Strafrecht overig
Verzoeken ex artikel 530 en 533 Sv afgewezen.
ECLI:NL:RBAMS:2020:4827 · Rechtbank Amsterdam · 28 september 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/beschikking/ecli-nl-rbams-2020-4827
Zaakgegevens
Op 28 september 2020 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 28 september 2020
- Datum publicatie
- 2 oktober 2020
- Zaaknummer
- 20/2377 + 20/2378
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2020:4827
Samenvatting
Verzoeken ex artikel 530 en 533 Sv afgewezen.
Uitspraak
Inhoudsopgave
[afbeelding niet beschikbaar]beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
RK: 20/2377 + 20/2378
Parketnummer: 13/055315-20
Beschikking op de verzoeken ex artikel 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker]
geboren op [geboortedag] 1968 in [geboorteplaats] ([geboorteland]),
wonende op het adres [adres 1],
woonplaats kiezend op het adres van zijn raadsvrouw, mr. N.W.A. Dekens,
[adres 2],
verzoeker.
Procesgang
Het verzoekschrift is op 13 mei 2020 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Op 25 mei 2020 heeft het Openbaar Ministerie zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
In verband met de coronamaatregelen is de rekestenzitting op 31 juli 2020 niet doorgegaan. Verzoeker heeft afstand gedaan van het recht op (aanwezigheid bij) een mondelinge behandeling van zijn verzoekschrift in raadkamer. De rechtbank heeft met instemming van de raadsvrouw en het Openbaar Ministerie, na schriftelijke rondes buiten de raadkamer op het verzoekschrift beslist.
De raadsvrouw heeft per e-mail van 27 augustus 2020 een schriftelijke toelichting gestuurd. De officier van justitie heeft hier per e-mail van 27 augustus 2020 op gereageerd.
Inhoud van het verzoekschrift
Het verzoek strekt tot het toekennen van een vergoeding van
-
€ 95,00 voor schade wegens de tijd die verzoeker in het arrestantencomplex heeft moeten doorbrengen;
-
€ 280,00 voor de kosten van het opstellen en indienen van het verzoekschrift.
In het verzoekschrift en schriftelijke toelichting van 27 augustus 2020 heeft de raadsvrouw – kort samengevat – het volgende aangevoerd.
Verzoeker is op 2 maart 2020 om 21:00 uur aangehouden. Hij heeft een hele nacht en een groot gedeelte van de volgende dag op het politiebureau vastgezeten, maar hij is niet in verzekering gesteld. Verzoeker is op 3 maart 2020 om 14:25 uur heengezonden. Op 22 april 2020 heeft verzoeker een kennisgeving sepot ontvangen.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie verzet zich tegen toekenning van de gevraagde schadevergoeding, omdat verzoeker niet in verzekering is gesteld.
Beoordeling
Op 2 maart 2020 is verzoeker aangehouden op verdenking van mishandeling. Verzoeker is op 3 maart 2020 heengezonden.
De officier van justitie heeft de strafzaak tegen verzoeker onvoorwaardelijk geseponeerd en dat bij brief van 22 april 2020 aan hem medegedeeld.
Indien de zaak tegen een verdachte eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht kan op verzoek van de gewezen verdachte op grond van artikel 530 lid 2 Sv, aan hem, uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade, die zij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van een raadsvrouw.
Het verzoek kan slechts worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak. De strafzaak tegen verzoeker is op 22 april 2020 onvoorwaardelijk geseponeerd. Een onvoorwaardelijk sepot dient te worden aangemerkt als een ‘einde zaak’ in de zin van artikel 530 en 533 Sv. Het verzoek is tijdig ingediend.
In artikel 533 Sv is bepaald dat schadevergoeding kan worden verzocht voor schade ten gevolge van ondergane verzekering. De rechtbank stelt vast dat verzoeker niet in verzekering is gesteld, wat gelet op de termijnen voor het ophouden voor onderzoek ook niet noodzakelijk was. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Uit het hiervoor aangehaalde wetsartikel had het verzoeker, voorzien van een rechtsgeleerd raadsvrouw, duidelijk moeten zijn dat het verzoek ex artikel 533 Sv zou worden afgewezen. Daarom verzetten gronden van billijkheid zich tegen toewijzing van het verzoek ex artikel 530 Sv voor de kosten voor het opstellen van het verzoekschrift.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 en 533 Sv af.
Deze beslissing is op 28 september 2020 gegeven door
mr. L. Dolfing, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. G. Onnink, griffier.
Tegen deze beslissing staat voor verzoeker en de officier van justitie hoger beroep open,
in te stellen ter griffie van deze rechtbank,
binnen een maand na betekening van deze beschikking.