Materieel strafrecht
Binnendringen in een woning, waarbij ramen en deuren zijn vernield en de muren van de woning zijn beklad…
Rechtbank Amsterdam, 10 februari 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:7280 · Rechtbank Amsterdam · 10 februari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/materieel-strafrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbams-2026-7280
Zaakgegevens
Op 10 februari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 10 februari 2026
- Datum publicatie
- 16 juli 2026
- Zaaknummer
- 13/058056-22
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:7280
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Binnendringen in een woning, waarbij ramen en deuren zijn vernield en de muren van de woning zijn beklad. Geldboete van 400 euro.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/058056-22
Datum uitspraak: 10 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.
1 Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P. van Laere en van wat de gemachtigde raadsman van verdachte, mr. D. Gaasbeek, naar voren hebben gebracht.
2 Tenlastelegging
Aan verdachte is – samengevat - ten laste gelegd dat hij zich op 5 maart 2022 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
1. primair: het medeplegen van huisvredebreuk in de woning aan [adres] ;
subsidiair: het medeplegen van kraken van de woning aan [adres] ;
2. het medeplegen van het vernielen en/of beschadigen van deuren, ramen, muren en/of andere goederen in of aan het pand aan [adres] ;
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3 Ontvankelijkheid van de officier van justitie
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 2 niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte, omdat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel en/of het verbod op willekeur en/of het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. Medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn niet vervolgd voor vernieling, terwijl hun positie niet verschilt van de positie van verdachte.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. Medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn niet voorgeleid voor de rechter-commissaris, omdat hun identiteit al bekend was bij de politie. Aan hen is vervolgens een strafbeschikking opgelegd voor huisvredebreuk. Zowel [medeverdachte 2] als [medeverdachte 1] hebben verzet ingesteld tegen de strafbeschikking. [medeverdachte 2] heeft dit verzet een aantal dagen voor de zitting ingetrokken en [medeverdachte 1] is op 1 mei 2025 door de rechtbank veroordeeld. De omstandigheid dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] een strafbeschikking opgelegd hebben gekregen, staat de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van verdachte niet in de weg. Dat deze strafbeschikking niet is opgelegd voor vernieling, doet hier niet aan af.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat de officier van justitie een ruime mate van beleidsvrijheid heeft om al dan niet tot vervolging over te gaan. De beslissing om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.
De rechtbank is van oordeel dat de beslissing van de officier van justitie om verdachte te vervolgen voor vernieling niet onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde. De officier van justitie heeft op de zitting toegelicht dat aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] een strafbeschikking is opgelegd voor huisvredebreuk en dat vervolging dus heeft plaatsgevonden. Dat de strafbeschikkingen niet zijn opgelegd voor de vernieling, maakt niet dat het Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 2 niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. Het verweer wordt verworpen.
4 Waardering van het bewijs
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 primair en feit 2 kunnen worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van alle feiten moet worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 1 primair kan niet worden bewezen dat een vordering van of vanwege de rechthebbende heeft plaatsgevonden. Gelet hierop kan geen sprake zijn van wederrechtelijk vertoeven in de woning. Daarnaast kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat verdachte de woning wederrechtelijk is binnengedrongen. Feit 1 subsidiair kan ook niet worden bewezen, omdat ten tijde van het feit het gebruik van de woning door de rechthebbende niet was beëindigd.
Ten aanzien van feit 2 kan niet worden vastgesteld wanneer de vernielingen aan de woning zijn aangericht. Daarnaast is niet komen vast te staan wie de vernielingen heeft verricht. Daarbij zijn de vernielingen niet van dien aard dat kan worden aangenomen dat deze door een groep moeten zijn begaan.
Oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het dossier het volgende worden opgemaakt.
Op 5 maart 2022 heeft [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) aangifte gedaan van vernieling van zijn deur en huisvredebreuk dan wel kraken van zijn woning aan [adres] in Amsterdam. [slachtoffer] was ten tijde van de verdenkingen bezig met een verbouwing van zijn woning, waardoor de woning leeg stond. Getuige [getuige] , de buurman van [slachtoffer] , stond op 5 maart 2022 voor zijn eigen woning en zag een groep van ongeveer 30 personen aan komen stormen. Een kleine groep verplaatste vervolgens de hekken die voor de woning van [slachtoffer] stonden. Volgens [getuige] betraden hierna ongeveer negen personen de woning via de zijingang. Nadat de politie ter plaatse was gekomen, zag zij dat diverse spandoeken waren bevestigd aan het pand met leuzen als ‘Niet wijken voor de rijken’ en ‘House the students squat the rich’. De politie zag ook dat vanuit de woning een persoon met groene verf twee tekens op de gevel schilderde. Ook hoorde de politie dat uit het bewuste pand hak- en breekgeluiden kwamen. Nadat in overleg met de officier van justitie tot ontruiming was besloten, betrad de politie via een ladderwagen de vierde bouwlaag van de woning en hield vijf personen aan, waaronder verdachte. Op het dak van de woning bevonden zich nog vier personen. Deze verdachten zijn door de technische eenheid van de politie van het dak gehaald en aangehouden.
Op 7 maart 2022 is contact gezocht met de aannemer [aannemer] (hierna: [aannemer] ) van [slachtoffer] om de schade aan de woning vast te stellen. [aannemer] heeft verklaard dat het pand schoon was op het moment dat hij de verbouwingsklus op 10 januari 2022 aannam. Aan het dossier zijn foto’s van de vernielingen toegevoegd, die door een verbalisant zijn waargenomen. Op 3 maart 2022 is een werknemer van [aannemer] , [werknemer aannemer] (hierna: [werknemer aannemer] ), voor het laatst in het pand geweest, waarbij hij geen vernielingen heeft opgemerkt aan de ramen of kozijnen.
Bewezenverklaring feit 1 primair – medeplegen huisvredebreuk
Anders dan de raadsman heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat feit 1 primair bewezen is. Naar het oordeel van de rechtbank was de woning ten tijde van het feit in gebruik bij [slachtoffer] , gelet op de verbouwing van de woning die op dat moment gaande was. Gezien de verklaring van [getuige] dat ongeveer negen personen door middel van het verplaatsen van hekken de woning hebben betreden in samenhang met de uiteindelijk negen aangehouden verdachten in of op de woning, stelt de rechtbank vast dat verdachte samen met anderen de woning is binnengedrongen.
Bewezenverklaring feit 2 – medeplegen vernieling en/of beschadiging
Aan de hand van het dossier stelt de rechtbank vast dat de zijdeur, meerdere ramen en twee monumentale schuifdeuren zijn vernield. Ook zijn meerdere tekens op de muren gespoten, waardoor de muren zijn beschadigd. Niet kan worden vastgesteld dat andere goederen in de woning, zoals de trapleuning of gaten in de vloer, door de verdachten zijn vernield of beschadigd. De rechtbank zal verdachte daarom hiervan partieel vrijspreken.
De rechtbank stelt vast dat deze vernielingen en de beschadiging zijn gepleegd op 5 maart 2022 door verdachte en anderen. Volgens [aannemer] en [werknemer aannemer] is de woning op 3 maart 2022 onbeschadigd gezien. Vaststaat dat verdachte op 5 maart 2022 samen met anderen de woning van [slachtoffer] is binnengedrongen, waarbij zij met een grote groep op de woning zijn afgegaan en na het verplaatsen van de hekken de woning met een kleinere groep hebben betreden. Direct hierna is een bakfiets naar binnen gereden, zijn meerdere spandoeken opgehangen, zijn hak- en breekgeluiden gehoord en is met spuitbussen op de gevel gespoten. De waargenomen geluiden en handelingen, in combinatie met de vastgestelde schade en de verklaringen van [aannemer] en [werknemer aannemer] , maken dat de rechtbank van oordeel is dat het niet anders kan dan dat voornoemde vernielingen en beschadiging op 5 maart 2025 aan de woning zijn toegebracht.
Uit de wijze waarop de groep zich de toegang tot de woning heeft verschaft en direct overging tot handelen, leidt de rechtbank af dat aan ieder persoon van de groep een taak was toebedeeld en dat deze rollen inwisselbaar waren. De rechtbank is van oordeel dat dit wijst op een gecoördineerd plan om vernielingen te plegen, waarbij sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom ook het medeplegen bewezen.
5 Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1.
op 5 maart 2022 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, in de woning aan [adres] , bij [slachtoffer] in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;
2.
op 5 maart 2022 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk meerdere deuren, ramen en muren in of aan het pand aan [adres] , die aan [slachtoffer] toebehoorden heeft vernield en/of beschadigd.
6 Strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7 Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8 Motivering van de straf
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 400,- met aftrek van voorarrest, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 4 dagen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf. In strafmatigende zin dient te worden meegenomen dat de redelijke termijn fors is overschreden en sprake is van een oud feit. Daarnaast is verdachte vijf dagen van zijn vrijheid beroofd en heeft hij in de afgelopen vier jaar niet opnieuw een strafbaar feit begaan. Ten slotte is ook relevant dat verdachte aan zijn aanhouding heeft meegewerkt.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het binnendringen van een woning, waarbij onder meer ramen en deuren zijn vernield. Daarnaast zijn de muren van de woning beklad met meerdere tekens. Door deze handelswijze heeft verdachte veel schade en overlast veroorzaakt en inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van een ander. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van verdachte van 11 november 2025. Hieruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
De rechtbank heeft gekeken naar straffen die rechtbanken en gerechtshoven in vergelijkbare zaken opleggen en naar de straffen die door de rechtbank in de zaken van de medeverdachten zijn opgelegd.
De rechtbank heeft zich afgevraagd of oplegging van een geldboete recht doet aan de omvang van de schade die aan de woning is toegebracht. Gelet op de straffen die in de zaken van de medeverdachten zijn opgelegd, vindt de rechtbank het echter niet op zijn plaats om een hogere straf of andere strafmodaliteit, zoals een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, aan verdachte op te leggen.
De rechtbank constateert dat de redelijke termijn van twee jaar waarbinnen de zaak dient te zijn afgerond met een eindvonnis is overschreden. Verdachte is op 6 maart 2022 in verzekering gesteld en daarmee is de redelijke termijn aangevangen. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan verdachte, dient dit in beginsel te worden gecompenseerd bij de op te leggen straf. Omdat de rechtbank tot het opleggen van een geldboete komt, zal de rechtbank volstaan met het constateren van de overschrijding.
Alles afwegende zal de rechtbank een geldboete van € 400,- met aftrek van voorarrest aan verdachte opleggen.
9 Vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij, [slachtoffer] , vordert € 30.460,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De gevraagde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
(1) vervanging van drie sets monumentale schuifdeuren € 3.000,-;
(2) vervanging van zes ramen en kozijnen € 19.004,-;
(3) verwijderen van graffiti € 3.500,-;
(4) herstel diverse gaten vloer € 750,-;
(5) vervanging antieke schouw € 2.500,-;
(6) herstel trapleuning € 950,-;
(7) parkeerkosten € 285,-;
(8) noodafdichting deur en ramen € 471,15.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering, conform de vonnissen in de zaken van de medeverdachten, kan worden toegewezen tot een bedrag van € 6.156,15, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 2.
Subsidiair heeft de raadsman de vordering ten aanzien van alle posten betwist. De onder nummers 2, 3, 4, 5, 6 en 8 genoemde posten moeten worden afgewezen. De onder nummers 1 en 7 genoemde posten moeten sterk worden gematigd.
Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat onderzoek naar de gevorderde schade een onevenredige belasting van het strafgeding vormt
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het onder feit 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De vordering voor de vervanging van drie sets monumentale schuifdeuren (1) acht de rechtbank deels toewijsbaar. De rechtbank stelt op grond van het dossier vast dat twee monumentale schuifdeuren (één set) zijn vernield. Ten aanzien van de schade aan de set schuifdeuren maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid en schat de geleden schade op een bedrag van € 950,-. Wat betreft het overige gevorderde bedrag zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren, omdat geen rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde is komen vast te staan.
Ten aanzien van de vordering van de vervanging van de zes ramen en kozijnen (2) zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. De benadeelde partij heeft een offerte overlegd met de nieuwprijs van de te vervangen raamkozijn combinaties. Daarnaast ziet de overgelegde offerte op het plaatsen van ramen met dubbelglas, terwijl de schade is toegebracht aan ramen met enkel glas. Dit betekent dat de overgelegde stukken niet alleen zien op het herstel van de schade, maar ook op een verbetering aan de woning. De rechtbank is van oordeel dat zij over onvoldoende expertise beschikt om op basis van de overgelegde gegevens de geleden schade te schatten en laat daarom het gebruik van haar schattingsbevoegdheid achterwege. De behandeling van de vordering voor deze post levert hiermee een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat na 5 maart 2022 nieuwe graffiti op de gevel is aangebracht. De vordering van het verwijderen van de graffiti (3) op de gevel acht de rechtbank dan ook volledig toewijsbaar, nu deze schadepost voldoende is onderbouwd.
De vordering van de parkeerkosten (7) en de noodafdichting deur en ramen (8) acht de rechtbank ook volledig toewijsbaar. Deze schadeposten zijn voldoende onderbouwd en het staat vast dat de benadeelde partij deze schade heeft geleden.
Ten aanzien van de vordering van het herstel van gaten in de vloer (4), de vervanging van de antieke schouw (5) en het herstel van de trapleuning (6) zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal de vordering tot materiële schadevergoeding aldus voor een bedrag van € 5.206,15 toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 5 maart 2022. Het totaal toegewezen bedrag is inclusief de kosten van betaling van de btw, met uitzondering van de parkeerkosten.
Hoofdelijkheid
De rechtbank is van oordeel dat de toegewezen vordering hoofdelijk dient te worden toegewezen nu verdachte het onder feit 2 bewezenverklaarde feit samen met anderen heeft gepleegd. Verdachte en zijn mededaders zijn, als zij worden aangesproken door de benadeelde partij, ieder afzonderlijk verplicht om het totale bedrag aan de benadeelde partij te betalen, tenzij (een) ander(en) het hele bedrag al heeft/hebben betaald.
Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk opleggen, aangezien verdachte jegens [slachtoffer] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder feit 2 bewezenverklaarde feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze schade op een bedrag van € 5.206,15.
10 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 24, 24c, 36f, 47, 57, 138 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
11 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1 primair:
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen;
Ten aanzien van feit 2:
medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen of beschadigen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 400,- (vierhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 4 (vier) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, op de geldboete in mindering gebracht zal worden naar de maatstaf van € 100,- (honderd euro) per dag.
Benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 5.206,15 (vijfduizend tweehonderdzes euro en vijftien eurocent) ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (5 maart 2022) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Verdachte is met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk voor het gehele bedrag. Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde partij bevrijd voor zover hij of zijn mededaders heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt verdachte voorts hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 5.206,15 (vijfduizend tweehonderdzes euro en vijftien eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (5 maart 2022) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 51 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. K.A. Brunner, voorzitter,
mrs. R.A. Sipkens en B. van Galen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. van Gerven, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 februari 2026.
[…]
1 […]
[…]
2 […]
[…]
7 […]
[…]
.