Materieel strafrecht

Rechtbank gaat na - eerdere afwijzing - akkoord met procesafspraken OM/verdediging.

Rechtbank Amsterdam, 3 september 2026

Zaakgegevens

Op 3 september 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
3 september 2026
Datum publicatie
18 september 2026
Zaaknummer
13/157222-24
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:9339
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Rechtbank gaat na - eerdere afwijzing - akkoord met procesafspraken OM/verdediging.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/157222-24

Datum uitspraak: 3 september 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] ,

nu gedetineerd in [detentieadres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 18 augustus 2026 en 3 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mr. A. Lobregts en C.J. Cnossen (hierna: officier van justitie), en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E.J. Teeuwen, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van een tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gesloten overeenkomst, waarin door hen gemaakte procesafspraken zijn neergelegd.

De ontnemingszaak (waarin ook procesafspraken zijn gemaakt) is gelijktijdig behandeld met de strafzaak.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt er - na nadere omschrijving van de tenlastelegging op de zitting van 18 augustus 2026 - kort gezegd van beschuldigd dat hij:

1.

in de periode van 26 april 2020 tot en met 31 december 2020 te Amsterdam en/of Colombia en/of Suriname en/of in Colombia, met anderen, de import in en/of de export vanuit Nederland en/of België en het telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, en/of vervoeren/ en of vervaardigen van cocaïne heeft voorbereid en/of bevorderd;

2.

in de periode van 5 juni 2024 tot en met 8 juli 2025 te Amsterdam en/of Accra, met anderen, de import in en/of de export vanuit Nederland en/of België en het telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, en/of vervoeren/ en of vervaardigen van cocaïne heeft voorbereid en/of bevorderd;

3.

Op 10 mei 2020 en/of op 9 november 2020 te Amsterdam een wapen van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool van het merk Glock 26 kaliber 9mm Luger/ Parabellum, voorhanden heeft gehad;

4.

In de periode van 26 april 2020 tot en 25 november 2025 te Amsterdam en/of Rotterdam en/of Medellin, met anderen, geldbedragen, waaronder € 374.743 en een Opel Rock E heeft witgewassen.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1 en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal de rechtbank deze verbeterd lezen. Verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

3 Procesafspraken

3.1.

Procesverloop

Procesafspraken d.d. 29 juli 2026

Op 18 augustus 2026 zijn de procesafspraken besproken. Deze procesafspraken hielden kort gezegd het volgende in:

Dat verdachte in het kader van deze overeenkomst:

  • geen onderzoekswensen indient;

  • geen bewijsverweren voert en al ingediende onderzoekswensen intrekt

  • geen nadere verklaring hoeft af te leggen;

  • zich niet onttrekt aan de tenuitvoerlegging van de straf;

  • ter terechtzitting aanwezig is zodat de totstandkoming van de overeenkomt kan worden getoetst;

  • afstand doet van de in beslag genomen goederen;

en dat het Openbaar Ministerie in het kader van deze overeenkomst

- zal requireren tot een bewezenverklaring en kwalificatie van de feiten als weergegeven in de procesafspraken en een strafeis van 38 maanden gevangenisstraf onvoorwaardelijk.

Tevens is afgesproken dat beide partijen afzien van hoger beroep indien de strafoplegging door de rechtbank conform deze overeenkomst plaatsvindt.

Beslissing van rechtbank d.d. 18 augustus 2026

De rechtbank heeft op 18 augustus 2026 besloten dat zij geen vonnis zal wijzen op basis van bovenstaande procesafspraken. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat deze procesafspraken in een vonnis niet goed uitlegbaar zijn aan de samenleving. Uit het dossier leidt de rechtbank af dat verdachte zich in 2020 en van 2024 tot en met 2025 heeft beziggehouden met voorbereidingshandelingen voor de grootschalige invoer van verdovende middelen vanuit Zuid-Amerika en Ghana. Verdachte zou naar deze landen zijn afgereisd en de transporten van duizenden kilo’s cocaïne hebben gecoördineerd. In het dossier bevinden zich berichten over uithalers, de wijze van het verpakken van de drugs en zoekgeraakte, dan wel in beslag genomen kilo’s cocaïne. De Sky ECC-ID’s die worden toegeschreven aan verdachte brengen kopers en verkopers met elkaar in contact. Naast de gesprekken over drugstransporten gaat het in veel chats ook over te plegen (excessieve) geweldshandelingen in verband met criminele conflicten. De officier van justitie heeft hier bij de voorgeleiding aan de rechter-commissaris nadrukkelijk een beroep op gedaan. De rechtbank moet bij de strafoplegging in aanmerking nemen welke straf de rechtbank in soortgelijke zaken aan andere verdachten oplegt. De rechtbank acht de overeengekomen gevangenisstraf voor de duur van 38 maanden op voorhand niet passend. De rechtbank vindt het noodzakelijk dat verdachte met het hele dossier wordt geconfronteerd, zodat zijn rol bij de tenlastegelegde feiten kan worden geduid. Pas daarna kan zij tot een afgewogen oordeel komen over een bewezenverklaring en een passende straf. De rechtbank heeft toen besloten dat een regiezitting ingepland zou moeten worden.

Correspondentie over verzoek tot indienen nieuwe procesafspraken

Naar aanleiding van het voorgaande heeft de raadsvrouw op 18 augustus 2026 de rechtbank gemaild met het verzoek de beslissing te heroverwegen, in die zin dat de mogelijkheid wordt geboden om alsnog hernieuwde procesafspraken te formuleren (met inachtneming wat de rechtbank over de eerdere procesafspraken heeft geoordeeld). De officier van justitie heeft zich aangesloten bij dit verzoek. Zij hebben hiertoe aangevoerd dat de zaak zich leent voor procesafspraken, dat verdachte hiervoor openstaat en dat hij (ook bij een inhoudelijke behandeling) geen verklaring zal afleggen. Daarnaast is verdachte akkoord met de oplegging van een hogere straf, mits de rechtbank aangeeft wat volgens haar passend en geboden is in een zaak zoals deze. Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben ook dusdanig constructief contact, dat zij bereid zijn om nader in gesprek te gaan. Hierbij kan eventueel ook een nadere concretisering plaatsvinden van bepaalde bewijsmiddelen.

Op 20 augustus 2026 heeft de rechtbank deze e-mail beantwoord. De rechtbank leest in het verzoek een sterke wens om te komen tot hernieuwde procesafspraken. De rechtbank heeft laten weten dat zij daar niet aan in de weg wil staan en zal die nieuwe procesafspraken op de zitting bespreken die oorspronkelijk zou worden ingepland voor regie Het past ook binnen de systematiek van de beoordeling van procesafspraken dat in geval van afwijzing van procesafspraken met een nieuw voorstel gekomen kan worden. Om (nieuwe) procesafspraken te kunnen beoordelen en de vragen als bedoeld in artikel 348 en 350 Wetboek van Strafvordering te beantwoorden is het noodzakelijk dat de rechtbank een (beter) beeld krijgt van de aard en omvang van de verdenking en de rol van verdachte daarbij. De rechtbank heeft de officier van justitie verzocht een bewijsmiddelenoverzicht te verstrekken waarbij de bewijsmiddelen per gedachtestreepje op de tenlastelegging worden uitgewerkt en waarbij in de voetnoten wordt verwezen naar de pagina’s waarin het bewijs te vinden is. Het gaat daarbij onder andere om de vraag welke voorbereidingshandelingen verdachte heeft verricht vanuit of in de verschillende landen die op de tenlastelegging staan. Daarnaast heeft de rechtbank de partijen verzocht om de strafeis nader in de procesafspraken te motiveren met een beschrijving van de rol en gedragingen die aan verdachte zijn toe te schrijven en hoe de straf zich verhoudt tot de jurisprudentie. Uit de strafeismotivering zullen de strafverzwarende en strafverminderende omstandigheden moeten blijken. Tot slot heeft zij laten weten dat in het geval op zitting blijkt dat de rechtbank de nieuwe strafeis alsnog niet passend vindt, er eventueel op dat moment over een bandbreedte gesproken kan worden, waarna partijen kunnen kijken of zij binnen die bandbreedte procesafspraken kunnen maken. Zonder de aanvullende informatie waar hierboven om wordt verzocht – kan de rechtbank nog geen bandbreedte geven.

Nieuwe procesafspraken d.d. 27 augustus 2026

Naar aanleiding van het bovenstaande zijn het Openbaar Ministerie en de verdediging tot nieuwe procesafspraken gekomen die op de zitting van 3 september 2026 besproken zijn. In deze procesafspraken is opgenomen dat het Openbaar Ministerie in het kader van deze overeenkomst zal requireren tot een bewezenverklaring en kwalificatie van de feiten als weergegeven in de procesafspraken en een strafeis van 40 maanden gevangenisstraf onvoorwaardelijk. Daarnaast zijn de bewijsmiddelen en de strafeis nader omschreven. In de nieuwe procesafspraken wordt uitgegaan van een andere bewezenverklaring waarbij minder gedragingen bewezen worden geacht. Met name de voorbereidingshandelingen ten aanzien van drugstransporten in Suriname en Peru worden bij nader inzien niet bewezen geacht.

De rechtbank heeft ter terechtzitting van 3 september 2026 aangegeven dat zij de overeengekomen strafeis van 40 maanden gevangenisstraf aanzienlijk te laag vindt. De rechtbank verwijst daarbij ook naar de argumentatie daarvoor in de tussenbeslissing van 18 augustus 2026. Uit het dossier komt zoals eerder besproken naar voren dat verdachte gedurende een lange periode een grote rol had als tussenpersoon in de internationale drugshandel. Daarnaast hebben een deel van de feiten zich kort geleden voorgedaan. Verdachte is met de strafbare feiten gestopt omdat hij is aangehouden en dus niet uit eigen beweging. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een uitgangspunt van 60 maanden gevangenisstraf met de maximale strafkorting bij procesafspraken van een derde niet passend. De rechtbank heeft – op verzoek van de raadsvrouw – een indicatie gegeven welke gevangenisstraf de rechtbank minimaal passend acht. De rechtbank heeft na beraad aangegeven dat zij een gevangenisstraf van minimaal 46 maanden passend acht.

Na een korte onderbreking hebben het Openbaar Ministerie, verdachte en de raadsvrouw de procesafspraken aangepast. Deze overeenkomst is op 3 september 2026 door verdachte, zijn raadsvrouw en de officier van justitie ondertekend en op 3 september 2026 aan de rechtbank overgelegd. De ondertekende procesafspraken zijn als bijlage II aan dit vonnis gehecht en gelden als hier ingevoegd.

3.2.

De ter zitting nader overeengekomen procesafspraken

Het openbaar ministerie en de raadsvrouw zijn in de aangepaste procesafspraken het volgende overeengekomen:

verdachte in het kader van deze overeenkomst:

  • geen onderzoekswensen indient;

  • geen bewijsverweren voert en al ingediende onderzoekswensen intrekt

  • geen nadere verklaring hoeft af te leggen;

  • zich niet onttrekt aan de tenuitvoerlegging van de straf;

  • ter terechtzitting aanwezig is zodat de totstandkoming van de overeenkomt kan worden getoetst;

  • afstand doet van de in beslag genomen goederen;

en dat het Openbaar Ministerie in het kader van deze overeenkomst

- zal requireren tot een bewezenverklaring en kwalificatie van de feiten als weergegeven in de procesafspraken en een strafeis van 46 maanden gevangenisstraf onvoorwaardelijk. Hierbij is uitgegaan van een gevangenisstraf van 60 maanden en is een strafkorting van 14 maanden toegepast.

Tevens is afgesproken dat beide partijen afzien van hoger beroep indien de strafoplegging door de rechtbank conform deze overeenkomst plaatsvindt.

3.3.

De beoordeling van de procesafspraken door de rechtbank

De rechtbank kan alleen acht slaan op een door het openbaar ministerie en de verdediging opgesteld afdoeningsvoorstel als gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de eisen die artikel 6 EVRM stelt. Deze waarborg is in het bijzonder van belang omdat in de regel mede van een afdoeningsvoorstel deel uitmaakt dat de verdachte afziet van bepaalde aan hem toekomende verdedigingsrechten.

De rechtbank heeft op de zitting van 3 september 2026 de procesafspraken besproken met verdachte, terwijl hij werd bijgestaan door zijn raadsvrouw. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij begrijpt waar de procesafspraken uit bestaan. De rechtbank heeft de gevolgen van de procesafspraken besproken en de rechtspositie van verdachte concreet aan de orde gesteld. Verdachte heeft verklaard dat hij akkoord gaat met de procesafspraken van 3 september 2026.

De rechtbank heeft begrepen dat hij zich vrij voelde om zelf te beslissen en zich niet onder druk gezet heeft gevoeld om de procesafspraken te maken.

De rechtbank stelt vast dat verdachte, die gedurende zijn proces steeds is bijgestaan door een advocaat, vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan de procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De rechtbank heeft zich er bij de inhoudelijke behandeling van vergewist dat verdachte achter de gemaakte afspraken en het afdoeningsvoorstel staat.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat zij acht kan slaan op de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken.

4 De waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft overeenkomstig de procesafspraken zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft overeenkomstig de procesafspraken geen bewijsverweer gevoerd.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feiten 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde. De rechtbank grondt haar beslissing op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn opgenomen. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit verkorte vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan dit verkorte vonnis gehecht.

4.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

1.

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 april 2020 tot en met 31

december 2020 te Amsterdam, althans in Nederland, en/of Colombia, tezamen met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten

- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland en/of België brengen,

- het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,

- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en

inlichtingen te verschaffen,

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

- voorwerpen, vervoermiddelen, gelden en andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad,

waarvan hij, verdachte, en zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

- meerdere malen, althans eenmaal, af te reizen naar Zuid-Amerika

- een of meerder PGP-telefoons, althans encryptie-telefoons voorhanden te hebben en daarvan gebruik te maken in de communicatie met een of meer (onbekend gebleven) mededaders en

-via SkyECC met anderen (onder andere [gebruikersnaam 1] en [gebruikersnaam 2]) gesprekken te voeren en afspraken te maken over het (participeren in) het importeren van een of meerdere hoeveelheden cocaïne, vanuit Colombia en/of Bolivia en/of Ecuador en/of Venezuela;

2.

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 juni 2024 tot en met 31 maart 2025 te Amsterdam, Nederland, en Accra, Ghana, tezamen met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten

- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland en/of België brengen,

- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,

- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen

en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

- voorwerpen, vervoermiddelen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(en) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door

- meerdere malen, althans eenmaal, af te reizen naar West-Afrika,

- gesprekken te voeren en afspraken te maken over het (participeren in) het importeren van een of meerdere hoeveelheden cocaïne, althans verdovende middelen, vanuit Ghana, West-Afrika, althans het buitenland

- een of meerdere Google Pixel telefoons, althans encryptie-telefoons voor handen te hebben en/of daarvan gebruik te maken in de communicatie met een of meer (onbekend gebleven) mededaders;

3.

op 10 mei 2020 en op 9 november 2020 te Amsterdam, een wapen van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool van het merk Glock 26 kaliber 9mm

Luger/parabellum, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad;

4.

op meer tijdstippen in de periode van 26 april 2020 tot en met 25 november 2025 te

Amsterdam en Rotterdam, Nederland en Medellin, Colombia, tezamen en in vereniging met een of

meer anderen, voorwerpen, te weten

- een of meer (contante) geldbedrag(en), waaronder 1700 miljoen Pesos (€ 374.743,-) op 4 oktober 2020,

- een Opel Rocks-E met kenteken [kenteken]

heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en omgezet, en van die geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en zijn mededaders wisten dat dat deze voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomst waren uit enig misdrijf.

5 De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

6 Motivering van de straf

6.1.

Strafeis van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft - overeenkomstig de procesafspraken - gevorderd dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 46 maanden zal worden opgelegd.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht dat - overeenkomstig de procesafspraken - de strafeis van de officier van justitie zal worden gevolgd.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft zich beraden over de procesafspraken en haar eigen afweging gemaakt bij de bepaling van de op te leggen straf. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze naar voren zijn gekomen tijdens het onderzoek ter terechtzitting.

De officier van justitie en de raadsvrouw hebben ter terechtzitting een extra toelichting gegeven over waarom zij tot overeenstemming over de strafeis zijn gekomen.

De rechtbank kan zich, mede door de nadere concretisering van de rol van verdachte als tussenpersoon in de internationale drugshandel en de extra onderbouwing, vinden in het door de officier van justitie genomen strafuitgangspunt in deze zaak van 60 maanden gevangenisstraf en de gehanteerde strafkorting van 14 maanden die daarop is toegepast in het kader van de procesafspraken. Daarbij weegt mee dat een straf van 46 maanden gevangenisstraf beter aansluit bij de ernst van de feiten en de grote coördinerende rol van verdachte dan de oorspronkelijke strafeis van 38 maanden gevangenisstraf.

De ernst van de feiten blijkt uit de grote hoeveelheden cocaïne ten aanzien waarvan verdachte voorbereidingshandelingen verrichtte (het ging om duizenden kilo’s). Verdachte speelde daarbij een grote coördinerende rol in vrijwel de hele “keten” (van contacten met cocaïneproducenten in vier landen in Zuid -Amerika en in Ghana, tot contacten met vervoerders over vaarroutes, de lading en over de wijze van uithalen.)

Verder is van belang dat de tenlastelegging niet alleen ziet op een periode van lange tijd geleden, te weten in 2020 (feit 1) maar ook op een recentere periode in 2024/2025 (feit 2).

Daarnaast was er sprake van wapenbezit en het witwassen van een groot geldbedrag. Strafverminderend is het feit dat in de procesafspraken van 3 september 2026 minder gedragingen bewezen zijn geacht bij feit 1; de voorbereidingshandelingen ten aanzien van transporten vanuit Suriname en Peru zijn weggevallen uit de bewezenverklaring.

De officier van justitie heeft het uitgangspunt voor de straf gebaseerd op vergelijkbare zaken, de LOVS-oriëntatiepunten en de richtlijnen van het Openbaar Ministerie. De rechtbank stelt vast dat de straffen in vergelijkbare zaken zich binnen een ruime bandbreedte bevinden. Een straf van 46 maanden valt gelet op het voorgaande daarbinnen en is niet onredelijk om als uitgangspunt te nemen.

De rechtbank heeft in het kader van de strafoplegging gekeken naar het strafblad van verdachte van 26 augustus 2026 waaruit volgt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld, zodat hiermee niet in strafverzwarende zin rekening zal worden gehouden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde gevangenisstraf in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak, mede gelet op de straf(proces)rechtelijke en maatschappelijke voordelen die behaald worden met een afdoening door procesafspraken.

De rechtbank zal verdachte in lijn met de procesafspraken een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 46 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

8 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1 en Feit 2:

telkens: medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door zich en een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;

Feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

Feit 4:

witwassen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 46 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Vaandrager, voorzitter,

mrs. A.H.E. van der Pol en C. Wildeman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.J.D. Hartman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 september 2026.

[…]

[…]
[…]
[…]
[…]
[…]


[…]
[…]
[…]
[…]
[…]

[…]
[…]


[…]
[…]


[…]
[…]
[…]
[…]

[…]
[…]

[…]
[…]
[…]


[…]
[…]
[…]
[…]

Rechtbank Amsterdam 18 augustus 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:8722. Hoge Raad 27 september 2022, ECLI:NL:HR.2022:1252, NJ 2023/31.