Rechtbank Noord-Nederland, eerste aanleg - meervoudig materieel strafrecht

ECLI:NL:RBNNE:2026:259

Op 3 February 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van materieel strafrecht, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 18-035016-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNNE:2026:259. De plaats van zitting was Groningen.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
18-035016-25
Datum uitspraak:
3 February 2026
Datum publicatie:
3 February 2026
Verwijzingen:
Wegenverkeerswet 1994 107, Wegenverkeerswet 1994 11, Wegenverkeerswet 1994 163, Wegenverkeerswet 1994 176, Wegenverkeerswet 1994 177, Wetboek van Strafrecht 285, Wetboek van Strafrecht 287, Wetboek van Strafrecht 300, Wetboek van Strafrecht 304, Wetboek van Strafrecht 62

Indicatie

Deze uitspraak is niet samengevat voor publicatie.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18-035016-25

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18-113734-25 en 18-250156-25

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 3 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 januari 2026.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. Kuipers, advocaat te Arnhem.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D.P. Menting.

Tenlastelegging

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de volledige tekst van de tenlastelegging verwezen naar de inhoud daarvan zoals opgenomen in bijlage I.

De inhoud van die bijlage dient als hier ingelast te worden beschouwd.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

In de zaak met parketnummer 18-035016-25

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1 primair, 2 primair, 3, 4 primair en 5. Ten aanzien van de feiten 2 primair en 4 primair. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte zijn hoofd naar achteren heeft bewogen en vervolgens met vaart richting het hoofd van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] heeft gebracht. Verdachte heeft daarmee de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen, aldus de officier van justitie.

In de zaak met parketnummer 18-113734-25

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1 en 2.

In de zaak met parketnummer 18-250156-25

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1, 2 en 3.

Standpunt van de verdediging

In de zaak met parketnummer 18-035016-25

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten 1 primair en subsidiair, 2 primair en 4 primair. Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van zowel feit 1 primair als subsidiair voert hij daarvoor aan dat er geen aanmerkelijke kans was dat [slachtoffer 1] zou worden geraakt door een naderend voertuig. Het is namelijk onduidelijk hoe ver het naderende voertuig verwijderd was van [slachtoffer 1] toen zij op de rijbaan terecht kwam en hoe ver [slachtoffer 1] de rijbaan is opgeduwd. De rijbaan was bovendien afgesloten door Rijkswaterstaat en naderende voertuigen werden gewaarschuwd. Daarnaast was verdachte zich niet bewust van de aanmerkelijke kans, omdat verdachte in de war en onder invloed van paroxetine was. Als laatste zijn er, gelet op het Porsche-arrest, contra-indicaties voor het aannemen van de aanmerkelijke kans. Verdachte liep namelijk zelf ook heen en weer op de weg en niet gezegd kan worden dat hij voor zichzelf de kans op aanmerkelijk levensgevaar bewust heeft aanvaard en op de koop heeft toegenomen en dat geldt daarmee ook voor het risico op aanmerkelijk levensgevaar voor [slachtoffer 1] .

In de zaak met parketnummer 18-113734-25

De raadsman heeft zich ten aanzien van de feiten 1 en 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

In de zaak met parketnummer 18-250156-25

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van feit 1 het derde gedachtestreepje niet bewezen kan worden. Daarnaast kan ten aanzien van feit 2 niet bewezen worden dat verdachte, [slachtoffer 8] in het gezicht heeft geduwd. Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

In de zaak met parketnummer 18-035016-25

De rechtbank acht de feiten 2 primair en 4 primair niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt ten aanzien van feit 2 primair dat [slachtoffer 2] licht lichamelijk letsel heeft opgelopen. Er kan niet worden vastgesteld dat verdachte door zijn handelen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. In het procesdossier zijn onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen hoe verdachte [slachtoffer 2] precies heeft geraakt (met zijn hoofd of vuist) en met welke kracht dit is gebeurd.

Daarnaast overweegt de rechtbank ook ten aanzien van feit 4 primair dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte door zijn handelen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 4] daarbij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Ook hier bevat het procesdossier onvoldoende aanknopingspunten om vast te kunnen stellen met hoeveel kracht verdachte zijn hoofd richting [slachtoffer 4] heeft bewogen, wat de afstand tussen beiden op dat moment was en wat er dus zou zijn gebeurd als verbalisant [slachtoffer 3] niet had ingegrepen.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten ten aanzien van feit 1 primair zoals hieronder zakelijk weergegeven.

De door verdachte ter zitting van 20 januari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend: Ik heb op 1 februari 2025 de politieagente de N33 opgeduwd.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 2 februari 2025, opgenomen op pagina 10 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025028521 (onderzoek: Anubis) d.d. 3 maart 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] : Op zaterdag 1 februari 2025, was ik, samen met een collega, in dienst voor de

incidentenafhandeling in Ommelanden-Midden. Omstreeks 21.10 uur kregen wij een melding van een stilstaand voertuig op de N33, die gedeeltelijk op de weg zou staan.

Ter plaatse troffen wij een stilstaand voertuig op de pechhaven. De bestuurder liep toen naar de achterzijde van de auto en het leek alsof hij de N33 op wilde lopen. Ik liep snel naar hem toe en wilde hem met lichte dwang weer de pechhaven op duwen. Op dat moment duwde de bestuurder mij met beide

handen krachtig naar achteren, waardoor ik op de rijbaan van de N33 terecht kwam. Ik kon blijven staan en liep zo snel mogelijk weer de pechhaven op. Ik zag op dat moment dat er lichten opdoemden in de mist en enkele seconden later passeerde mij een vrachtwagen.

Ik zou willen benoemen dat verdachte mij gedurende de casus meerdere keren heeft bedreigd met de dood.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 februari 2025, opgenomen op pagina 56 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verbalisant [slachtoffer 1] :

Wij vertelden verdachte dat hij achter de vangrail moest wachten, dit omdat het donker was en er geen vluchtstrook aanwezig was. Daarbij was er sprake van dichte mist met een zicht van plus minus 50 meter. Het was ons bekend dat Rijkswaterstaat zou zorgen voor de wegafzetting. Echter reden er op dat moment nog wel voertuigen over de autoweg.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige door de rechter-commissaris d.d. 9 oktober 2025, bijgevoegd bij voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :

Ik stond met mijn rug naar de weg. Ik wilde hem tegenhouden (houdt haar twee handen voor haar alsof ze die tegen iets aanlegt) en voor ik het wist duwde hij met volle kracht mij met twee handen naar achteren zo de weg op. Mag ik het voordoen? De getuige gaat staan, doet haar bovenlichaam naar achteren en daarna met beide armen/handen uitgestoken met kracht naar voren. Hij duwde met kracht en ik strompelde achteruit de rijbaan op. Hij bleef ook roepen dat hij mij dood zou maken.

Waar kwam u precies terecht toen u geduwd werd? Die afstand, ik schat ongeveer 3 meter,

want ik weet dat een rijbaan 4 meter is en ik kwam niet over de middenstreep. Ik heb meerdere passen moeten zetten om terug op de pechhaven te komen.

Waarom wilde u cliënt persé achter de vangrail hebben? Naja bij pechgevallen op een N-weg is het veiligst om achter de vangrail te blijven. Die weg heeft geen vluchtstrook. Er was

alleen die pechhaven. Daarnaast was het enorm mistig en donker. De auto had geen alarmlichten aan en meneer droeg ook geen veiligheidshesje dus vandaar dat wij hem achter de vangrail willen hebben.

Kunt u zich ongeveer herinneren hoe lang het duurde voordat er een voertuig passeerde toen u terug op de pechhaven was? Lastig te zeggen, toen ik op de weg stond keek ik opzij en toen zag ik al koplampen en het duurde misschien enkele seconden dat er een vrachtwagen voorbij kwam.

Zag je dat het voertuig vaart minderde? Nee, niet dat ik gemerkt heb. Hij wisselde ook niet van rijstrook zeg maar, wat misschien gebeurt als iemand schrikt omdat ze iets op de weg zien, maar het ging zo snel dus dat kon ik niet zien of hij vaart minderde.

U begrijpt goed dat die vrachtwagen reed over de baan waar ik even daarvoor stond.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Om tot een bewezenverklaring te komen voor een poging tot doodslag, moet sprake zijn van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het overlijden van het slachtoffer. Voor het voorwaardelijk opzet geldt dat bewezen zal moeten worden dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer door zijn gedragingen zou hebben kunnen doden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden waaronder de gedragingen zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een

kans op het gevolg die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

De rechtbank neemt in overweging dat, na de melding bij de politie van andere weggebruikers die geschrokken waren van een onbekend lampje op de N33, [slachtoffer 1] en haar collega het eerst aanrijdende voertuig waren. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat het op dat moment donker was, er sprake was van dichte mist en dat het zicht ongeveer 50 meter was. Uit haar verklaring volgt dat de N33 nog niet door Rijkswaterstaat was afgesloten, omdat er nog steeds voertuigen langsreden. Verdachte heeft [slachtoffer 1] vervolgens, tijdens een schermutseling bij de korte pechhaven, de N33 opgeduwd, terwijl daar nog steeds autos reden. . [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij ongeveer 3 meter de N33 werd opgeduwd en dat toen zij opzij keek, zij in de koplampen van een vrachtwagen keek. Zij kon na de duw van verdachte blijven staan en is snel teruggelopen naar de pechhaven, waarna de vrachtwagen passeerde op dezelfde rijbaan waar [slachtoffer 1] enkele seconden daarvoor nog stond.

In samenhang met de voorgaande alinea acht de rechtbank aannemelijk dat op de N33, waar een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur geldt, de weggebruikers ten tijde van het incident wellicht hun snelheid hebben gematigd vanwege de mist, maar nog steeds met aanmerkelijke snelheid hebben gereden. Anders dan de raadsman heeft betoogd, komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm en gelet op de aard van de gedraging van verdachte en de omstandigheden waaronder deze is verricht, dus bewust de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer 1] heeft aanvaard. Naar algemene ervaringsregels was de kans op voornoemd gevolg, te weten de dood van [slachtoffer 1] , eveneens aanmerkelijk als [slachtoffer 1] frontaal en met aanzienlijke snelheid was aangereden door een vrachtwagen. Dat verdachte paroxetine had gebruikt en zoals hij op de zitting heeft verklaard in combinatie met blowen en alcohol en volgens de raadsman niet bij zinnen was, ziet de rechtbank in dit geheel als culpa in causa en doet aan het voorgaande niets af.

In tegenstelling tot de raadsman oordeelt de rechtbank voorts dat er geen sprake is van contra-indicaties. Verdachte heeft door heen en weer te lopen op de N33 wellicht enig risico gelopen, maar dit was op andere momenten dan het moment waarop verdachte [slachtoffer 1] de rijbaan op duwde. Toen stond verdachte zelf aan de zijkant van de weg op de pechhaven. Daarmee kan niet gezegd worden dat er op dat moment sprake was van de aanmerkelijke kans op de dood van verdachte zelf. Reeds om die reden slaagt het verweer van de raadsman niet.

De rechtbank acht de feiten 2 subsidiair, 3, 4 subsidiair en 5 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 januari 2026;

een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 2 februari 2025, opgenomen op pagina 14 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025028521 (onderzoek: Anubis) d.d. 3 maart 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2] ;

een geneeskundige verklaring, op 2 februari 2025 opgemaakt en ondertekend door dr. [forensisch arts] , forensisch arts KNMG, opgenomen op p. 19 e.v. van voornoemd dossier;

een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 2 februari 2025, opgenomen op pagina 22 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 3] ;

5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 2 februari 2025, opgenomen op pagina 26 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 4] ;

6. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 4 februari 2025, opgenomen op pagina 29 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 5] ;

7. een geneeskundige verklaring, op 3 februari 2025 opgemaakt door [huisarts] , huisarts, opgenomen op

p. 33 van voornoemd dossier.

In de zaak met parketnummer 18-113734-25

De rechtbank acht feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 januari 2026;

een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 2 februari 2025, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025077288 d.d. 31 maart 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 6] ;

een schriftelijk bescheid, te weten een uitdraai van het rijbewijsregister d.d. 18 januari 2026, bijgevoegd bij voornoemd dossier (niet doorgenummerd).

In de zaak met parketnummer 18-250156-25

De rechtbank acht feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 januari 2026;

een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 augustus 2025, opgenomen op pagina 7 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025232221 d.d. 29 augustus 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 7] , alsmede bijbehorende foto op pagina 14 van voornoemd proces-verbaal;

een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 augustus 2025, opgenomen op pagina 27 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 8] ,

een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 augustus 2025, opgenomen op pagina 22 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] .

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank overweegt, in het verlengde van de raadsman, dat uit het dossier niet duidelijk volgt wie, wanneer en met welk deel van de schep heeft gegooid richting [slachtoffer 7] . Bovendien heeft [slachtoffer 7] zelf niet verklaard wie de schep heeft gegooid. Daarnaast heeft [slachtoffer 8] niet verklaard dat hij door verdachte is geduwd in zijn gezicht. De rechtbank zal daarom voornoemde onderdelen uit de feiten 1 en 2 uitstrepen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht onder parketnummer 18-035016-25 de feiten 1 primair, 2 subsidiair, 3, 4 subsidiair en

5, onder parketnummer 18-113734-25 de feiten 1 en 2 en onder parketnummer 18-250156-25 de feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

In de zaak met parketnummer 18-035016-25:

1. primair

hij op 1 februari 2025 te Veendam (Rijksweg N33) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, zonder veiligheidshesje op de Rijksweg N33, zonder vluchtstrook, in het donker met dichte mist

in de richting van de rijbanen van de N33 is gelopen en

daarbij die [slachtoffer 1] met beide handen krachtig naar achteren heeft geduwd waardoor die [slachtoffer 1] op de rijbaan van de N33 is terecht gekomen en

-die [slachtoffer 1] zichzelf staande heeft gehouden en daarbij die [slachtoffer 1] zichzelf (snel) in veiligheid heeft gebracht en naar de pechhaven is gelopen en

-waarna na enkele seconden een vrachtwagen op de rijbaan reed die die [slachtoffer 1] passeerde terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 subsidiair

hij op 1 februari 2025 te Veendam (Rijksweg N33) een ambtenaar, [slachtoffer 2] , gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door

-naar die [slachtoffer 2] uit te halen met zijn rechterhand en

die [slachtoffer 2] daarbij te raken in het gezicht (voorhoofd en/of neus en/of mond van die [slachtoffer 2] ) ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] een (lichte) verwonding (schaafwondje) en een bloedende neus opliep;

3

hij op 1 februari 2025 te Veendam (Rijksweg N33) een ambtenaar, [slachtoffer 3] , gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door

- zijn been naar achteren te bewegen en vervolgens die [slachtoffer 3] te trappen en die [slachtoffer 3] (eenmaal) te raken op zijn knie ten gevolge waarvan die [slachtoffer 3] pijn had aan zijn knie;

4 subsidiair

hij op 1 februari 2025 te Veendam (Rijksweg N33) [slachtoffer 4] , heeft bedreigd met zware mishandeling, door met zijn hoofd naar achteren te bewegen en met zijn hoofd een kopstoot beweging te maken, in de richting van het hoofd van die [slachtoffer 4] ;

5

hij op 1 februari 2025 te Veendam (Rijksweg N33) een ambtenaar, [slachtoffer 5] , gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door

-met zijn hoofd in het gezicht van die [slachtoffer 5] te stoten ten gevolge waarvan de neus van die [slachtoffer 5] werd geraakt en die [slachtoffer 5] een verwonding en zwelling aan zijn neus opliep;

In de zaak met parketnummer 18-113734-25:

1

hij op 1 februari 2025 opzettelijk wederrechtelijk een Toyota Yaris met kenteken

[kenteken] , toebehorende aan [slachtoffer 6] als bestuurder heeft gebruikt op de weg, de Rijksweg N33, te Veendam;

2

hij op 1 februari 2025 te Veendam als bestuurder een Toyota Yaris [kenteken] heeft gereden op de Rijksweg N33, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;

In de zaak met parketnummer 18-250156-25:

1

hij op 27 augustus 2025 te Musselkanaal [slachtoffer 7] heeft mishandeld, door

-een duw te geven aan die [slachtoffer 7] en

-meerdere malen met zijn vuist(en) die [slachtoffer 7] met kracht te slaan en die [slachtoffer 7] te raken in zijn gezicht ten gevolge waarvan die [slachtoffer 7] verwondingen opliep;

2

hij op 27 augustus 2025 te Musselkanaal [slachtoffer 8] heeft mishandeld, door meerdere malen met zijn vuisten die [slachtoffer 8] met kracht te slaan en die [slachtoffer 8] te raken in zijn gezicht en op zijn jukbeen ten gevolge waarvan hij een verdikking op zijn jukbeen opliep en hevige hoofdpijn;

3

hij op 27 augustus 2025 te Stadskanaal, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto, een Fiat Punto met kenteken [kenteken] , te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

In de zaak met parketnummer 18-035016-25:

1. primair. poging tot doodslag

2 subsidiair. mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

3. mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

4 subsidiair. bedreiging met zware mishandeling

5. mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

In de zaak met parketnummer 18-113734-25:

overtreding van artikel 11 van de Wegenverkeerswet 1994

overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994

In de zaak met parketnummer 18-250156-25:

mishandeling

mishandeling

overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met aftrek van voorarrest en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals die eerder zijn opgelegd tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis. Daarnaast eist hij voor het weigering van een ademonderzoek ook een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 12 maanden en voor de overtreding - rijden zonder rijbewijs een geldboete van 500 euro.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, met eventueel een langdurige voorwaardelijke gevangenisstraf en een forse taakstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport van 22 oktober 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 december 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de door verdachte erkende ad informandum gevoegde feit onder parketnummer 18-035016-25, te weten:

- bedreiging op 1 februari 2025 te Veendam.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

Verdachte is op 1 februari 2025 onder invloed van alcohol en paroxetine in woede uitgebarsten tegen de politieagenten die ter plaatse waren gekomen, juist om verdachte te helpen en te zorgen voor zijn veiligheid. Verdachte heeft daarbij een poging tot doodslag gepleegd door een politieagente de N33 op te duwen terwijl daar in het donker en in de mist autoverkeer reed. Daarnaast heeft hij ook drie politieagenten fysiek mishandeld en een politieagent bedreigd. De verdachte heeft de politieagenten in een zeer gevaarlijke situatie gebracht, terwijl zij hun werk op een veilige manier moeten kunnen doen, zonder te worden geconfronteerd met verbaal en fysiek agressieve personen die hen angst aanjagen, beledigen of mishandelen. Hij heeft de politieambtenaren gedurende zijn razernij meermalen uitgescholden en met de dood bedreigd. Hij heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan joyriding en het rijden zonder rijbewijs, wat ernstige gevaren voor de verkeersveiligheid met zich mee kan brengen en symptomatisch is voor de onverantwoorde keuzes die verdachte bij herhaling mede onder invloed van alcohol maakt.

Bovendien heeft verdachte zich daarnaast op 27 augustus 2025, terwijl de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst was, schuldig gemaakt aan twee mishandelingen gepleegd tegen willekeurige buurtbewoners omdat verdachte werd aangesproken op zijn asociale rijdgedrag. Vervolgens heeft hij ook nog geweigerd mee te werken aan een ademonderzoek.

Het voorgaande maakt dat in beginsel alleen een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is.

Persoonlijke omstandigheden

Uit het meest recente reclasseringsrapport is gebleken dat bij verdachte het middelengebruik en psychosociaal functioneren de belangrijkste delictgerelateerde factoren zijn. De reclassering vindt het zorgwekkend dat verdachte vooral onder invloed van alcohol onvoldoende in staat is om zijn agressie en emoties adequaat te reguleren. Daarnaast lijkt hij onder invloed van alcohol, gecombineerd met de aanwezige licht verstandelijke beperking, een grote mate van weerstand te hebben tegen autoriteit. De rechtbank rekent het verdachte strafverzwarend aan dat hij zowel fysiek als verbaal ernstig tekeer is gegaan tegen politieagenten en meermalen laat zien lak te hebben aan de regels. De reclassering schat het risico op recidive inmiddels in als gemiddeld en op letsel in als hoog. Verdachte heeft op de terechtzitting aangegeven dat hij een alcoholenkelband draagt, geen alcohol meer gebruikt, dat het nu goed met hem gaat en dat dit moment sprake is van systeemgesprekken, waarbij de therapeut gesprekken voert met verdachte en zijn partner. Daarnaast heeft hij aangegeven dat hij wel af en toe nog wel cannabis gebruikt en dat dit hem tot rust brengt en dat hij voorlopig cannabis wil blijven gebruiken, ook al is dat in strijd met de schorsende voorwaarden.. Uit een aanvullende mail van de reclassering van 19 januari 2026 is gebleken dat de reclassering vindt dat het gebruiken van cannabis in de weg staat aan de behandeling van verdachte. De rechtbank zal daarom aan verdachte een algeheel alcohol- en middelenverbod opleggen in de bijzondere voorwaarden. De rechtbank houdt met voornoemde persoonlijke omstandigheden - meer dan de officier van justitie deels in strafverminderende zin rekening, maar komt wel tot de conclusie dat verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur moet worden opgelegd.

Straf

Gelet op de ernst van alle feiten en de persoonlijke omstandigheden acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met aftrek van voorarrest en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals die eerder zijn opgelegd tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis, passend en geboden. Daarnaast legt de rechtbank aan verdachte voor het weigeren van een ademonderzoek op een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 12 maanden. Voor de overtreding - rijden zonder rijbewijs - zal de rechtbank overgaan tot toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partij

In de zaak met parketnummer 18-035016-25

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

[slachtoffer 5] , tot een bedrag van 400,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

[slachtoffer 2] , tot een bedrag van 400,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide vorderingen toegewezen kunnen worden, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van beide vorderingen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partijen de gestelde schade hebben geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18-035016-25 feiten 2 en 5 bewezen verklaarde. De vorderingen, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zullen daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 februari 2025.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de ten aanzien van beide vorderingen de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 62, 285, 287, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 11, 107, 163, 176 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak
De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 18-035016-25 2 primair en 2 subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder parketnummer 18-035016-25 1 primair, 2 subsidiair, 3, 4 subsidiair en 5, onder

parketnummer 18-113734-25 1 en 2 en onder parketnummer 18-250156-25 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 12 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

veroordeelde zal zich binnen drie dagen na het ingaan van de schorsing melden bij de reclassering van Verslavingszorg Noord Nederland (VNN) op het adres [adres] , telefoonnummer: 050 522 5700 en blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

veroordeelde zal zich laten behandelen door de Forensische Polikliniek van Verslavingszorg Noord Nederland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde zal zich houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

veroordeelde zal geen drugs gebruiken en meewerken aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd;

veroordeelde zal geen alcohol gebruiken en meewerken aan urineonderzoek, ademonderzoek (blaastest) en de alcoholenkelband om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd;

veroordeelde zal zich inspannen voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. Indien veroordeelde zich onvoldoende inspant tot het vinden van een geschikte daginvulling kan de reclassering een plaatsing op een dagbestedingsplek indiceren.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Ten aanzien van parketnummer 18-250156-25 feit 3 voorts:

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen -bromfietsen daaronder begrepen-voor de tijd van twaalf maanden.

Ten aanzien van parketnummer 18-113734-25 feit 2:

bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Ten aanzien van parketnummer 18-035016-25 feit 2:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 2] te betalen:

het bedrag van 400,00 (zegge: vierhonderd euro);

de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 februari 2025 tot de dag van algehele voldoening;

de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 400,00 (zegge: vierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 400,00 aan immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 4 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van parketnummer 18-035016-25 feit 5:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 5] te betalen:

het bedrag van 400,00 (zegge: vierhonderd euro);

de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 februari 2025 tot de dag van algehele voldoening;

de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 5] aan de Staat te betalen een bedrag van 400,00 (zegge: vierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 400,00 aan immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 4 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. van der Kuijl, voorzitter, mr. H.H. Kielman en mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. J. van der Wiel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 februari 2026.

Bijlage I:

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Na wijziging van de tenlastelegging, in de zaak met parketnummer 18-035016-25:

1

hij op of omstreeks 1 februari 2025 te Veendam (Rijksweg N33) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, (zonder veiligheidshesje op de Rijksweg N33, zonder vluchtstrook, in het donker met dichte mist)

in de richting van de rijbanen van de N33 is gelopen en/of

daarbij die [slachtoffer 1] met beide handen krachtig naar achteren heeft geduwd waardoor die [slachtoffer 1] op de rijbaan van de N33 is terecht gekomen en/of

-die [slachtoffer 1] zichzelf staande heeft gehouden en/of daarbij die [slachtoffer 1] zichzelf (snel) in veiligheid heeft gebracht en naar de pechhaven is gelopen en/of

-waarna na enkele seconden een vrachtwagen op de rijbaan reed die die [slachtoffer 1] passeerde terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 1 februari 2025 te Veendam (Rijksweg N33) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ambtenaar, [slachtoffer 1] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (zonder veiligheidshesje op de Rijksweg N33, zonder vluchtstrook, in het donker met dichte mist)

in de richting van de rijbanen van de N33 is gelopen en/of

daarbij die [slachtoffer 1] met beide handen krachtig naar achteren heeft geduwd waardoor die [slachtoffer 1] op de rijbaan van de N33 is terecht gekomen en/of

-die [slachtoffer 1] zichzelf staande heeft gehouden en/of daarbij die [slachtoffer 1] zichzelf (snel) in veiligheid heeft gebracht en naar de pechhaven is gelopen en/of

-waarna na enkele seconden een vrachtwagen op de rijbaan reed die die [slachtoffer 1] passeerde terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

hij op of omstreeks 1 februari 2025 te Veendam (Rijksweg N33) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ambtenaar, [slachtoffer 2] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (op de Rijksweg N33 tegenover die [slachtoffer 2] is gaan staan met een persoon er tussenin)

-naar die [slachtoffer 2] uit heeft gehaald met zijn (rechter)hand en/of

-die [slachtoffer 2] (met kracht) heeft geslagen met zijn hand en/of vuist en/of die [slachtoffer 2] heeft geraakt in het gezicht (voorhoofd en/of neus en/of mond van die [slachtoffer 2] ) en/of

-zich groot heeft gemaakt en/of vervolgens (meerdere malen) daarbij met zijn hoofd naar achteren heeft bewogen en/of met zijn hoofd (met vaart) een kopstoot beweging heeft gemaakt in de richting van (het hoofd van) die [slachtoffer 2]

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 1 februari 2025 te Veendam (Rijksweg N33) een ambtenaar, [slachtoffer 2] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door

-naar die [slachtoffer 2] uit te halen met zijn (rechter)hand en/of

-die [slachtoffer 2] (met kracht) te slaan met zijn hand en/of vuist en/of te duwen en/of die [slachtoffer 2] daarbij te raken in het gezicht (voorhoofd en/of neus en/of mond van die [slachtoffer 2] ) ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] een (lichte) verwonding (schaafwondje) en/of een bloedende neus opliep;

3

hij op of omstreeks 1 februari 2025 te Veendam (Rijksweg N33) een ambtenaar, [slachtoffer 3] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door

-(meerdere malen) zijn been naar achteren te bewegen en/of vervolgens (met vaart en/of met kracht) het been naar die [slachtoffer 3] te bewegen en/of (aldus) die [slachtoffer 3] te trappen/schoppen en/of die [slachtoffer 3] (eenmaal) te raken op zijn knie ten gevolge waarvan die [slachtoffer 3] pijn had aan zijn knie;

4

hij op of omstreeks 1 februari 2025 te Veendam (Rijksweg N33) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ambtenaar, [slachtoffer 4] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn

bediening opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (terwijl hij, verdachte, op de Rijksweg N33 tegenover die [slachtoffer 4] stond)

- die [slachtoffer 4] recht in de ogen heeft aangekeken en/of vervolgens (meerdere malen) met zijn hoofd naar achteren heeft bewogen en/of met zijn hoofd (met volle kracht) een kopstoot beweging heeft gemaakt in de richting van (het hoofd van) die [slachtoffer 4]

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 1 februari 2025 te Veendam (Rijksweg N33) [slachtoffer 4] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (meerdere malen) met zijn hoofd naar achteren te bewegen en/of met zijn hoofd (met volle kracht) een kopstoot beweging te maken, in de richting van (het hoofd van) die [slachtoffer 4] ;

5

hij op of omstreeks 1 februari 2025 te Veendam (Rijksweg N33) een ambtenaar, [slachtoffer 5] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door

-met zijn hoofd in het gezicht van die [slachtoffer 5] te stoten althans met zijn hoofd (hard) het gezicht van die [slachtoffer 5] te raken en/of

-met zijn vuist(en) te slaan in het gezicht van die [slachtoffer 5] ten gevolge waarvan de neus van die [slachtoffer 5] werd geraakt en/of die [slachtoffer 5] een verwonding en/of zwelling aan zijn neus opliep;

In de zaak met parketnummer 18-113734-25:

1

Hij te Musselkanaal in de gemeente Stadskanaal op of omstreeks 1 februari 2025 opzettelijk wederrechtelijk een motorrijtuig, (een Toyota Yaris met kenteken [kenteken] ), toebehorende aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, als bestuurder heeft gebruikt op de weg, de Rijksweg N33, (te Veendam) in elk geval op een weg;

2

Hij op of omstreeks 1 februari 2025 te Veendam als bestuurder van een motorrijtuig (een Toyota Yaris [kenteken] ) heeft gereden op de weg, de Rijksweg N33, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;

In de zaak met parketnummer 18-250156-25:

1

hij op of omstreeks 27 augustus 2025 te Musselkanaal in de gemeente Stadskanaal [slachtoffer 7] heeft mishandeld, door

-een (harde) duw te geven aan die [slachtoffer 7] en/of

-(meerdere malen) met zijn vuist(en) die [slachtoffer 7] (met kracht) te slaan en/of te stompen en/of die [slachtoffer 7] te raken in zijn gezicht en/of

-een (scherp) voorwerp (een blad van een schep) naar die [slachtoffer 7] te gooien ten gevolge waarvan die [slachtoffer 7] (een) schaaf en/of snijverwonding(en) opliep aan zijn arm(en);

2

hij op of omstreeks 27 augustus 2025 te Musselkanaal in de gemeente Stadskanaal [slachtoffer 8] heeft mishandeld, door (meerdere malen) (met zijn vuist(en)) die [slachtoffer 8] (met kracht) te slaan en/of die [slachtoffer 8] te raken in zijn gezicht en/of op zijn jukbeen en/of die [slachtoffer 8] (met kracht) (met beide handen) (weg) te duwen (in zijn gezicht) ten gevolge waarvan hij een verdikking op zijn jukbeen opliep en/of hevige hoofdpijn;

3

hij op of omstreeks 27 augustus 2025 te Musselkanaal in de gemeente Stadskanaal in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto, een Fiat Punto met kenteken [kenteken] , te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.