RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie & Jeugd
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15/226079-25 (P)
Uitspraakdatum: 3 september 2026
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 20 augustus 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
[officier van justitie] en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.W. Kuijpers advocaat te Hoofddorp, naar voren hebben gebracht.
Op de zitting is verder het woord gevoerd door [vertegenwoordiger van de raad] van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] van De Jeugd en Gezinsbeschermers (hierna: de jeugdreclassering) en [coach] (de coach van de verdachte).
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van wat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] , bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N. Amine, advocaat te 's-Gravenhage, naar voren heeft gebracht.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1:
hij op of omstreeks 5 juli 2025 te Haarlem opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht in de nabijheid van eetcafé [eetcafé] gelegen aan [adres] , door een explosief bij/tegen de ruit en/of muur van het pand te plaatsen/leggen en/of dit explosief in aanraking met vuur te brengen waardoor het explosief tot ontploffing is gekomen,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de goederen die
zich ten tijde van de explosie in voornoemde pand bevonden, te duchten was;
feit 2:
hij op of omstreeks 6 juli 2025 te Haarlem [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door meermalen met een vuurwapen te schieten op eetcafé [eetcafé] gelegen aan [adres] in eigendom van [benadeelde partij 1] ;
feit 3:
hij op of omstreeks 6 juli 2025 te Haarlem opzettelijk en wederrechtelijk eetcafé [eetcafé] gelegen aan [adres] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde partij 1] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
feit 4:
hij op of omstreeks 6 juli 2025 te Haarlem een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een 9mm (machine)pistool zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en/of munitie van categorie III, van de Wet wapens en munitie, te weten vijftien, althans één of meer, kogelpatronen, welke geschikt zijn om met voornoemd vuurwapen te worden verschoten, van het merk, kaliber, en type: Luger 9mm Cbc
voorhanden heeft gehad;
feit 5:
hij op of omstreeks 8 juli 2025 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen in de nabijheid van eetcafé [eetcafé] gelegen aan [adres] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de goederen die zich ten tijde van de explosie in voornoemde pand bevonden te duchten was, een explosief op de straat voor het pand en/of tegen de muur en/of ruit heeft geplaatst/gelegd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
4
Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
- feit 1: opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
- ten aanzien van de feiten 2 en 3:
de eendaadse samenloop van
- feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht/zware mishandeling;en
- feit 3: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen;
- feit 4: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
- feit 5: poging tot opzettelijk brand stichten/een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
7
Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert materiele en immateriële schade
die hij als gevolg van de ten laste gelegde feiten heeft geleden. Hij vordert € 67.196,32,-
aan materiele schadevergoeding, bestaande uit gederfde inkomsten, werkzaamheden van de boekhouder, verlies huurgenot, herstel schadeposten (banken, ruiten en schilderwerk), kosten inspectie brandveiligheid en kosten van veiligheidsmaatregelen. Daarnaast vordert hij
€ 5.000,00 aan immateriële schadevergoeding. De benadeelde partij verzoekt de schadevergoeding te vermeerderen met wettelijke rente en wordt oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
7.1.1. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het materiele deel van de vordering, waarbij de officier van justitie de rechtbank verzoekt gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid.
De officier van justitie heeft gevorderd de immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren, wegens het ontbreken van een onderbouwing van het psychisch letsel. Daarbij overweegt de officier van justitie dat dit niet het type feit is waarbij de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
7.1.2. Standpunt van de verdediging
Materiele schadevergoeding
De verdediging is van oordeel dat de vordering ten aanzien van de gederfde inkomsten niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, aangezien de vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd, dan wel dat toewijzing een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
De verdediging voert daartoe aan dat niet kan worden vastgesteld dat door de sluiting van het pand daadwerkelijk winst gederfd is. Blijkens de getuigenverklaring in het dossier waren namelijk geen gasten te zien en is onduidelijk of het eetcafé wel in gebruik was. Daarnaast is de vordering niet onderbouwd met aangiftes. Wel zijn Btw-aangiftes overgelegd, maar daaruit blijkt niet wat het daadwerkelijke inkomen is geweest in vergelijkbare periodes.
De verdediging stelt zich verder op het standpunt dat aangezien de kosten voor de gederfde inkomsten niet kunnen worden toegewezen, dit ook geldt voor de factuur van de boekhouder die heeft berekend waaruit de gederfde inkomsten bestaan. Bovendien was de verklaring van de boekhouder niet noodzakelijk als de aangifte inkomstenbelasting was overgelegd.
De vordering ten aanzien van de huurkosten dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, aangezien de huurder geen huur verschuldigd is als de verhuurder niet aan de verplichting van de levering van het pand kan voldoen. Ook zijn geen afschriften bijgevoegd waaruit blijkt dat de huur is doorbetaald tijdens de sluiting op last van de burgemeester.
De vervanging van ruiten en de kosten voor het schilderwerk van de kozijnen en muur komen volgens de verdediging ten laste van de eigenaar van het pand. De vordering dient op dit punt niet-ontvankelijk verklaard te worden. Ten aanzien van de gevorderde schade voor de banken blijkt niet uit het dossier dat alle banken beschadigd waren. Het vaststellen van de daadwerkelijke kosten voor de schade aan de banken levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De kosten voor inspectie brandveiligheid komen volgens de verdediging ten laste van de verhuurder en niet de huurder.
De kosten ten behoeve van camera’s en beveiliging zijn pas in augustus 2026 gemaakt, dus ruim na heropening van het eetcafé. Naar het oordeel van de verdediging kan dan ook geen rechtstreeks verband worden vastgesteld.
Immateriële schade
Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade stelt de verdediging zich primair op het standpunt dat de aangever niet direct is geconfronteerd met de explosies en beschieting, omdat hij niet in het pand aanwezig was, en dus niet kan worden gesproken van een aantasting in de persoon anderzijds, waardoor de vordering op dit punt niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Dit geldt temeer nu de geschetste angstgevoelens niet worden onderbouwd door bijvoorbeeld documenten van een arts of hulpverlener. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de vordering sterk gematigd dient te worden, aangezien aangever niet direct is geconfronteerd met de explosies.
7.1.3. Oordeel van de rechtbank
Materiele schade
De rechtbank beoordeelt de verschillende posten als volgt.
De vordering wordt voor wat betreft de kosten voor de gederfde inkomsten, niet-ontvankelijk verklaard. Gelet op de uitgebreide en gemotiveerde betwisting van verschillende aspecten van dit deel van de vordering, waardoor nader onderzoek noodzakelijk is voordat op deze schadepost kan worden beslist, is de rechtbank van oordeel dat behandeling van dit onderdeel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren en alleen bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
De vordering die ziet op de factuurkosten voor de boekhouder hangt dusdanig samen met de schadepost van de gederfde inkomsten dat de rechtbank deze vordering ook niet-ontvankelijk verklaart.
Gelet op de gemotiveerde betwisting van de kosten ten behoeve van het verlies van huurgenot wordt dit deel van de vordering ook niet-ontvankelijk verklaard. De behandeling van dit onderdeel van de vordering zou nader onderzoek vergen, wat een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Ten aanzien van de gevorderde herstel schadeposten, te weten de kosten voor de vervanging van de banken, ruiten en het schilderwerk, overweegt de rechtbank dat vaststaat dat hier schade aan is ontstaan en dat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit de bewezenverklaarde feiten. Door de verdediging is de hoogte van deze vordering betwist. Nu deze kosten onvoldoende specifiek zijn onderbouwd, maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid en bepaalt de gevorderde kosten voor herstel schadeposten op een bedrag van € 3.000,00. De rechtbank verklaart de vordering tot vergoeding van de overige schade niet-ontvankelijk.
De vordering ten aanzien van de kosten die gemaakt zijn ten behoeve van de brandinspectie wordt toegewezen. Deze schade vloeit rechtsreeks voort uit de bewezenverklaarde feiten.
De kosten die gemaakt zijn voor de veiligheidsmaatregelen hebben een te ver verwijderd verband met de bewezenverklaarde feiten, mede gelet op de datum van de aanschaf van de veiligheidsmaatregelen, namelijk geruime tijd na heropening van het pand. Dit deel van de vordering wordt niet-ontvankelijk verklaard.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal
€ 3.495,00 toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 augustus 2026 (het moment waarop de vordering is ingediend).
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij
heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden
door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn
vordering van materiële schade. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij
de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
Voor vergoeding van immateriële schade is een wettelijke grondslag vereist, zoals vermeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW). Eén van de gevallen waarin de wet recht geeft op vergoeding van immateriële schade volgt uit artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Uit dit artikel vloeit voort dat de benadeelde partij recht heeft op een vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van het laatste is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat sprake is van de bedoelde ‘aantasting in persoon op andere wijze’. In een dergelijk geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij onvoldoende feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat één van deze grondslagen voor immateriële schadevergoeding van toepassing is. De omstandigheid dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde is geschrokken, gevoelens van angst heeft gekregen en zich zorgen maakt over zijn veiligheid en die van zijn vrouw en kinderen – hoe voorstelbaar ook – vormt onvoldoende grond om te stellen dat daarmee sprake is van geestelijk letsel of dat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De rechtbank is ook niet gebleken dat de nadelige gevolgen van de ontploffing met gemeen gevaar voor goederen en de bedreiging voor de benadeelde zodanig voor de hand liggen dat zonder meer aantasting van de persoon kan worden aangenomen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de ten laste gelegde feiten plaatsvonden aan het bedrijfspand van de benadeelde partij en hij hier op het moment zelf niets van heeft gemerkt. Het immateriële deel van de vordering van de benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Niet hoofdelijk
De benadeelde partij heeft verzocht om te bepalen dat de verdachte hoofdelijk voor het hele schadebedrag kan worden aangesproken. Gelet op artikel 6:102 van het BW zijn twee of meer personen hoofdelijk verbonden als op ieder van hen de verplichting rust tot vergoeding van dezelfde schade. Er is in deze zaak geen medeverdachte. De verplichting tot vergoeding van de schade rust daarom enkel op de verdachte. De rechtbank wijst het verzoek om de vordering hoofdelijk toe te wijzen dan ook af.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen aanleiding voor de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 105 (honderdvijf) dagen met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- gedurende de proeftijd volgens het rooster aanwezig is bij werk;
- meewerkt aan behandeling bij een forensische polikliniek zoals Co-Fiducia of een soortgelijke instantie, zo lang als de reclassering dit nodig acht en waarbij de frequentie van de afspraken wordt bepaald door de reclassering in samenspraak met de behandelaar;
- meewerkt aan coaching vanuit Co-Fiducia of een soortgelijke instelling, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.
Geeft opdracht aan Reclassering Nederland te Haarlem tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 200 (tweehonderd) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 100 (honderd) dagen jeugddetentie.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] geleden schade tot een bedrag van € 3.495,00 bestaande uit materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 augustus 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.495,00 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 augustus 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Mireku, voorzitter,
mr. C.E. Voskens en mr. M.E. Kleijn, rechters, allen tevens kinderrechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. R. Moes,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 september 2026.