Materieel strafrecht

vrijspraak van voorbereidingshandelingen met betrekking tot artikel 2 van de Opiumwet, overtreding van…

Rechtbank Amsterdam, 25 juni 2026

Zaakgegevens

Op 25 juni 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
25 juni 2026
Datum publicatie
26 juni 2026
Zaaknummer
13/043589-26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:6522
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

vrijspraak van voorbereidingshandelingen met betrekking tot artikel 2 van de Opiumwet, overtreding van artikel 2 van de Opiumwet, bezit van een vuurwapen en munitie en witwassen.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/043589-26

Datum uitspraak: 25 juni 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1976,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 juni 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.R. Bons, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.S. Kat, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1: voorbereidingshandelingen met betrekking tot artikel 2 van de Opiumwet in de periode van 3 januari 2026 tot en met 9 februari 2026 te Amsterdam;

2: overtreding van artikel 2 van de Opiumwet met betrekking tot 17 gram MDMA op
9 februari 2026 te Amsterdam;

3 en 4: bezit van een vuurwapen en munitie op 9 februari 2026 te Amsterdam;

5: witwassen van 28.000 euro op 9 februari 2026 te Amsterdam,

telkens tezamen en in vereniging gepleegd.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Vrijspraak

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en gevorderd dat verdachte voor die feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden met aftrek van voorarrest. Hij heeft gewezen op hetgeen bij de doorzoeking is aangetroffen. Ten aanzien van feit 1 heeft hij tevens gewezen op foto’s en zoekslagen die in de telefoon van verdachte zijn aangetroffen. Bij feit 2 kan volgens de officier van justitie de kennelijk leugenachtige verklaring van verdachte worden betrokken.

Voor de feiten 3, 4 en 5 heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd. De medeverdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het wapen, de munitie en het geld van hem zijn en de officier van justitie vindt het onvoldoende vaststaan dat verdachte erover kon beschikken.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft gesteld dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor alle tenlastegelegde feiten. Voor de feiten 1 en 2 geldt dat verdachte een korte periode in de woning verbleef waar hij is aangehouden en daar geen sleutel van had. Hij heeft niets besteld of beschikbaar gehad voor de productie van MDMA of amfetamine. Er is geen strafbare communicatie geweest met wie dan ook, ook niet met medeverdachte [medeverdachte]. Van foto’s op de telefoon van verdachte is niet vast te stellen hoe die daar terecht zijn gekomen. Dat ze op zijn telefoon stonden betekent dus niet dat hij die foto’s zelf heeft gemaakt of er iets mee van plan was. Hetzelfde geldt voor de zoekopdrachten in zijn telefoon. Zoeken naar informatie met betrekking tot de productie van drugs is niet voldoende voor de conclusie dat iemand daar daadwerkelijk bij betrokken is. Er is geen sprake van nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van feit 1.

Van de zeventien gram drugs (MDMA) in een berging, ten laste gelegd onder feit 2, wist verdachte niets af. Hij is niet in die berging geweest, wist niet eens dat zich op de begane grond een berging bevond. Er is geen sporenonderzoek verricht op het zakje. Van wetenschap van of beschikkingsmacht over de MDMA blijkt niet.

Ten aanzien van het wapen, de munitie en het geldbedrag – de onder 3, 4 en 5 tenlastegelegde feiten - geldt eveneens dat verdachte hier niets vanaf wist. Bovendien heeft de medeverdachte verklaard dat deze goederen van hem zijn. Daarnaast is er ook geen enkele aanwijzing dat verdachte daarover wel wetenschap en/of beschikkingsmacht had.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is – met de officier van justitie en de verdediging - van oordeel dat de feiten 3, 4 en 5 niet kunnen worden bewezen. Van wetenschap van of beschikkingsmacht over het vuurwapen, de munitie en het geld is niet gebleken. Verdachte zal van deze feiten worden vrijgesproken.

De rechtbank acht – anders dan de officier van justitie en met de verdediging – het onder 1 en 2 ten laste gelegde eveneens niet bewezen. Verdachte zal ook daarvan worden vrijgesproken. Zij overweegt daartoe als volgt.

Ten aanzien van feit 2 overweegt de rechtbank als volgt. Uit het dossier volgt dat de MDMA is aangetroffen in de berging die hoort bij de woning waar verdachte verbleef. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is onvoldoende uitsluitsel verkregen over de exacte ligging van de berging waarin de verdovende middelen zijn aangetroffen. In het dossier wordt namelijk vermeld dat de berging zich zou bevinden op de begane grond van de flat, terwijl ook een ruimte in het woongedeelte op de zevende verdieping wordt aangeduid als berging. Wat daar ook van zij, de rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van verdovende middelen of hierover beschikkingsmacht had. Niet is gebleken dat de ruimte waar deze verdovende middelen zijn aangetroffen voor verdachte toegankelijk was, dat hij zich daar heeft bevonden of dat hij bekend was met de aanwezigheid van de daar aangetroffen verdovende middelen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet is gebleken dat forensisch onderzoek is verricht waaruit een verband kan worden gelegd tussen verdachte en de verdovende middelen in de betreffende ruimte.

Ten aanzien van feit 1 geldt het volgende.

Aan de iPhone van verdachte (goednummer 6773284) is onderzoek verricht. Op die iPhone werd een foto van een notitieboekje aangetroffen met een lijstje van middelen die kunnen dienen als grondstoffen voor het vervaardigen en produceren van synthetische drugs. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij deze foto zelf heeft gemaakt met behulp van deze iPhone. Daarnaast is een afbeelding aangetroffen van een doos met opschrift cafeïne anhydrous. Cafeïne is een veel voorkomend versnijdingsmiddel in met name cocaïne, speed (amfetamine) en heroïne. Tot slot werden in de web-historie meerdere zoekopdrachten aangetroffen naar precursoren voor vervaardiging en productie van synthetische drugs.

De rechtbank is van oordeel dat de op de telefoon van verdachte aangetroffen afbeeldingen en de zoekslagen weliswaar als belastend kunnen worden aangemerkt, maar dat deze onvoldoende zijn om te concluderen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen. Hetzelfde geldt voor de door verdachte afgelegde tegenstrijdige verklaringen over de aard en duur van zijn verblijf in Nederland. Hoewel deze verklaringen vragen oproepen over de betrouwbaarheid ervan, kunnen zij niet zonder meer bijdragen aan de conclusie dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt het onder feit 1 tenlastegelegde. Uit het dossier blijkt namelijk onvoldoende welke bijdrage verdachte hieraan zou hebben geleverd en of sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander.

5 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

  • een telefoon Apple (goednummer 6773284);

  • een telefoon Samsung (goednummer 6773285);

  • een telefoon Apple (goednummer 6773286);

  • een telefoon Apple iPhone (goednummer 6773288).

Dit vonnis is gewezen door

mr. B. van Galen, voorzitter,

mrs. P. Sloot en D.M.S. Gribling, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 juni 2026.

[...]

Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2026033575-48 van 12 maart 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [persoon], bladzijde 35 e.v. aanvullend PV onderzoek.