.
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de aangifte vennootschapsbelasting van verdachte over het jaar 2021 niet is ingediend.
Het strekkingsvereiste
Op 31 maart 2021 heeft verdachte onroerend goed, gelegen aan de [adres 1] , verkocht voor een bedrag van € 4.150.000,-. Deze transactie heeft geresulteerd in een boekwinst van € 2.791.924,- (€ 4.150.000,- (verkoopprijs) - € 1.304.242,- (boekwaarde) - € 53.834,- (saldo van behaalde omzet volgens aangifte OB 2021 en schatting kosten/afschrijving)).
Het nadeelbedrag als gevolg van het niet indienen van de aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2021 op naam van verdachte, ondanks deze behaalde boekwinst, bedraagt € 595.875,-, het bedrag dat bij opgave van de eerder vastgestelde boekwinst aan vennootschapsbelasting verschuldigd zou zijn.
Daarmee is voldaan aan het strekkingsvereiste van artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Toerekening aan de rechtspersoon
Een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij mede behoort de aard van de verboden gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon.
Het doen van aangifte vennootschapsbelasting behoort tot de normale bedrijfsvoering van verdachte. Als belastingplichtige was verdachte gehouden aangifte te doen. Het niet indienen van de aangifte is verdachte bovendien dienstig geweest, omdat zij hierdoor minder belasting heeft afgedragen dan waartoe zij gehouden was.
Gelet hierop concludeert de rechtbank dat de verboden gedraging plaatsvond in de sfeer van verdachte en daarom redelijkerwijs aan haar kan worden toegerekend. Dit betekent dat verdachte kan worden aangemerkt als dader van het tenlastegelegde.
Opzet
Naast het daderschap van de rechtspersoon dient ook opzet te kunnen worden vastgesteld bij de rechtspersoon. In het algemeen zal opzet van de leidinggevende functionaris kunnen worden toegerekend aan de rechtspersoon. In dit geval was dit [vertegenwoordiger van verdachte] , als middellijk bestuurder en aandeelhouder van verdachte. Uit het dossier blijkt niet dat andere personen binnen of buiten de onderneming beslissingsbevoegdheid of zeggenschap hadden. [vertegenwoordiger van verdachte] wist dat over de met de transactie behaalde boekwinst vennootschapsbelasting verschuldigd was, maar heeft desondanks akkoord gegeven voor de nihilaangifte waarin deze niet was verwerkt. Dat [vertegenwoordiger van verdachte] naar eigen zeggen niet de bedoeling had de Belastingdienst te benadelen, omdat hij de volledige focus had op het terugdraaien van de transactie en alles wat daaromheen speelde, doet niet af aan de verplichting om belastingaangifte te doen en daarin de transactie verwerken. Op geen enkele manier is aannemelijk gemaakt dat zich omstandigheden hebben voorgedaan die de rechtspersoon van deze verplichting ontsloegen, nog daargelaten dat de vastgoedtransactie tot op heden nooit ongedaan is gemaakt.
Door geen aangifte te doen, heeft [vertegenwoordiger van verdachte] willens en wetens nagelaten aan zijn aangifteplicht te voldoen. Dit handelen kan, gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden, worden toegerekend aan verdachte. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het niet indienen van de aangifte vennootschapsbelasting.
Medeplegen
Hoewel verdachte en [vertegenwoordiger van verdachte] juridisch van elkaar te onderscheiden zijn, vallen hun gedragingen in dit geval met elkaar samen. Onder deze omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [vertegenwoordiger van verdachte] .
De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het tenlastegelegde medeplegen.
4 Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte
in de periode van 1 maart 2022 tot en met 1 mei 2025 in Leiden en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland, opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een digitale aangifte voor de vennootschapsbelasting ten name van [verdachte] B.V. over het jaar 2021 niet heeft gedaan en/of heeft doen/laten doen, terwijl dat feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.
5 Strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6 Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.
7 Motivering van de straffen
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een ‘symbolische’ geldboete ter hoogte van € 8.000,-.
Het standpunt van de verdediging
Verdachte heeft bij monde van [vertegenwoordiger van verdachte] aan de rechtbank verzocht om, indien zij tot een bewezenverklaring komt, te volstaan met een voorwaardelijke straf. Daartoe heeft hij gewezen op de omstandigheden waaronder de vastgoedtransactie heeft plaatsgevonden en het feit dat verdachte sinds 2008 nooit problemen heeft veroorzaakt.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de (financiële) omstandigheden van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het niet doen van aangifte vennootschapsbelasting.
Met haar handelwijze heeft verdachte belasting ontdoken en daarmee het vertrouwen geschaad dat burgers en bedrijven eerlijke en volledige aangiften doen, waarop het belastingstelsel uiteindelijk is gebaseerd. De strafbaarstelling van belastingontduiking strekt niet alleen ter bescherming van de gemeenschapsbelangen die met belastingheffing zijn gemoeid, maar ook ter bescherming van de belangen van andere belastingbetalers. Belastingontduiking kan leiden tot een zwaardere belastingdruk voor alle belastingplichtigen.
Daarnaast draagt het handelen van verdachte bij aan het ondermijnen van de belastingmoraal. Het is van belang dat belastingplichtigen erop kunnen vertrouwen dat fiscale verplichtingen voor iedereen gelden en dat overtreding daarvan niet zonder gevolgen blijft. Wanneer belastingfraude onbestraft blijft, kan dit het normbesef ondermijnen en afbreuk doen aan de bereidheid van belastingplichtigen om hun verplichtingen na te komen. Bovendien leidt het leidt tot oneerlijke concurrentie, omdat burgers en bedrijven die zich wel aan de regels houden worden benadeeld.
De omstandigheden van verdachte
In het kader van de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 5 augustus 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. De Belastingdienst heeft mede vanwege deze kwestie inmiddels een onherroepelijke aanslag vennootschapsbelasting van € 622.876,- met rente aan verdachte opgelegd.
De op te leggen straf
Als straf is ten aanzien van verdachte, een rechtspersoon, uitsluitend een geldboete aangewezen. Bij het bepalen van de hoogte daarvan heeft de rechtbank acht geslagen op de geldboetes die in vergelijkbare strafzaken worden opgelegd. Gelet op de ernst van het feit zou in beginsel een aanzienlijke geldboete passend zijn.
De rechtbank ziet echter, evenals de officier van justitie, aanleiding om de geldboete te matigen. Daarbij weegt zij mee dat aan de bestuurder van verdachte, die gelijktijdig wordt berecht met de rechtspersoon, een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar wordt opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheden een sterk mitigerend effect hebben op de aan verdachte op te leggen straf.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde straf passend is en legt zij een geldboete van € 8.000,- op.
8 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23 en 51 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
9 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] B.V., daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een geldboete ter hoogte van € 8.000,- (achtduizend euro).
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.J.M. Kruizinga, voorzitter,
mrs. A.K. Glerum en C. Wildeman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Groot, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 oktober 2026.