Materieel strafrecht

Verdachte heeft zich in zes weken tijd schuldig gemaakt aan meerdere geweldsfeiten (mishandelingen en…

Rechtbank Amsterdam, 10 april 2026

Zaakgegevens

Op 10 april 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
10 april 2026
Datum publicatie
16 juli 2026
Zaaknummer
13/181474-25 (A), 13/211055-25 (B) en 13/166123-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:7303
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verdachte heeft zich in zes weken tijd schuldig gemaakt aan meerdere geweldsfeiten (mishandelingen en openlijke geweldplegingen), allen gepleegd in het uitgaansleven in Amsterdam. Gevangenisstraf van 4 maanden.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummers: 13/181474-25 (A), 13/211055-25 (B) en 13/166123-25 (C)

Datum uitspraak: 10 april 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 maart 2026.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. L. van Eck Rasmussen, en van wat de gemachtigde raadsman van verdachte, mr. L.R. Klaver, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:

Zaak A

1. primair: poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] op 14 juni 2025;

subsidiair: mishandeling van [slachtoffer 1] op 14 juni 2025;

2. mishandeling van [slachtoffer 2] op 14 juni 2025;

Zaak B

1. primair: openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] op 9 mei 2025;

subsidiair: mishandeling van [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] op 7 mei 2025;

2. primair: openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 6] op 7 mei 2025;

subsidiair: mishandeling van [slachtoffer 6] op 7 mei 2025;

3. mishandeling van [slachtoffer 7] op 7 mei 2025;

Zaak C

openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 8] op 30 mei 2025.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair in zaak A, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] .

Alle overige feiten kunnen wel worden bewezen. De officier van justitie heeft daartoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 in zaak A, omdat moet worden getwijfeld over de geloofwaardigheid van de verklaringen van aangever [slachtoffer 1] en getuige [getuige] . Deze verklaringen kunnen niet voor het bewijs worden gebruikt. Ten aanzien van de overige feiten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Vrijspraak van feit 1 primair in zaak A (poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] )

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] . Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

3.3.2.

Oordeel over feit 1 subsidiair in zaak A (mishandeling van [slachtoffer 1] )

De rechtbank is van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte aangeefster [slachtoffer 1] heeft mishandeld en overweegt daartoe als volgt.

Aangeefster is direct na het incident gehoord. Zij heeft verklaard dat ze tijdens een uitgaansavond samen met vriendin [getuige] buiten stond te roken en dat een onbekende man [getuige] bij haar zij vastpakte. Toen aangeefster ingreep, heeft de man haar geïntimideerd. Even later kwam de man weer bij aangeefster en [getuige] staan en probeerde hij hun aansteker te stelen. Aangeefster heeft daar toen iets van gezegd. Een moment later voelde ze dat de man haar bij haar keel vastpakte. Hij deed zijn volledige arm om haar heen in een nekklem. Daardoor kreeg zij geen adem en de nekklem deed haar pijn.

Getuige [getuige] heeft direct na het incident verklaard dat de man haar begon te strelen en dat aangeefster zijn handen weghaalde om [getuige] te beschermen. Vervolgens werd de man agressief en kwam hij op hen af. Hierna zag [getuige] dat de man haar vriendin in een klem vastpakte en haar wurgde. De man bleek later verdachte te zijn.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster en [getuige] . De verklaringen zijn direct na het incident afgelegd en zijn onderling consistent. De omstandigheid dat naast [getuige] niemand anders over de nekklem heeft verklaard, maakt niet dat de verklaringen onbetrouwbaar zijn. Bovendien passen deze in de verklaring van [slachtoffer 2] , die verklaart dat een manspersoon zijn twee vriendinnen lastig viel. De rechtbank concludeert dat feit 1 subsidiair kan worden bewezen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Zaak A

1. subsidiair
op 14 juni 2025 te Amsterdam, [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door
- die [slachtoffer 1] bij de keel vast te pakken en
- die [slachtoffer 1] in een nekklem vast te houden.

2.
op 14 juni 2025 te Amsterdam, [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] meermalen in het gezicht te slaan;

Zaak B
1. primair
op 9 mei 2025 te Amsterdam, openlijk, te weten aan de Reguliersdwarsstraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] door meermalen, althans eenmaal,
- die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 4] in het gezicht, althans het lichaam, te slaan en
- die [slachtoffer 5] tegen het hoofd te slaan;

2. primair
op 7 mei 2025 te Amsterdam, openlijk, te weten aan de Reguliersdwarsstraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 6] , door die [slachtoffer 6] meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of lichaam te slaan en te schoppen;

3.
op 7 mei 2025 te Amsterdam, [slachtoffer 7] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 7] in het gezicht te slaan;

Zaak C
op 30 mei 2025 te Amsterdam, openlijk, te weten in de Lange Leidsedwarsstraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 8] door
- meermaals te slaan tegen het lichaam en het hoofd van die [slachtoffer 8] en
- meermaals te schoppen tegen het lichaam en het hoofd van die [slachtoffer 8] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van voorarrest.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte een first offender is. Verdachte heeft zijn oude leven achter zich gelaten en hij heeft een nieuw bestaan opgebouwd in [land] . Hij heeft daar een gezin en hij heeft werk gevonden. Verder heeft verdachte zich in [land] laten behandelen voor zijn agressieproblematiek en zijn middelengebruik. Hij heeft geen plannen om terug te keren naar Nederland. Het risico op recidive is daarom nihil. Oplegging van slechts een voorwaardelijke straf naast tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, stelt verdachte in staat zijn leven in [land] voort te zetten.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich in zes weken tijd schuldig gemaakt aan meerdere geweldsfeiten, allen gepleegd in het uitgaansleven in Amsterdam tegen jonge mensen die voor hun plezier een avond uit waren in Amsterdam. Eerst heeft verdachte in de Reguliersdwarsstraat openlijk geweld gepleegd tegen [slachtoffer 6] en vervolgens heeft hij [slachtoffer 7] in zijn gezicht geslagen. Twee dagen later heeft hij opnieuw in de Reguliersdwarsstraat openlijk geweld gepleegd, dit keer tegen drie vrienden, [slachtoffer 3] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] . Enkele weken later heeft verdachte na het uitgaan in de Lange Leidsedwarsstraat openlijk geweld gepleegd tegen [slachtoffer 8] . Weer een aantal weken later heeft verdachte [slachtoffer 1] in de Reguliersdwarsstraat mishandeld door haar keel vast te pakken en haar in een nekklem vast te houden. Toen [slachtoffer 1] vervolgens wilde weglopen met haar vrienden, waaronder [slachtoffer 2] , heeft verdachte die [slachtoffer 2] meermalen in zijn gezicht geslagen.

De slachtoffers hebben door het geweld van verdachte pijn gehad, letsel opgelopen en zijn bang geweest. Verdachte heeft een aantal van hen ook uitgescholden, onder andere voor “faggots”. De Reguliersdwarsstraat is een populaire uitgaansstraat bij de LHBTQ+-gemeenschap en de rechtbank sluit niet uit dat homohaat mee heeft gespeeld in het agressieve gedrag van verdachte. Bij uitstek dit soort feiten draagt in hoge mate bij aan het versterken van gevoelens van onveiligheid bij de slachtoffers, maar ook bij de omstanders en in de samenleving in brede zin.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het Nederlandse strafblad van verdachte van 3 februari 2026 en het strafblad van verdachte uit het Verenigd Koninkrijk van 16 juni 2025. Hieruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor het plegen van openlijke geweldpleging of mishandeling.

Strafoplegging

Bij het bepalen van de op te leggen straf beoogt de rechtbank recht te doen aan de ernst van de feiten en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers. In de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van de rechtspraak wordt voor openlijke geweldpleging en mishandeling in beginsel uitgegaan van taakstraffen en geldboetes. Maar naar het oordeel van de rechtbank doen deze strafmodaliteiten onvoldoende recht aan de ernst van de feiten, zoals hiervoor beschreven.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met dit heftige geweld in het uitgaansleven, tegen onschuldige jonge mensen gepleegd, niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank ziet geen aanleiding voor oplegging van een voorwaardelijke straf. In de persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet de rechtbank wel enige reden om af te wijken van de eis van de officier van justitie. Verdachte is kennelijk een goede weg in geslagen door een nieuw leven op te bouwen in [land] . Hij laat zich behandelen voor zijn agressieproblematiek en zijn middelengebruik. De rechtbank zal in strafmatigende zin rekening houden met deze positieve verandering.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden passend en geboden is.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 141 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak A onder 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in

  • zaak A onder 1 subsidiair en 2,

  • zaak B onder 1 primair, 2 primair en 3 en

  • zaak C

ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van zaak A, feit 1 subsidiair, feit 2 en zaak B, feit 3:

telkens: mishandeling;

Ten aanzien van zaak B, feit 1 primair, feit 2 primair en zaak C:

telkens: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.M. Loots, voorzitter,

mrs. A.L. op ’t Hoog en N.A.M. Buurman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. van Gerven, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 april 2026. […]

[…]