Materieel strafrecht

Verdachte heeft feitelijk leiding gegeven aan het doen van onjuiste aangifte vennootschapsbelasting en het…

Rechtbank Amsterdam, 22 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 22 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
22 oktober 2026
Datum publicatie
22 oktober 2026
Zaaknummer
81/178119-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:10386
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verdachte heeft feitelijk leiding gegeven aan het doen van onjuiste aangifte vennootschapsbelasting en het niet doen van aangifte vennootschapsbelasting. Aan verdachte wordt een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, opgelegd.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 81/178119-25

Datum uitspraak: 22 oktober 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

ter terechtzitting opgegeven adres:

[Woonadres] .

Hierna te noemen: verdachte.

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 oktober 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.T. Haak, en van wat verdachte naar voren heeft gebracht.

De zaken tegen verdachte zijn gelijktijdig – maar niet gevoegd – behandeld met de zaken tegen medeverdachten

  • [medeverdachte 1] B.V (81/178141-25);

  • [medeverdachte 2] B.V. (81/178160-25).

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

feit 1 primair

het feitelijk leiding geven aan het opzettelijk onjuist en/of onvolledig doen van aangifte vennootschapsbelasting ten name van [medeverdachte 1] B.V. over het jaar 2021, terwijl dat feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven;

feit 1 subsidiair

het medeplegen van het opzettelijk onjuist en/of onvolledig doen van aangifte vennootschapsbelasting ten name van [medeverdachte 1] B.V. over het jaar 2021, terwijl dat feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven;

feit 2 primair

het feitelijk leiding geven aan het opzettelijk niet of niet binnen de gestelde termijn doen van aangifte vennootschapsbelasting ten name van [medeverdachte 2] B.V. over het jaar 2021, terwijl dat feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven;

feit 2 subsidiair

het medeplegen van het opzettelijk niet of niet binnen de gestelde termijn doen van aangifte vennootschapsbelasting ten name van [medeverdachte 2] B.V. over het jaar 2021, terwijl dat feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 primair en feit 2 primair beide wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat sprake is van opzet omdat verdachte wist dat belasting moest worden betaald, maar als feitelijk leiding gevende van de vennootschappen onvoldoende actie heeft ondernomen om de Belastingdienst te informeren omtrent de onroerendgoedtransacties en tot een (juiste) aangifte te komen. Los van het feit dat verdachte zijn verweer op geen enkele wijze heeft onderbouwd of nader heeft geconcretiseerd, doet het commercieel geschil waar verdachte over heeft verklaard niet af aan de aangifteverplichtingen.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hij niet opzettelijk geen of onjuiste aangifte vennootschapsbelasting heeft gedaan, maar dat zijn focus volledig was komen te liggen op het terugdraaien van de onroerendgoedtransacties, die hij als onzakelijk beschouwt. Volgens verdachte werd hij bedreigd en zag hij zich daardoor genoodzaakt het onroerend goed tegen een te lage prijs te verkopen, en akkoord te gaan met een constructie waarbij de verkoopopbrengst werd weggesluisd. Het was niet zijn bedoeling de Belastingdienst te benadelen.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

[medeverdachte 1] B.V. (feit 1)

De rechtbank acht het primair tenlastegelegde bewezen, omdat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het opzettelijk onjuist en onvolledig doen van aangifte vennootschapsbelasting ten name van [medeverdachte 1] B.V. over het jaar 2021. De rechtbank komt tot die conclusie op grond van de volgende feiten en omstandigheden, die zijn ontleend aan wettige bewijsmiddelen.

Bedrijfsstructuur

Volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel van [medeverdachte 1] B.V. van 19 augustus 2024 is [medeverdachte 2] B.V. sinds 2021 enig aandeelhouder van deze vennootschap. [naam bedrijf] B.V. is sinds datzelfde jaar bestuurder. Van aandeelhouder [medeverdachte 2] B.V. is [naam bedrijf] B.V. enig aandeelhouder en bestuurder. Verdachte is op zijn beurt enige aandeelhouder en bestuurder van [naam bedrijf] B.V.

Voorgaande maakt verdachte middellijk aandeelhouder en bestuurder van [medeverdachte 1] B.V.

Het onjuist/onvolledig doen van aangifte vennootschapsbelasting

Op 31 maart 2021 heeft [medeverdachte 1] B.V. het onroerend goed, gelegen aan de [adres 1] , alsmede de helft van het voorgelegen perceel, verkocht voor een bedrag van € 1.150.000,-. Deze transactie heeft geresulteerd in een boekwinst van € 828.521,- (€ 1.150.000,- (verkoopprijs) - € 321.479,- (boekwaarde)).

Verdachte heeft op 1 mei 2023 akkoord gegeven voor een nihilaangifte over het jaar 2021, waarin zowel aan het begin als aan het einde van het boekjaar dezelfde boekwaarde staat vermeld. Deze nihilaangifte is vervolgens door [accountant] van [accountantskantoor] namens [medeverdachte 1] B.V. bij de Belastingdienst ingediend. In deze aangifte is de hiervoor genoemde boekwinst niet verwerkt.

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de aangifte vennootschapsbelasting van [medeverdachte 1] B.V. over het jaar 2021 onjuist en onvolledig is ingediend.

Het strekkingsvereiste

Het nadeelbedrag als gevolg van de onjuist ingediende aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2021 op naam van [medeverdachte 1] B.V. bedraagt € 182.630,-, het bedrag dat bij een juiste opgave van de eerder vastgestelde boekwinst aan vennootschapsbelasting verschuldigd zou zijn.

Daarmee is voldaan aan het strekkingsvereiste van artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Opzet en feitelijk leidinggeven

Verdachte was ten tijde van het indienen van de aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2021 middellijk aandeelhouder en bestuurder van [medeverdachte 1] B.V. Uit het dossier blijkt niet dat andere personen binnen of buiten de onderneming beslissingsbevoegdheid of zeggenschap hadden. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat verdachte als feitelijk leidinggever kan worden aangemerkt en als zodanig verantwoordelijk was voor het juist en volledig indienen van de aangifte vennootschapsbelasting bij de Belastingdienst.

Verdachte wist ook dat [medeverdachte 1] B.V. vennootschapsbelasting verschuldigd was over de boekwinst die met de vastgoedtransactie was behaald en dat hij daarvoor als (middellijk) aandeelhouder en bestuurder verantwoordelijk was. Dat verdachte naar eigen zeggen niet de bedoeling had de Belastingdienst te benadelen, omdat hij de volledige focus had op het terugdraaien van de transactie en alles wat daaromheen speelde, doet niet af aan zijn verplichting om de transactie in de aangifte te verwerken. Verdachte heeft op geen enkele manier aannemelijk gemaakt dat zich omstandigheden hebben voorgedaan die hem van deze verplichting ontsloegen, nog daargelaten dat de vastgoedtransactie tot op heden nooit ongedaan is gemaakt.

Door de transactie desondanks niet te vermelden in de aangifte, heeft verdachte willens en wetens nagelaten de aangifte juist en volledig te doen. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte opzettelijk feitelijk leiding heeft gegeven aan het onjuist en onvolledig doen van de aangifte vennootschapsbelasting.

[medeverdachte 2] B.V. (feit 2)

De rechtbank acht het primair tenlastegelegde bewezen, omdat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het opzettelijk niet doen van aangifte vennootschapsbelasting ten name van [medeverdachte 2] B.V. over het jaar 2021. De rechtbank komt tot die conclusie op grond van de volgende feiten en omstandigheden, die zijn ontleend aan wettige bewijsmiddelen.

Bedrijfsstructuur

Volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel van [medeverdachte 2] B.V. van 16 augustus 2024 is [naam bedrijf] B.V. sinds 2022 enig aandeelhouder en sinds 2016 bestuurder van deze vennootschap. Van [naam bedrijf] B.V. is verdachte enig aandeelhouder en bestuurder.

Voorgaande maakt verdachte middellijk aandeelhouder en bestuurder van [medeverdachte 2] B.V.

Het niet doen van aangifte vennootschapsbelasting

Op 1 maart 2022 is aan [medeverdachte 2] B.V. een brief gestuurd waarin zij werd verzocht aangifte vennootschapsbelasting te doen over het boekjaar 2021. Nadat uitstel was verleend tot 1 mei 2023, is op 26 mei 2023 een herinnering gestuurd voor het doen van deze aangifte. Vervolgens is op 10 juli 2023 een aanmaning verzonden. Ook daarna is geen aangifte vennootschapsbelasting gedaan over het jaar 2021.

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de aangifte vennootschapsbelasting van [medeverdachte 2] B.V. over het jaar 2021 niet is ingediend.

Het strekkingsvereiste

Op 31 maart 2021 heeft [medeverdachte 2] B.V. onroerend goed, gelegen aan de [adres 2] , verkocht voor een bedrag van € 4.150.000,-. Deze transactie heeft geresulteerd in een boekwinst van € 2.791.924,- (€ 4.150.000,- (verkoopprijs) - € 1.304.242,- (boekwaarde) - € 53.834,- (saldo van behaalde omzet volgens aangifte OB 2021 en schatting kosten/afschrijving)).

Het nadeelbedrag als gevolg van het niet indienen van de aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2021 bedraagt € 595.875,-, het bedrag dat bij een juiste opgave van de eerder vastgestelde boekwinst aan vennootschapsbelasting verschuldigd zou zijn.

Daarmee is voldaan aan het strekkingsvereiste van artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Opzet en feitelijk leidinggeven

Verdachte was ten tijde van het niet indienen van de aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2021 middellijk aandeelhouder en bestuurder van [medeverdachte 2] B.V. Uit het dossier blijkt niet dat andere personen binnen of buiten de onderneming beslissingsbevoegdheid of zeggenschap hadden. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat verdachte als feitelijk leidinggever kan worden aangemerkt en als zodanig verantwoordelijk was voor het indienen van de aangifte vennootschapsbelasting bij de Belastingdienst.

Verdachte wist ook dat [medeverdachte 2] B.V. vennootschapsbelasting verschuldigd was over de boekwinst die met de vastgoedtransactie was behaald. Dat verdachte naar eigen zeggen niet de bedoeling had de Belastingdienst te benadelen, omdat hij de volledige focus had op het terugdraaien van de transactie en alles wat daaromheen speelde, doet niet af aan zijn verplichting om de transactie in de aangifte te vermelden. Verdachte heeft op geen enkele manier aannemelijk gemaakt dat zich omstandigheden hebben voorgedaan die hem van deze verplichting ontsloegen, nog daargelaten dat de vastgoedtransactie tot op heden nooit ongedaan is gemaakt.

Door desondanks geen aangifte te doen, heeft verdachte willens en wetens nagelaten aan zijn aangifteplicht te voldoen. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte opzettelijk feitelijk leiding heeft gegeven aan het niet doen van de aangifte vennootschapsbelasting.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte


feit 1 primair
op 1 mei 2023 in Leiden opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een digitale aangifte voor de vennootschapsbelasting ten name van [medeverdachte 1] B.V. over het jaar 2021 onjuist en onvolledig heeft laten doen, door in de ingediende aangifte een onjuist belastbaar bedrag en een onjuist verschuldigd belastingbedrag te laten opgeven (immers is de verkoop van het onroerend goed [adres 1] + 50% van de voorliggende grond niet verantwoord in die aangifte), terwijl dat feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

feit 2 primair
in de periode van 1 maart 2022 tot en met 1 mei 2025 in Leiden en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland en/of Spanje, opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een digitale aangifte voor de vennootschapsbelasting ten name van [medeverdachte 2] B.V. over het jaar 2021 niet heeft gedaan en/of heeft doen/laten doen, terwijl dat feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

7 Motivering van de straffen

7.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft de rechtbank verzocht om, indien zij tot een bewezenverklaring komt, te volstaan met een voorwaardelijke straf. Daartoe heeft hij gewezen op zijn persoonlijke omstandigheden, de omstandigheden waaronder de vastgoedtransacties hebben plaatsgevonden en het feit dat de vennootschappen sinds 2008 nooit problemen hebben veroorzaakt.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft feitelijk leiding gegeven aan het doen van onjuiste aangifte vennootschapsbelasting en het niet doen van aangifte vennootschapsbelasting.

Met zijn handelwijze heeft verdachte belasting ontdoken en daarmee het vertrouwen geschaad dat burgers en bedrijven eerlijke en volledige aangiften doen, waarop het belastingstelsel uiteindelijk is gebaseerd. De strafbaarstelling van belastingontduiking strekt niet alleen ter bescherming van de gemeenschapsbelangen die met belastingheffing zijn gemoeid, maar ook ter bescherming van de belangen van andere belastingbetalers. Belastingontduiking kan leiden tot een zwaardere belastingdruk voor alle belastingplichtigen.

Daarnaast draagt het handelen van verdachte bij aan het ondermijnen van de belastingmoraal. Het is van belang dat belastingplichtigen erop kunnen vertrouwen dat fiscale verplichtingen voor iedereen gelden en dat overtreding daarvan niet zonder gevolgen blijft. Wanneer belastingfraude onbestraft blijft, kan dit het normbesef ondermijnen en afbreuk doen aan de bereidheid van belastingplichtigen om hun verplichtingen na te komen. Bovendien leidt het tot oneerlijke concurrentie, omdat burgers en bedrijven die zich wel aan de regels houden worden benadeeld.

De persoon van verdachte

In het kader van de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 5 augustus 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

De op te leggen straf

De rechtbank houdt rekening met de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en kijkt naar de oriëntatiepunten fraude die de rechtbanken onderling hebben afgesproken.

De genoemde oriëntatiepunten gaan bij een benadelingsbedrag tussen € 500.000,- en € 1.000.000,- uit van een gevangenisstraf van achttien tot vierentwintig maanden.

De rechtbank ziet echter aanleiding om van dit uitgangspunt en daarmee ook van de eis van de officier van justitie af te wijken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld en bovendien in de nasleep van deze feiten persoonlijk failliet is verklaard. Ook weegt de rechtbank mee dat verdachte op eigen initiatief openheid van zaken heeft gegeven aan de Belastingdienst over de desbetreffende transacties. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheden een mitigerend effect dienen te hebben op de aan verdachte op te leggen straf en zij legt daarom een groot voorwaardelijk deel op.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en het artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder feit 1 primair bewezenverklaarde:

feitelijk leidinggeven aan het door een rechtspersoon begaan van het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist/onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven

ten aanzien van het onder feit 2 primair bewezenverklaarde:

feitelijk leidinggeven aan het door een rechtspersoon begaan van het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van deze straf, te weten negen (9) maanden, niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.J.M. Kruizinga, voorzitter,

mrs. A.K. Glerum en C. Wildeman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. de Groot, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 oktober 2026.

[...]

[...]
[...]

[...]
[...]

[...]
[...]

[...]
[...]

Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De inhoud van de bewijsmiddelen is steeds zakelijk weergegeven. DOC-002-01, p. 149 DOC-001-01, p. 146 en DOC-003-01, p. 152. DOC-004-03, p. 170. G-001-01, p. 108. DOC-005-02, p. 195, DOC-006-01, p. 200 en DOC-006-02, p. 201. G-001-01, p. 108. Verklaring verdachte ter terechtzitting van 8 oktober 2026. DOC-001-01, p. 146. DOC-003-01, p. 152. DOC-009-01, p. 208. DOC-009-03, p. 210. DOC-005-01, p. 187. DOC-004-01, p. 156. G-001-01, p. 104. Verklaring verdachte ter terechtzitting van 8 oktober 2026.