Strafprocesrecht

Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in zijn wrakingsverzoek. Verzoeker noemt de rechter in zijn…

Rechtbank Amsterdam, 13 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 13 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
13 oktober 2026
Datum publicatie
19 oktober 2026
Zaaknummer
C/13/794980 / HA RK 26-381
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:10250
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in zijn wrakingsverzoek. Verzoeker noemt de rechter in zijn wrakingsverzoek onder meer "pro-genocidaal", "anti Palestijns racistisch"en stelt dat deze "sympathie heeft voor de Gaza genocide". Dat zijn zeer ernstige verwijten, die geen grond vinden in de door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden. De kwalificaties zijn dermate respectloos en diffamerend dat zij aanleiding zijn verzoeker kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren. Verzoeker profileert zichzelf onder meer als "anti genocideactivist", maar dat rechtvaardigt niet een dergelijke respectloze en ongegronde bejegening. Het respect van de rechter en daarmee voor de rechtelrijke macht is een fundament van de rechtstaat dat niet lichtvaardig in twijfel getrokken mag worden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beslissing op het op 7 oktober 2026 ingekomen en onder rekestnummer C/13/794980 / HA RK 26-381 ingeschreven verzoek van:

[verzoeker] ,

verzoeker,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. N.J. Koene, rechter-commissaris te Amsterdam, hierna: de rechter.

1 Verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

 het wrakingsverzoek ingekomen bij de Wrakingskamer op 7 oktober 2026.

1.2.

De rechter heeft niet in de wraking berust.

2 De feiten en het verzoek

2.1.

Verzoeker is verdachte in de strafzaken met parketnummers 13/234304-25 en 13/001490-25.

2.2.

Verzoeker heeft aangevoerd dat bij de behandeling van zijn zaken op 7 oktober 2026 de rechter het hem niet heeft toegestaan vragen te stellen aan twee getuigen en videobeelden te laten zien. Verzoeker had alle reden om vragen te stellen, aangezien hij als anti-genocideactivist terechtstaat. Het incident dat de hele strafzaak betreft, was een anti-genocide-demonstratie. Zijn motieven als activist evenals de feitelijke context van de Gaza-genocide, vormen de kern van de verdediging van verzoeker tegen de valse tenlastelegging. De rechter greep nogmaals in toen verzoeker een foto van een gewond Palestijns kind liet zien aan. Volgens verzoeker blijkt uit deze gang van zaken bij de rechter “pro-genocidale, of te wel extremistisch gedachtegoed”, “anti-Palestijns racisme” en “sympathieën voor de Gaza-genocide”, alsmede van “zaken die verder gaan dan de schijn van extremistisch gedachtegoed: partijdigheid en vooringenomenheid”. Tot slot is verzoeker van mening dat hij door de houding van de rechter geen eerlijk proces heeft gekregen.

3 De ontvankelijkheid van het verzoek

3.1.

Verzoeker noemt de rechter in zijn wrakingsverzoek onder meer “pro-genocidaal”, “anti Palestijns racistisch” en stelt dat deze “sympathie heeft voor de Gaza genocide”. Dit zijn zeer ernstige verwijten, die geen grond vinden in de door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden. De kwalificaties zijn dermate respectloos en diffamerend dat zij aanleiding zijn verzoeker kennelijk niet- ontvankelijk te verklaren. Verzoeker profileert zichzelf onder meer als “anti genocideactivist”, maar dat rechtvaardigt niet een dergelijke respectloze en ongegronde bejegening. Het respect voor de rechter en daarmee voor de rechterlijke macht is een fundament van de rechtstaat dat niet lichtvaardig in twijfel getrokken mag worden. Een mondelinge behandeling kan dan ook achterwege blijven.

4. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Wrakingskamer:

 verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

Aldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, M.V. Ulrici en I.M. Nusselder, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 oktober 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.