Materieel strafrecht

Onderzoek Sanchezia. Een 59-jarige man wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren…

Rechtbank Amsterdam, 26 juni 2026

Zaakgegevens

Op 26 juni 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
26 juni 2026
Datum publicatie
26 juni 2026
Zaaknummer
13/212927-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:6528
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Onderzoek Sanchezia. Een 59-jarige man wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren voor een poging tot moord gepleegd op 10 juli 2025 te Amsterdam, door het slachtoffer onder meer met schoenen met ‘stalen’ neuzen en een stoel tegen haar hoofd te schoppen en te slaan. Daarbij is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een zeer berekenend plan, waarbij verdachte met een geleende auto richting de woning waar het slachtoffer verbleef is gereden en zich heeft voorgedaan als pizzabezorger. Op deze wijze is het hem gelukt om het slachtoffer de voordeur te laten openen, waarna hij haar onmiddellijk en op nietsontziende wijze heeft geprobeerd om het leven te brengen. Het slachtoffer was op dat moment alleen in de woning en maakte geen schijn van kans tegen deze explosie van geweld. Uit het handelen van verdachte blijkt nietsontziende wraakzucht en rancune. Dit ging zelfs zo ver dat verdachte de haren van het slachtoffer in de woning (gedeeltelijk) heeft afgeschoren.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/212927-25

Datum uitspraak: 26 juni 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1966,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:

[adres] ,

op dit moment gedetineerd te: [naam PI] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 juni 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. T.M. van Wanrooij, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 10 juli 2025 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot moord dan wel een poging tot doodslag op [aangeefster/slachtoffer] , door haar tegen haar hoofd en lichaam te schoppen (met schoenen met stalen neuzen) en te slaan (met een stoel). Subsidiair is dit ten laste gelegd als het medeplegen van een zware mishandeling (met voorbedachte raad) en meer subsidiair als het medeplegen van een poging tot zware mishandeling (met voorbedachte raad).

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 De waardering van het bewijs

3.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde poging tot moord kan worden bewezen. Daarbij heeft verdachte vol opzet op de dood van aangeefster [aangeefster/slachtoffer] gehad, door haar zodanig hard tegen haar hoofd te schoppen met schoenen met stalen neuzen dat zij het bewustzijn verloor. Gelet op de voorbereidingen en de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen van verdachte is er sprake van een tevoren gemaakt plan om het slachtoffer van het leven te beroven. Tevens is er sprake van medeplegen, nu de medeverdachte [medeverdachte] een (materiële) bijdrage heeft geleverd voorafgaand, tijdens en na het feit, die van voldoende gewicht is om van medeplegen te kunnen spreken.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde poging tot moord op het slachtoffer. Het dossier bevat te weinig wettig en overtuigend bewijs voor het scenario dat verdachte planmatig handelde, waardoor het bestanddeel ‘met voorbedachten rade’ niet kan worden bewezen. Ook heeft de raadsman bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het medeplegen.

Verder heeft de raadsman van verdachte zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag. Daarbij heeft verdachte voorwaardelijk opzet – en dus geen vol opzet – gehad op de dood van het slachtoffer, door haar meermalen tegen haar hoofd te trappen.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

Uit de aangifte van aangeefster [aangeefster/slachtoffer] volgt dat zij op 10 juli 2025 rond 22.30 uur in de woning van haar vriend in [plaats 1] was, toen zij de deurbel hoorde. Voor de deur stond een in het zwart geklede man met een integraalhelm op en pizzadozen in zijn handen. Nadat aangeefster de deur op een kier opende, werd deze open gebeukt door de man en begon hij direct met zijn vuisten hard op het gezicht van aangeefster te slaan. Nadat aangeefster op de grond viel, begon de man haar ook in het gezicht te trappen met schoenen met stalen neuzen. Aangeefster probeerde weg te kruipen, maar voelde dat de persoon met veel kracht op haar in bleef slaan en schoppen. Toen aangeefster iets in het [taal] zei, stopte de man even en deed hij het vizier van zijn integraalhelm omhoog, waarop aangeefster de ogen van de man zag. Zij herkende de man hierdoor als verdachte [verdachte] . Daarna begon verdachte aangeefster weer te slaan en schoppen en is zij buiten bewustzijn geraakt. Op het moment dat zij weer bijkwam, hoorde ze hem hijgen. Toen zij vervolgens bewoog begon de man haar opnieuw te slaan en te trappen. Ook pakte hij een keukenstoel met stalen frame en begon hij haar daarmee op haar hoofd te slaan. Aangeefster had het idee dat de man haar om het leven wilde brengen. Toen zij stopte met bewegen en zichzelf stilhield, stopte verdachte met schoppen en slaan en verliet hij de woning.

De ter plaatse gekomen agenten beschrijven dat zij zagen dat het gezicht en de kleding van aangeefster onder het bloed zaten en dat haar linkeroog en lippen waren opgezwollen. In de gang en de keuken van de woning hebben zij verschillende bloedsporen en met bloed doordrenkte plukken haar aangetroffen. Op een afbeelding van de hal van de woning is te zien dat zowel op de deurmat van de woning als in de gang een pizzadoos lag. Op beide pizzadozen lagen houten snijplanken en op één van de dozen zaten bloedsporen.

Op beelden van een deurbelcamera van een andere woning in [straatnaam] wordt gezien dat om 22.58 uur een persoon met een donkere helm en vermoedelijk werkschoenen uit de richting van de woning van aangeefster loopt. Op de dag van de doorzoeking van de woning van verdachte op 11 juli 2025 worden in een vuilnisbak bij een bushalte in de nabijheid van de woning een paar werkschoenen aangetroffen. Deze werkschoenen zijn forensisch onderzocht en daaruit is gebleken dat met deze schoenen een afdruk is achtergelaten op een pizzadoos die in de gang van de woning van aangeefster lag. Daarnaast is er op de binnenzijde van de tong van de rechterschoen een DNA-spoor van aangeefster aangetroffen en wordt in de hiel van deze schoen tevens een DNA-spoor van verdachte [verdachte] waargenomen. Verder is uit onderzoek gebleken dat de telefoon van verdachte die avond rondom het tijdstip van het delict uitstond.

Verklaring verdachte

Verdachte heeft op de zitting van 12 juni 2026 onder meer verklaard dat hij in de avond van 10 juli 2025 het plan heeft opgevat om naar de woning waar aangeefster verbleef te gaan, naar eigen zeggen omdat hij met haar wilde praten om een geldbedrag terug te krijgen dat aangeefster van hem zou hebben gestolen. Enkele maanden eerder was hij achter haar verblijfsadres gekomen, toen hij haar tot aan haar woning was gevolgd. Laat op de avond besloot hij om samen met zijn vrouw, de medeverdachte [medeverdachte] , richting het adres van aangeefster te rijden. In plaats van zijn auto, of de auto van zijn vrouw, maakte hij gebruik van een auto van een kennis die hij – in de hoop om niet ontdekt te worden – in een andere straat parkeerde. Ook droeg hij een integraalhelm en had hij pizzadozen bij zich, zodat hij niet herkend zou worden. Verdachte ontkent dat hij direct is overgegaan tot geweld toen aangeefster de deur opende. Volgens verdachte maakte hij zichzelf na aanbellen bekend, waarna aangeefster hem binnenliet. Verdachte is toen met aangeefster in gesprek gegaan, waarbij aangeefster plotseling agressief werd en verdachte aanviel. Hierop ontstond een worsteling, waarbij aangeefster verdachte bij zijn broekspijp pakte, waardoor hij niet weg kon en waarop verdachte aangeefster enkele malen in haar gezicht heeft geschopt en geslagen. Hierna heeft verdachte de woning verlaten en is hij samen met de medeverdachte weer richting hun woning in [plaats 2] gereden. Verdachte ontkent dat hij aangeefster met een stoel of snijplanken heeft geslagen.

Opzet op de dood

Op basis van de hierboven genoemde bevindingen acht de rechtbank bewezen dat verdachte de man is geweest die op 10 juli 2025 het letsel bij aangeefster heeft toegebracht.

Het letsel van aangeefster is door een patholoog beoordeeld. Uit het rapport volgt dat er onder meer meerdere zwellingen in de onderhuidse wekedelen van het hoofd en een hersenschudding worden geconstateerd. Deze letsels worden geduid als het gevolg van meervoudige inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend geweld, zoals door herhaaldelijk slaan, stompen en/of trappen. Ook worden er afweerletsels tegen dergelijk stomp botsend geweld waargenomen bij aangeefster. De patholoog concludeert dat dergelijke stomp botsende geweldsinwerkingen op met name het hoofd hoge risico's geven voor langdurige of zelfs blijvende fysieke schade en in potentie ook dodelijk kunnen zijn.

De rechtbank neemt de verklaring van aangeefster als uitgangspunt voor de wijze waarop verdachte het letsel heeft toegebracht. Zij heeft telkens consistent en gedetailleerd verklaard over de geweldshandelingen die verdachte haar heeft aangedaan en haar verklaringen worden bovendien ondersteund door de in de woning aangetroffen sporen. De rechtbank acht daarom bewezen dat het letsel is ontstaan doordat verdachte aangeefster tegen het hoofd en lichaam heeft geschopt en geslagen. De op de inbeslaggenomen werkschoenen aangetroffen bloed- en DNA-sporen zijn redengevend voor de vaststelling dat verdachte deze werkschoenen droeg toen hij aangeefster schopte. Gezien de aard, hoeveelheid en ernst van de letsels moet dat met veel kracht en veel vaker zijn geweest dan de ‘enkele malen’ waarover verdachte heeft verklaard. Ook acht de rechtbank bewezen dat verdachte aangeefster met een eetkamerstoel op het hoofd heeft geslagen. De verklaring van aangeefster wordt op dit punt ondersteund door de in de woning aangetroffen situatie waarbij een eetkamerstoel met stalen frame op zijn kant op de grond lag en waarop ook bloedsporen zijn aangetroffen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte met deze handelingen vol opzet heeft gehad op het toebrengen van dodelijk letsel. Het met veiligheidsschoenen meermalen en met kracht trappen en met een stoel met stalen frame slaan tegen een vitaal onderdeel van het lichaam, als het hoofd, zodanig dat aangeefster op enig moment zelfs het bewustzijn verloor, is naar de aard en uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel dat daarmee kan worden vastgesteld dat verdachte vol opzet heeft gehad op haar dood. De vaststelling dat verdachte minutenlang is doorgegaan met het plegen van het geweld en dat hij pas is gestopt toen aangeefster roerloos op de grond lag, niet de hulpdiensten heeft gealarmeerd en zelfs niet heeft gecontroleerd of aangeefster nog in leven was, draagt bij aan de overtuiging van de rechtbank dat verdachte daadwerkelijk uit was op het doden van aangeefster. Dat de dood uiteindelijk niet is ingetreden is dan ook niet te danken aan verdachte, maar aan de overlevingsdrang van aangeefster en haar tegenwoordigheid van geest om te proberen zichzelf te verdedigen en later te stoppen met bewegen en zich stil te houden.

Voorbedachte raad

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ acht de rechtbank in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden redengevend.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het handelen van verdachte niet anders worden geduid dan dat verdachte planmatig te werk is gegaan: de integraalhelm, de pizzadozen met snijplanken erin, de werkschoenen en het gebruik maken van een voor aangeefster onbekende auto, zijn allemaal geen toevalligheden en wijzen erop dat verdachte voorbereidingen heeft getroffen, dat hij heeft willen voorkomen dat hij herkend zou worden en dat hij onder valse voorwendselen aangeefster zo ver heeft willen krijgen dat zij de deur voor hem zou openen.

Uit het sporenbeeld in de woning (in het bijzonder de pizzadoos met snijplank bij de ingang van de woning) leidt de rechtbank af dat verdachte, zoals aangeefster ook heeft verklaard, direct is overgegaan tot het plegen van geweld op het moment dat aangeefster de deur opende. Dit weerlegt de verklaring van verdachte dat hij door aangeefster is binnengelaten en dat zij eerst een gesprek hebben gehad, waarna het onbedoeld uit de hand gelopen is.

Het plan van verdachte moet al enige tijd eerder zijn ontstaan, aangezien verdachte de helm, de schoenen en de pizzadozen al bij zich had op het moment dat hij vanuit zijn woning in [plaats 2] naar het adres in [plaats 1] waar aangeefster verbleef is gereden. Ook had hij voor deze rit de auto van een kennis geregeld en stond zijn telefoon uit. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich in ieder geval al tijdens deze rit heeft kunnen beraden op de gevolgen van het door hem genomen besluit om (potentieel dodelijk) geweld toe te passen tegen aangeefster. Ook op het moment dat aangeefster op enig moment als gevolg van zijn geweldshandelingen haar bewustzijn verloor heeft verdachte gelegenheid gehad om na te denken over de gevolgen van zijn (verdere) handelen. Toen aangeefster bijkwam en bewoog, gaf hij desondanks verdere uitvoering aan zijn eerder genomen besluit en ging hij zelfs over tot nog forser geweld door haar met een stoel met stalen frame op het hoofd te slaan. Op grond van deze feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank dan ook dat verdachte voorafgaand aan en tijdens zijn handelen voldoende tijd heeft gehad zich te beraden op het genomen of het te nemen besluit, zodat hij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daar rekenschap van te geven.

Van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin verdachte zou hebben gehandeld of enige contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken. De verklaring van verdachte dat hij enkel naar aangeefster zou zijn toegegaan om het ‘over geld te hebben’ en dat zij hem daar zou hebben aangevallen, vindt geen steun in de objectieve onderzoeksresultaten en is overigens ook niet geloofwaardig gelet op het tijdstip en de eerder genoemde omstandigheden. Bovendien is er ten tijde van de aanhouding van verdachte, enkele uren na het incident, geen letsel bij hem waargenomen. Verder is verdachte pas met deze verklaring gekomen toen hij met de onderzoeksresultaten werd geconfronteerd en heeft hij, ook op de inhoudelijke zitting, sterk wisselend verklaard.

Vrijspraak van medeplegen

Voor een bewezenverklaring van de deelnemingsvorm medeplegen is vereist dat er sprake moet zijn geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en in dit geval de medeverdachte [medeverdachte] . In dat geval moet worden vastgesteld dat de bijdrage van de medeverdachte aan het strafbare feit van voldoende gewicht is geweest. In dat kader overweegt de rechtbank het volgende.

Het dossier bevat sterke aanwijzingen dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] samen betrokken zijn geweest bij de opsporing van aangeefster. Zo heeft verdachte op de zitting verklaard dat zij samen naar het [verblijfplaats] zijn gegaan waar aangeefster destijds verbleef en volgt uit de telefoongegevens van de medeverdachte dat haar telefoon in de periode kort voorafgaand aan het incident regelmatig in de omgeving van de woning van aangeefster is geweest, waarvan in ieder geval één keer gelijktijdig met de telefoon van verdachte. Op de avond van 10 juli 2025 zijn verdachte en de medeverdachte samen in een auto van een kennis gestapt en richting de woning van aangeefster gereden. De medeverdachte wist van het conflict tussen verdachte en aangeefster en dat verdachte haar die avond wilde opzoeken. Daarmee acht de rechtbank het aannemelijk dat zij ook wist dat verdachte aangeefster die avond geweld aan wilde doen. Dit wordt naar het oordeel van de rechtbank ondersteund door het feit dat ook de telefoon van aangeefster die avond uitstond, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank niet anders geduid kan worden dan als een poging om buiten het beeld van de opsporingsdiensten te blijven. Op camerabeelden van een deurbelcamera van een woning in de straat waar aangeefster woonde is te zien dat zij zich rond het tijdstip van het incident ophoudt rondom de woning van aangeefster en daar ook naar binnen kijkt. Tot slot heeft de medeverdachte de werkschoenen van verdachte weggegooid.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis hiervan echter nog niet worden bewezen dat verdachte en de medeverdachte in nauwe en bewuste samenwerking hebben gehandeld bij de uitvoering van het feit. Verdachte is alleen in de woning van aangeefster geweest en is ook de enige geweest die het letsel bij haar heeft toegebracht. De medeverdachte [medeverdachte] heeft daartoe geen uitvoeringshandelingen verricht en daarmee niet een dermate wezenlijke bijdrage aan het geweld geleverd dat kan worden gesproken van een intensieve samenwerking tussen haar en verdachte. Daarbij overweegt de rechtbank dat het weggooien van de werkschoenen na afloop op zichzelf geen medeplegen oplevert, nu daarvoor tevens moet vaststaan dat al voorafgaand aan of ten tijde van het delict daaraan een bijdrage is geleverd.

De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van het aan hem ten laste gelegde medeplegen.

Conclusie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot moord.

4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat

verdachte:

op 10 juli 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een ander, te weten [aangeefster/slachtoffer] van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal,

- die [aangeefster/slachtoffer] met de vuist in het gezicht en op het hoofd en het lichaam heeft

geslagen,

- die [aangeefster/slachtoffer] heeft geschopt en getrapt (met schoenen met aluminium neuzen) tegen

het hoofd en het lichaam,

- die [aangeefster/slachtoffer] met een stoel op het hoofd heeft geslagen

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren met aftrek van het voorarrest.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft verzocht om aan verdachte een aanzienlijk lagere gevangenisstraf op te leggen, gelet op de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en het door de reclassering als laag ingeschatte recidiverisico.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een buitengewoon ernstig feit, namelijk een poging tot moord op het slachtoffer [aangeefster/slachtoffer] . Daarbij is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een zeer berekenend plan. Verdachte is geruime tijd bezig geweest om de verblijfplaats van het slachtoffer, dat al enkele jaren voor hem op de vlucht was, te achterhalen. Uiteindelijk heeft verdachte achterhaald waar zij verbleef door haar vanuit zijn auto naar haar woning te volgen. Als onderdeel van zijn vooropgezette plan om het slachtoffer op de avond van 10 juli 2025 iets aan te doen, is hij met een geleende auto richting de woning waar zij verbleef gereden en heeft hij zich voorgedaan als pizzabezorger. Op deze wijze is het verdachte gelukt om het slachtoffer de voordeur te laten openen, waarna hij haar onmiddellijk en op nietsontziende wijze – onder meer door haar met schoenen met ‘stalen’ neuzen en een stoel tegen haar hoofd te schoppen en te slaan – heeft geprobeerd om het leven te brengen. Het slachtoffer was op dat moment alleen in de woning en maakte geen schijn van kans tegen deze explosie van geweld.

Het door verdachte in de woning toegepaste geweld is zo grof en meedogenloos geweest dat het slachtoffer van geluk mag spreken dat zij de aanval in fysieke zin heeft overleefd. Uit de toelichting op haar vordering tot schadevergoeding blijkt dat het gewelddadige gedrag van verdachte diepe mentale sporen heeft achtergelaten bij het slachtoffer. Zij kampt nog steeds met angst- en paniekaanvallen en bij haar is tevens een posttraumatische stressstoornis (PTSS) geconstateerd. Ook heeft zij langere tijd moeten onderduiken en verbleef zij op verschillende geheime adressen. Het slachtoffer leefde door de wraakzucht van verdachte al geruime tijd in angst en zal zich na deze gebeurtenis zelfs in haar eigen huis niet snel meer veilig voelen. Daarnaast brengen dit soort daden in het algemeen gevoelens van schok en onveiligheid teweeg in de samenleving.

Uit het handelen van verdachte blijkt nietsontziende wraakzucht en rancune. Dit ging zelfs zo ver dat verdachte de haren van het slachtoffer in de woning (gedeeltelijk) heeft afgeschoren. Naar de redenen daarvoor kan de rechtbank slechts gissen, omdat verdachte hierover geen openheid van zaken heeft gegeven. Uit vergelijkbare zaken weet de rechtbank dat dit kan wijzen op een daad van vernedering, waarbij het afscheren van haren symbool staat voor het afpakken van de schoonheid van het vrouwelijke slachtoffer. Zo is het blijkens de verklaring van aangeefster door haar ook ervaren. Naast de duur en de enorme intensiteit van het door verdachte gebruikte geweld, weegt de rechtbank daarom ook dit element strafverzwarend mee. Voor het slachtoffer moet dit alles een uitermate vernederende en intimiderende daad zijn geweest, die diep ingrijpt in haar gevoelens van persoonlijke waardigheid.

De persoon van verdachte

In het kader van de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van verdachte van 15 april 2026, waaruit volgt dat hij niet eerder voor een soortgelijk delict is veroordeeld.

Ook heeft de rechtbank gekeken naar het reclasseringsadvies betreffende verdachte van 31 mei 2026. Hieruit volgt dat de reclassering het algemene recidiverisico als laag inschat, maar met de kanttekening dat het recidiverisico op het plegen van geweld tegen het slachtoffer niet kan worden ingeschat. Het motief van het delictgedrag van verdachte is voor de reclassering moeilijk in te schatten, waardoor het maken van een risico-inschatting wordt bemoeilijkt. Het risico op het onttrekken aan voorwaarden wordt als laag ingeschat, waardoor de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling adviseert. Ook adviseert de reclassering een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod voor een gebied van 2.500 meter rondom het adres waar het feit heeft plaatsgevonden.

De op te leggen straf

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het door verdachte gepleegde feit een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. Voor het bepalen van de hoogte daarvan heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Ook heeft de rechtbank de hiervoor genoemde strafverzwarende omstandigheden meegewogen bij het bepalen van de op te leggen straf.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaar – zoals ook door de officier van justitie is geëist – passend en geboden is.

Gelet op de ernst van het feit en de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf is er geen ruimte voor een voorwaardelijk strafdeel. De door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en beschermingsmaatregelen kunnen in het kader van een eventuele voorwaardelijke invrijheidsstelling op een later moment alsnog worden opgelegd.

8 De vorderingen van de benadeelde partijen

8.1.

De vorderingen tot schadevergoeding

De benadeelde partij [aangeefster/slachtoffer] vordert een bedrag van € 4.892,50 aan vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 25.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gevorderde materiële schade bestaat uit tandartskosten, het wettelijke eigen risico, taxikosten, de ziekenhuisdaggeldvergoeding, kapperskosten en kosten voor de beschadigde vloer van de woning.

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een bedrag van € 1.880,30 aan vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 5.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gevorderde materiële schade bestaat uit het wettelijke eigen risico en het verlies van arbeidsvermogen.

8.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide vorderingen in zijn geheel en hoofdelijk kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.3.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de door de benadeelde partij [aangeefster/slachtoffer] gevorderde immateriële schade heeft de raadsman van verdachte verzocht om het gevorderde bedrag te matigen tot € 10.000,-, nu de medische eindtoestand van de benadeelde partij onbekend is en de toekomstige schade daardoor niet goed valt in te schatten. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade heeft de raadsman verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de gevorderde taxikosten en de gevorderde kosten met betrekking tot de vervanging van de beschadigde vloer. Verder heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de overige gevorderde materiële schade.

Ten aanzien van de door de benadeelde partij [benadeelde partij] gevorderde immateriële schade heeft de raadsman van verdachte verzocht om aansluiting te zoeken bij de lichtste categorie van geestelijk letsel zoals genoemd in de ‘Rotterdamse Schaal’ (een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen), waardoor het gevorderde bedrag aan immateriële schade gematigd zou moeten worden. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade heeft de raadsman verzocht om het gevorderde bedrag aan een verlies van arbeidsvermogen te matigen tot de gemiste inkomsten voor een periode van vijf dagen, nu onvoldoende is onderbouwd waarom de benadeelde partij acht dagen niet zou hebben kunnen werken. Verder heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de gevorderde schade die ziet op het betaalde wettelijke eigen risico van de benadeelde partij.

8.4.

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van de benadeelde partij [aangeefster/slachtoffer]

Immateriële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar persoonlijke levenssfeer en er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar lichamelijke integriteit.

Door het handelen van verdachte heeft de benadeelde partij ernstig letsel opgelopen. Ook heeft het handelen van verdachte een diepe impact op haar mentale toestand gehad. Vanwege deze gerichte aanval heeft zij noodgedwongen moeten onderduiken en in verschillende safehouses moeten verblijven, waar zij enkel voor noodzakelijke reizen weg mocht. Sinds het incident ervaart zij angst- en paniekaanvallen en is zij constant bang, gestrest en alert. Bij haar is tevens een posttraumatische stressstoornis (PTSS) geconstateerd, waarvoor zij een EMDR-behandeling ondergaat. Haar medische eindtoestand is op psychisch vlak nog altijd onbekend. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op het gevorderde bedrag van € 25.000,-.

Materiële schade

De rechtbank zal de gevorderde materiële schade, voor zover deze betrekking heeft op de medische en cosmetische kosten, geheel toewijzen. Het gaat hierbij om een bedrag van € 1.241,68 aan tandartskosten, een bedrag van € 385,- met betrekking tot het wettelijke eigen risico, een bedrag van € 38,- als daggeldvergoeding voor het ziekenhuis en een bedrag van € 38,- aan kapperskosten. Dit gedeelte van de gevorderde materiële schadevergoeding is niet betwist en door middel van facturen en stukken onderbouwd.

De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 531,45 aan gemaakte taxikosten eveneens geheel toewijzen. De benadeelde partij heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat zij ten behoeve van enkele noodzakelijke afspraken gebruik moest maken van een taxi. Daarbij maakt het voor de beoordeling hiervan naar het oordeel van de rechtbank niet uit dat zij in dit kader gebruik heeft gemaakt van de taxiservice van haar/een vriend. De kosten die de benadeelde partij heeft moeten maken zijn redelijk, door middel van facturen onderbouwd en daarmee toewijsbaar.

De gevorderde schade die ziet op de kosten die zijn gemaakt voor het herstel van de beschadigde vloer van de woning zijn aangevoerd als ‘verplaatste schade’, nu deze kosten zijn gemaakt door de hoofdbewoner van de woning, te weten de benadeelde partij [benadeelde partij] . De rechtbank overweegt dat uit artikel 6:107, eerste lid, onder a, van het Burgerlijk Wetboek, volgt dat met verplaatste schade de schade wordt bedoeld die bestaat uit kosten die derden hebben gemaakt ten behoeve van het slachtoffer en die de gekwetste zelf had kunnen vorderen, indien hij deze kosten zelf had gemaakt. Hierbij kan, blijkens de toelichting op deze bepaling, bijvoorbeeld worden gedacht aan kosten die ten behoeve van het slachtoffer zijn gemaakt in verband met een doktersbezoek, of de reparatie van een fiets na een verkeersongeval. In onderhavige zaak is een soortgelijke situatie naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde. Uit het dossier volgt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] de bewoner was van de woning waar het geweld heeft plaatsgevonden, waardoor de kosten ten behoeve van het herstel van die woning dan ook geen kosten zijn die ten behoeve van de benadeelde partij [aangeefster/slachtoffer] zijn gemaakt. Dit onderdeel van de gevorderde materiële schade kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet worden aangemerkt als ‘verplaatste schade’ in de zin van artikel 6:107, eerste lid, onder a, van het Burgerlijk Wetboek. De benadeelde partij zal daarom ten aanzien van deze gevorderde schade niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering tot schadevergoeding.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Immateriële schade

Ten aanzien van de door de benadeelde partij [benadeelde partij] gevorderde shockschade overweegt de rechtbank dat de Hoge Raad strikte voorwaarden heeft gesteld aan de toekenning daarvan. De door een shock ontstane schade is alleen vergoedbaar jegens degene bij wie door het waarnemen van het ongeval, of de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan, een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht. Ook dient er sprake te zijn van geestelijk letsel bij de waarnemer, dat in rechte kan worden vastgesteld. Een van de factoren die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht is onder meer de aard en de hechtheid van de relatie tussen het slachtoffer en de benadeelde partij, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft daartoe aangevoerd dat hij de partner is van het slachtoffer en door haar werd gebeld om naar huis te komen. Door de confrontatie met het letsel van zijn vriendin aldaar kon hij niet meer goed slapen en piekerde hij veel. Hij is in behandeling gegaan bij een psychiater, die PTSS bij hem heeft geconstateerd.

De rechtbank begrijpt vanzelfsprekend dat de confrontatie met het gehavende slachtoffer zonder meer een zeer ingrijpende gebeurtenis voor de benadeelde partij moet zijn geweest en beoogt ook niets af te doen aan de betekenis van de band tussen de benadeelde partij en het slachtoffer. Op basis van de beschikbare informatie is de rechtbank echter van oordeel dat onvoldoende kan worden vastgesteld dat sprake was van een zodanig nauwe affectieve relatie dat aan de door de Hoge Raad gehanteerde strikte voorwaarden voor toekenning van shockschade is voldaan. Om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen om de gestelde (partner)relatie nader te onderbouwen, zou de behandeling van de zaak moeten worden aangehouden. Omdat dit een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk ten aanzien van de gevorderde immateriële shockschade. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Materiële schade

De benadeelde partij heeft vergoeding van verbruikt eigen risico voor zorgkosten gevorderd, nu hij onder behandeling is van een psycholoog en psychiater als gevolg van het gestelde geestelijk letsel. Hoewel op zichzelf aannemelijk is geworden dat hij deze kosten heeft gemaakt, komen deze toch niet voor vergoeding in aanmerking omdat ten aanzien van de benadeelde partij het bestaan van shockschade (nog) niet is aangenomen. De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van zijn vordering, zodat hij de mogelijkheid heeft om deze post op te voeren als hij ervoor zou kiezen zijn vordering ten aanzien van de shockschade aan de burgerlijke rechter voor te leggen.

De rechtbank zal de benadeelde partij eveneens niet-ontvankelijk verklaren in de door hem gevorderde materiële schade die ziet op verlies van arbeidsvermogen als gevolg van de mantelzorg voor het slachtoffer. Artikel 6:107 van het Burgerlijk Wetboek biedt slechts een grondslag voor de vergoeding van de kosten ten behoeve van de verzorging van het slachtoffer en dus niet voor zelfstandige schade van een derde in de vorm van inkomensverlies van degene die deze zorg verleent.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Poging tot moord

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

De vordering van de benadeelde partij [aangeefster/slachtoffer]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangeefster/slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 2.234,13 (tweeduizend tweehonderdvierendertig euro en dertien cent) aan vergoeding van materiële schade en € 25.000,- (vijfentwintigduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 10 juli 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangeefster/slachtoffer] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster/slachtoffer] , aan de Staat een bedrag van € 27.234,13 (zevenentwintigduizend tweehonderdvierendertig euro en dertien cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 10 juli 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 149 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D. Bode, voorzitter,

mrs. M. Smit en J.V.L. van Well, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. J.M. Bos en L.A. Peverelli, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 juni 2026.

[..]