Materieel strafrecht

Veroordeling voor witwassen tot een taakstraf van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3…

Rechtbank Amsterdam, 19 februari 2026

Zaakgegevens

Op 19 februari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
19 februari 2026
Datum publicatie
16 juli 2026
Zaaknummer
13/331239-24
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:7281
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling voor witwassen tot een taakstraf van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd 3 jaar

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/331239-24

Datum uitspraak: 19 februari 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres 1] ,

hierna: verdachte.

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 februari 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.M.E. Hirdes, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. S. Ettalhaoui, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

hij, in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 4 april 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (van) een of meer geldbedragen (in totaal € 103.790,-) welke contant zijn gestort op de bankrekeningen t.n.v. verdachte, althans een of meer voorwerpen,
Sub a
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)
Sub b
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit kan worden bewezen.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat uit het dossier niet blijkt dat sprake is van verhullend of verbergend handelen. Subsidiair moet verdachte worden vrijgesproken, omdat het bewijs ontoereikend is. De CIE-informatie heeft onvoldoende bewijskracht, de alternatieve verklaring van verdachte is niet onderzocht, er is geen bewijs voor een grondmisdrijf en de levensstijl van verdachte wijst niet op criminele inkomsten.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

Voor een veroordeling voor witwassen is vereist dat bewezen is dat een voorwerp afkomstig is ‘uit enig misdrijf’. In die gevallen dat uit het dossier niet blijkt uit welk specifiek misdrijf het voorwerp afkomstig is, kan een verdachte toch worden veroordeeld als het op basis van het dossier niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Om te beoordelen of van die situatie sprake is, is in de rechtspraak een stappenplan ontwikkeld.

De eerste stap is dat het Openbaar Ministerie bewijs moet aandragen dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Als sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van een verdachte worden verwacht dat hij dit vermoeden onderuit haalt door het geven van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van het geld.

Als een verdachte zo’n verklaring heeft gegeven is het aan het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de door de verdachte gestelde herkomst van het voorwerp. Als het Openbaar Ministerie dat onderzoek heeft verricht is het aan de rechter om te oordelen of voldoende kan worden uitgesloten dat het voorwerp van de tenlastelegging een legale herkomst heeft en dat een criminele herkomst de enige aanvaarbare verklaring is. Als een legale herkomst kan worden uitgesloten is bewezen dat het voorwerp ‘uit enig misdrijf afkomstig is’.

Op grond van de inhoud van het dossier is onvoldoende vast te stellen dat de contante stortingen afkomstig zijn uit een specifiek misdrijf. De rechtbank moet daarom eerst de vraag beantwoorden of er een gerechtvaardigd vermoeden is dat de contante stortingen van misdrijf afkomstig zijn. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt hiertoe het volgende.

Vermoeden van witwassen

Uit financieel onderzoek is gebleken dat in de periode van 16 december 2021 tot en met 2 april 2024 in totaal € 103.790,- contant is gestort op de verschillende bankrekeningen van verdachte. Het gaat om meer dan 500 contante stortingen die in omvang variëren van € 5,- tot € 2.950,-. Daarnaast komt uit het financieel onderzoek naar voren dat verdachte in deze periode nagenoeg geen geregistreerd inkomen had. Deze feiten en omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden van een criminele herkomst van het aan verdachte ten laste gelegde geldbedrag. Gelet hierop mag van verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft over de legale herkomst van het geld.

Verklaring van verdachte

Verdachte heeft, na hiertoe meerdere keren te zijn uitgenodigd, steeds geen verklaring willen geven over de herkomst van het geld. Op de zitting heeft verdachte voor het eerst verklaard dat hij in 2011 of 2012 een geldbedrag van € 120.000,- heeft gewonnen met gokken. Dit bedrag is overgemaakt naar zijn rekeningnummer bij ING bank. Vervolgens heeft verdachte dat geldbedrag in contanten opgenomen en thuis bewaard. Daarmee is hij in eerste instantie van illegaal gokhuis naar casino gegaan, dat is uit de hand gelopen, soms had verdachte wat meer geld en soms bijna niets. De contante stortingen zijn gokopbrengsten. Verdachte heeft die kleine geldbedragen steeds contant gestort op zijn bankrekeningen om er vervolgens online mee te kunnen gokken.

Verdachte heeft geen namen of locaties van casino’s of gokhuizen genoemd waar hij contante geldbedragen heeft gewonnen, noch heeft hij anderszins stukken of informatie aangeleverd die zijn stellingen steunen.

Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij in deze periode ook zwart heeft gewerkt en dat hij veel verschillende klusjes deed.

De verklaring van verdachte is niet concreet en evenmin verifieerbaar en aannemelijk. Zo heeft verdachte zowel het gokken als het zwart werken geen handen en voeten gegeven. Hierbij komt dat uit de transactieoverzichten van de bankrekeningen van verdachte geen verband naar voren lijkt te komen tussen de contante stortingen en het geld daarna gebruiken voor online gokken.

Conclusie

De rechtbank komt tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat de gestorte geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte hier (op zijn minst genomen) voorwaardelijk opzet op heeft gehad.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

in de periode van 16 december 2021 tot en met 2 april 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (van) geldbedragen (in totaal € 103.790,-) welke contant zijn gestort op de bankrekeningen t.n.v. verdachte,

Sub b
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen

7.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaar. Daaraan moeten de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij heeft jarenlang zijn zieke moeder verzorgd en hij kampt met een gokverslaving die moet worden behandeld. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het tijdsverloop. Volgens de raadsman is een voorwaardelijke straf of een taakstraf passend, met als bijzondere voorwaarde het volgen van een behandeling voor gokverslaving.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een aanzienlijk geldbedrag. Witwassen is een ernstig feit dat bijdraagt aan de instandhouding van criminaliteit. Het leidt ertoe dat uit misdrijf verkregen geld een schijnbaar legale herkomst krijgt, waarna de pleger van het misdrijf vrijelijk over dat geld kan beschikken.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het zogenoemde strafblad van verdachte van 18 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 1 mei 2025. De grootse risicofactoren zijn het problematische gokgedrag van verdachte, zijn houding en mogelijk ook zijn sociale netwerk. Door het gokken zijn schulden ontstaan. Verdachte heeft eerder een kortdurende online behandeling gekregen voor het gokken, maar dit heeft niet tot het gewenste resultaat geleid. De reclassering schat het recidiverisico in als gemiddeld. Het is positief dat verdachte open staat voor hulp en hoewel het onduidelijk is in hoeverre er sprake is van intrinsieke motivatie, ziet de reclassering voldoende mogelijkheden om met interventies te werken aan gedragsverandering en recidivevermindering. De reclassering adviseert om bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, het vinden en behouden van een dagbesteding en een verbod op kansspelen.

Strafoplegging

De rechtbank heeft voor de strafmaat acht geslagen op de door de rechtspraak gehanteerde oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor fraudedelicten. Bij een fraudebedrag tussen de € 70.000,- en € 125.000,- is het oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tussen de vijf en negen maanden of een onvoorwaardelijke taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

In het licht van de persoonlijke situatie van verdachte en teneinde verdachte te stimuleren aan zijn leven een positieve invulling te geven, zal de rechtbank een gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen. Omdat de rechtbank met de reclassering van oordeel is dat verdachte moet worden begeleid, behandeld en ondersteund, zal de rechtbank aan voornoemde gevangenisstraf de na te noemen (bijzondere) voorwaarden verbinden. In het kader van normmarkering legt de rechtbank hierbij nog een onvoorwaardelijke taakstraf op van aanzienlijke duur.

De rechtbank zal conform de vordering van de officier van justitie een taakstraf van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden opleggen. Gelet op de hardnekkige gokverslaving van verdachte acht de rechtbank het passend dat een langere proeftijd aan het voorwaardelijk strafdeel wordt verbonden, namelijk drie jaren.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

witwassen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- Meldplicht bij reclassering (na afspraak)

Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt veroordeelde zich bij Reclassering Inforsa op het adres [adres 2] . De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.

- Ambulante behandeling

Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Jellinek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo spoedig mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op verslavingsproblematiek.

- Dagbesteding

Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.

- Verbod kansspelen

Veroordeelde neemt niet deel aan kansspelen.

Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd

  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.B.W. Beekman, voorzitter,

mrs. M. Versteege en M. Bijleveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. van Gerven, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 februari 2026.

[…]